RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11902701 \ CV EXPL 25-1758
Vonnis van 6 januari 2026
in de zaak van
CENTRALE ZORGVERZEKERINGEN NZV N.V.,
voorheen genaamd naamloze vennootschap Centrale Ziektekostenverzekering NZV N.V., en
ONDERLINGE WAARBORG MAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 september 2025; - de (mondelinge) conclusie van antwoord van 7 oktober 2025;- de conclusie van repliek van 4 november 2025;- de brief van [gedaagde] van 1 december 2025, die is aangemerkt als conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
De vordering
CZ vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 528,22 alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Volgens CZ is [gedaagde] zijn verplichtingen uit hoofde van de zorgverzekeringsovereenkomst niet nagekomen, waardoor er een betalingsachterstand is ontstaan. Het gaat om de premie voor de verzekering en de aanvullende verzekering in de periode 17 november 2022 tot 31 januari 2023 en 1 februari 2023 tot 28 februari 2023.
Omdat betaling, ondanks aanmaning, uitbleef, is CZ deze procedure gestart.
Het verweer
[gedaagde] heeft, kort samengevat, naar voren gebracht dat als hij de premie moet betalen, hij hiervoor een betalingsregeling wil treffen. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de extra bijkomende kosten omdat hij pas op het moment dat hij de dagvaarding heeft ontvangen, bekend is geworden met de betalingsachterstand en direct telefonisch een betalingsregeling voor de hoofdsom heeft aangeboden. Volgens [gedaagde] heeft hij niet eerder een brief of herinnering over de betalingsachterstand gehad.
3. De beoordeling
De hoofdsom
CZ heeft in haar conclusie van repliek toegelicht hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en daarbij haar vordering nader onderbouwd. [gedaagde] heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat hij de achterstand in termijnen wil aflossen.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat, nu [gedaagde] geen verweer (meer) voert tegen de hoofdsom, het bedrag van € 528,22 (€ 563,66 - € 35,44) kan worden toegewezen.
Betalingsregeling
[gedaagde] vraagt om een betalingsregeling. De kantonrechter komt niet de bevoegdheid toe een regeling op te leggen. Voor het treffen van een betalingsregeling moet [gedaagde] zich wenden tot (de gemachtigde van) CZ. Opgemerkt wordt dat (de gemachtigde van) CZ niet verplicht kan worden met [gedaagde] een betalingsregeling te treffen.
Proceskosten
[gedaagde] is het niet eens met de extra kosten omdat hij stelt pas bij het ontvangen van de dagvaarding bekend te zijn geworden met de betalingsachterstand. Eerdere brieven of herinneringen heeft hij ook niet ontvangen. CZ heeft in reactie hierop naar voren gebracht dat [gedaagde] een aanvraagformulier heeft ingevuld, met daarop onder andere zijn e-mailadres, [e-mailadres] . CZ heeft de post (polissen, herinneringen en aanmaningen) digitaal verstuurd en daarnaast zijn deze stukken ook klaargezet in Mijn Nationale-Nederlanden, de persoonlijke omgeving waar [gedaagde] met zijn DigiD kon inloggen. Nadat CZ de melding kreeg dat
[gedaagde] niet bereikbaar was op het door hem opgegeven e-mailadres, heeft CZ daarna op verschillende momenten brieven gestuurd naar het adres waarop [gedaagde] op dat betreffende moment stond ingeschreven als hebbende een briefadres respectievelijk woonadres. Ter onderbouwing daarvan heeft CZ deze brieven overgelegd alsmede een uittreksel van de Basisregistratie Personen van [gedaagde] .
Ten slotte wijst CZ op artikel 15.2 en 15.4 van haar polisvoorwaarden. Gelet daarop had [gedaagde] zijn juiste e-mailadres en zijn juiste postadres tijdig door moeten geven, aldus CZ. Dat is niet gebeurd.
De kantonrechter moet de vraag beantwoorden of [gedaagde] de proceskosten verschuldigd is. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en zij motiveert dat als volgt.
Aan het standpunt van [gedaagde] dat het door CZ gebruikte e-mailadres niet klopt en dat hij daarom geen e-mailberichten heeft ontvangen, gaat de kantonrechter voorbij. Datzelfde geldt voor het standpunt dat [gedaagde] de brieven (mogelijk) niet heeft ontvangen. Het aanvraagformulier is namelijk door [gedaagde] zelf ingevuld. Ook heeft hij zelf zijn e-mailadres doorgegeven. CZ mag uitgaan van de juistheid van deze gegevens. Mocht er iets veranderen in de contactgegevens, is het aan [gedaagde] om CZ daarvan in kennis te stellen. [gedaagde] heeft dat kennelijk niet gedaan. Dat
[gedaagde] daardoor e-mailberichten en brieven (mogelijk) niet heeft ontvangen en hij daardoor niet op de hoogte was van de betalingsachterstand, komt dan ook voor zijn rekening en risico. CZ heeft brieven gestuurd naar het adres waarop [gedaagde] stond ingeschreven bij de Basisregistratie Personen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat CZ zich voldoende heeft ingespannen voordat zij de dagvaarding aan [gedaagde] heeft laten uitbrengen. CZ heeft [gedaagde] dan ook terecht gedagvaard.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punt × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
823,64
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 528,22,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 823,64, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening, indien
[gedaagde] niet binnen de genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026. (ak)