ECLI:NL:RBOVE:2026:3115

ECLI:NL:RBOVE:2026:3115

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer 08.033033.26 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 21-jarige man tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk en een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast wordt aan de verdachte een contactverbod opgelegd en moet hij een schadevergoeding van € 2.600,00 betalen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het plegen van een straatroof.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.033033.26 (P)

Datum vonnis: 2 juni 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. [verblijfsplaats] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [slachtoffer 1] is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander een straatroof heeft gepleegd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 6 november 2025 te Hengelo (O)tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een Iphone 16 en/of een MacBook Pro 2021 (Apple), in elk geval enig goed, dat/diegeheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachteen/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk omhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1]en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden ofgemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of anderedeelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit vanhet gestolene te verzekeren, door- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “Jongens, dit is nu vanons”, althans woorden van gelijke strekking, en/of- met zijn hand in zijn tasje te grijpen en/of een klikkend geluid te laten horen (endaarmee de indruk te wekken dat een wapen werd doorgeladen, althans dat hij eenwapen voorhanden had) en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het feit wettig en overtuigen kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte zijn aandeel in het feit heeft bekend en dat het feit kan worden bewezen. Ten aanzien van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het gebruik van een wapen heeft de raadsman betoogd dat het wettig bewijs aanwezig is, maar dat om vrijspraak van dit onderdeel wordt verzocht gezien de ontkenning van verdachte op dit punt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 7 november 2025, pagina 22 ev;

2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 mei 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

Het onderdeel ‘tonen van een wapen’

Verdachte heeft bekend de straatroof te hebben gepleegd, maar heeft ontkend een wapen of iets dat daarop lijkt, bij zich te hebben gehad. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn hand in zijn tasje ging om te doen alsof hij een wapen had, om zo [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te schrikken.

Volgens [slachtoffer 1] had verdachte wel een wapen. In de aangifte heeft [slachtoffer 1] niet alleen de gebeurtenissen van die dag tot in detail beschreven maar ook het wapen, de bewegingen die verdachte ermee heeft gemaakt, het detail dat [slachtoffer 1] op dat moment zag en het ‘klikgeluid’ dat [slachtoffer 1] hoorde op het moment van doorladen van het wapen. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze concrete en gedetailleerde verklaring van [slachtoffer 1] die bovendien zeer kort na het gebeuren is afgelegd. De rechtbank gaat aldus aan de verklaring van verdachte op dit punt voorbij.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte niet alleen met zijn hand in zijn tasje greep en een klikkend geluid liet horen om de indruk te wekken een wapen te hebben maar dat verdachte daadwerkelijk een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 6 november 2025 te Hengelo (O)tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een Iphone 16 en/of een MacBook Pro 2021 (Apple), in elk geval enig goed, dat/diegeheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachteen/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk omhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1]en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden ofgemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of anderedeelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit vanhet gestolene te verzekeren, door- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “Jongens, dit is nu vanons”, althans woorden van gelijke strekking, en/of- met zijn hand in zijn tasje te grijpen en/of een klikkend geluid te laten horen (endaarmee de indruk te wekken dat een wapen werd doorgeladen, althans dat hij eenwapen voorhanden had) en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland, met uitzondering van het contactverbod met [slachtoffer 2]

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd om het resterende onvoorwaardelijk strafdeel van de eis, te weten 75 dagen, om te zetten in een taakstraf van 150 uren en verzocht de voorlopige hechtenis bij einduitspraak op te heffen.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van het gepleegde feit

Verdachte heeft samen met een ander een straatroof gepleegd. Via Snapchat is contact gelegd met [slachtoffer 1] die vervolgens met [slachtoffer 2] naar een door de verdachten gekozen plek is gekomen voor – naar zij dachten – de verkoop van een Iphone en MacBook. Door zich voor te doen als oprechte kopers hebben de verdachten het vertrouwen van [slachtoffer 1] gewonnen en kregen zij de Iphone en Macbook in handen. Verdachte trok vervolgens iets uit zijn tasje dat op een vuurwapen leek om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op afstand te houden, waarna ze er met de spullen vandoor zijn gegaan. De verdachten zijn hierbij zeer berekend te werk gegaan en hebben er bewust voor gekozen om [slachtoffer 1] te beroven, omdat [slachtoffer 1] hen ‘een nette jongen’ en dus een gemakkelijk slachtoffer leek. Dat maakt dit feit des te kwalijker. De impact die de straatroof op het leven van [slachtoffer 1] heeft gehad heeft [slachtoffer 1] ter zitting op indringende wijze duidelijk gemaakt. Verdachte heeft hier op geen enkel moment bij stil gestaan en wilde slechts snel aan geld komen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Documentatie

De rechtbank heeft gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 20 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Reclasseringsadvies

Reclassering Nederland heeft op 15 april 2026 een advies opgemaakt.

De reclassering heeft niet de indruk dat sprake is van persoonlijkheidsproblematiek of van problematisch middelengebruik. De reclassering ziet naast beschermende factoren als familie en huisvesting ook risicofactoren zoals het ontbreken van een dagbesteding en financiële stabiliteit en een gebrek aan overzicht om tot oplossingen te komen. De reclassering adviseert gezien de proceshouding en de bereidwilligheid van verdachte om mee te werken aan reclasseringstoezicht en training, oplegging van een reclasseringstoezicht bij een flink voorwaardelijk strafdeel en een aanzienlijke proeftijd met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers, het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining en het hebben van een dagbesteding.

Verdere overwegingen

De ernst van het gepleegde feit rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als uitgangspunt van denken bij het bepalen van de op te leggen straf. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De rechtbank weegt in deze zaak in strafverzwarende zin mee dat de straatroof door twee personen is gepleegd en dat er is gedreigd met iets dat op een vuurwapen leek. Ook de omstandigheden dat de verdachten goed voorbereid waren en bewust voor dit - naar zij dachten gemakkelijke - slachtoffer hebben gekozen, weegt hierbij mee. Daar staat tegenover dat verdachte voor een groot deel verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij heeft gedaan.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Aan verdachte zal een gevangenisstraf van tien maanden worden opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte hulp krijgt bij het werken aan financiële stabiliteit, het maken van (andere) keuzes in zijn sociale netwerk en het vergroten van zijn probleemoplossend vermogen, zodat hij met begeleiding van de reclassering aan een blijvende gedragsverandering en een delict vrije toekomst kan werken. De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf, namelijk vier maanden, voorwaardelijk opleggen en hieraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden koppelen, met uitzondering van een contactverbod met [slachtoffer 2] . De rechtbank zal gelet op de straf die wordt opgelegd het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

7. De schade van de benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:

- iPhone 16 en MacBook Pro (Apple) € 1.600,00.

Ter zitting van 19 mei 2026 heeft de benadeelde aangevoerd dat het voorval een grote impact op zijn leven heeft gehad en heeft geleid tot een breuk met familieleden, het moeten stoppen met zijn eenmanszaak en schulden. De benadeelde heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 1.500,00, in tweede termijn aangepast naar

€ 1.000,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de gehele vordering, met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 en verzocht om uit te gaan van hoofdelijke aansprakelijkheid vanwege de betrokkenheid van de medeverdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de gevorderde materiële schade voor toewijzing vatbaar is en dat de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende toegelicht waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde en door de verdediging niet betwiste vergoeding van € 1.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 26 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres];

- binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of

heeft met de heer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 en de heer [naam], geboren op [geboortedatum 3] 2003;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van

€ 2.600,00 (zegge: tweeduizendzeshonderd euro) bestaande uit € 1.600,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] : van een bedrag van € 2.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2025, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.600,00 (zegge: tweeduizendzeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. D.K. ten Cate en

mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockotter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Buiten staat

Mr. Beker is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.A.M. Miltenburg
  • mr. D.K. ten Cate
  • mr. P.J. Beker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand