RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.025664.22 (P)
Datum vonnis: 4 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 september 2024, 17 april 2025, 13 november 2025, 23 april 2026 en 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. S. Arts, advocaat in Breda, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 23 april 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: op 9 december 2021 tezamen en in vereniging opzettelijk professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen (in een pand aan de [adres] ) en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;
feit 2: in de periode van 2 oktober 2021 tot en met 8 december 2021 tezamen en in vereniging opzettelijk aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis pyrotechnische artikelen voor theatergebruik (rookfakkels T1) ter beschikking heeft gesteld;
feit 3: op 9 december 2021 tezamen en in vereniging geschriften, zijnde de aanduidingen gevarenclassificatie op originele dozen vuurwerk, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst met het oogmerk die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
feit 4: op 29 september 2021 en 15 juni 2021 geschriften, zijnde meldingen over import van vuurwerk, valselijk heeft opgemaakt door (telkens) te vermelden dat het ging om vuurwerk met de categorie aanduiding F1.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 9 december 2021 te [plaats] in de gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,
opzettelijk, professioneel vuurwerk, en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestemd voor particulier gebruik, te weten
(producent Löhestar Fireworks), (Pag. 150 en aanvullend PVB [verbalisant] d.d. 28 januari 2023), en/of
204, althans één of meerdere stuks Batterij Enkelschotsbuizen (Flowerbed) (96240
Batterij), (Pag. 300), en/of
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen (in een pand aan de [adres] ) en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;
2
hij in of omstreeks de periode van 2 oktober 2021 tot en met 8 december 2021 in de gemeente(n) Hoogeveen en/of [plaats] , in elk geval in Nederland en/of in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk,
aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, te weten aan [betrokkene] ,
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten
- 144, althans één of meerdere stuks rookfakkels T1
- in elk geval één of meer stuks pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
ter beschikking heeft gesteld;
3
hij op of omstreeks 9 december 2021, in de gemeente [plaats] ,
in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, (telkens) (een) sticker(s) met een de gevarenclassificatie aanduiding op één of meerdere originele vuurwerk doos/-dozen,
- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -
valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s)
toen en daar (telkens) valselijk,
(een) sticker(s) met de aanduiding gevarenclassificatie 1.4G geplakt/aangebracht op (een) (originele) vuurwerkdoos/dozen, over de originele en/of reeds aangebrachte sticker(s) en/of geprinte en/of gestempelde aanduiding gevarenclassificatie 1.3G en/of 1.1G op die originele vuurwerkdoos/dozen, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
4
hij op of omstreeks 29 september 2021 en 15 juni 2021 in de gemeente [plaats] ,
in elk geval in Nederland, (telkens) één of meerdere meldingen vuurwerk import (in het registratiesysteem van Inspectie Leefomgeving en Transport),
- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -
valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar (telkens) valselijk
op of omstreeks 29 september 2021, (Pag. 34)
op of omstreeks 15 juni 2021, (Pag. 44)
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift)en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
3. De voorvragen
De geldigheid van de dagvaarding
De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard, omdat ten aanzien van feit 3 van de tenlastelegging onduidelijk is om welke dozen het gaat.
De officier van justitie is van mening dat de dagvaarding op dit punt voldoende duidelijk is in samenhang met het dossier.
De rechtbank is van oordeel dat de gewijzigde dagvaarding ten aanzien van feit 3 voldoende duidelijk is in samenhang met het dossier, waaruit kan worden afgeleid dat het om tenminste tien dozen gaat die zouden zijn omgestickerd van gevarenclassificatie 1.2G dan wel 1.3G naar 1.4G, en drie dozen die zouden zijn omgestickerd van gevarenclassificatie 1.1G naar 1.4G. De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaarding geldig is en verwerpt het verweer van de verdediging.
De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Nu de conclusies van de verdediging tot (primair) niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel (subsidiair) bewijsuitsluiting zijn gestoeld op (deels) dezelfde argumenten, zal de rechtbank deze verweren omwille van de leesbaarheid van dit vonnis gezamenlijk bespreken.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie (primair) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De mondelinge verklaringen van verdachte (hierna ook [verdachte] ) zijn onjuist weergegeven in de processen-verbaal van verbalisanten. Daarbij komt dat van het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 11 december 2021 slechts een niet ondertekend concept in het dossier is gevoegd. De originele aantekeningen van dit verhoor zijn ondanks de opdracht van de rechtbank niet door de officier van justitie aangeleverd. Verder is onvoldoende onderzoek verricht aan het vuurwerk; ten onrechte is volstaan met de standaardonderzoeksmethode van het COV en tegenonderzoek is niet meer mogelijk omdat deze goederen zijn vernietigd. Dit betreffen (onherstelbare) vormverzuimen. Gelet daarop dient (primair) het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans dienen (subsidiair) de betreffende stukken van het bewijs te worden uitgesloten. Meer subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om, indien zij toch voornemens is het niet ondertekende concept proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 11 december 2021 voor het bewijs te gebruiken, eerst nader onderzoek te gelasten naar de wijze waarop dat proces-verbaal (digitaal) tot stand is gekomen.
De rechtbank overweegt het volgende. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat verbalisanten in strijd met de waarheid hebben geverbaliseerd omtrent de verklaringen van [verdachte] . Dit geldt ook voor de verklaring van 11 december 2021. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van vormverzuimen geen sprake is en reeds daarom bestaat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM dan wel bewijsuitsluiting van de verklaringen van [verdachte] . Met de verwerping van dit verweer behoeft het in dit verband gedane voorwaardelijk verzoek van de verdediging geen beslissing.
Ten aanzien van het onderzoek van het vuurwerk door het COV is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake van vormverzuimen. De rechtbank stelt voorop dat professioneel vuurwerk in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, vuurwerk betreft dat is ingedeeld in categorie F4 of dat is ingedeeld in categorie F2 of F3 en dat niet bij of krachtens voornoemd besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Aangenomen kan worden dat vuurwerk van eenzelfde fabrikant dat onder een bepaalde merknaam en bepaalde typeaanduiding en in massaproductie vervaardigd is en op de markt wordt gebracht, in beginsel dezelfde samenstelling heeft. Zonder concrete aanwijzing voor het tegendeel is niet op voorhand vereist dat (destructief) onderzoek aan het vuurwerk door het NFI of een vergelijkbare instelling plaatsvindt.
Uit de processen-verbaal van het COV blijkt in dit geval dat de inbeslaggenomen partij vuurwerk door de materiedeskundige van het COV is onderzocht op uiterlijke kenmerken en op basis daarvan is ingedeeld in de categorieën. Ook is het vuurwerk gewogen en geteld.
De rechtbank ziet – behoudens hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de shells en de enkelshotsbuizen/mijnen (met elektra gloeipil en lont) – in zijn algemeenheid dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de vaststellingen van de materiedeskundige omtrent de hoeveelheid en de aard en indeling van het vuurwerk. De bevindingen worden ook bevestigd door het fotomateriaal in het dossier. De suggestie van de raadsman in dit verband en ten aanzien van al het aangetroffen vuurwerk, die (behoudens bovengenoemde uitzondering) geen basis vindt in de verklaringen van verdachte, is daartoe onvoldoende. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat meer specifiek onderzoek (door het NFI) aan het vuurwerk had moeten plaatsvinden waarbij had moeten worden onderzocht wat de pyrotechnische samenstelling is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande eveneens dat het vernietigen van het vuurwerk, waardoor nader (contra)onderzoek daaraan onmogelijk is, geen vormverzuim betreft noch strijd met artikel 6 EVRM oplevert. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.
Redenen schorsing van de vervolging
De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het binnen het grondgebied brengen van Nederland van professioneel vuurwerk en het ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk (feit 1). Ten aanzien van feit 2 is volgens de officier van justitie geen sprake van medeplegen; alleen [verdachte] heeft dit feit gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De onderneming, waarvan verdachte vennoot is, heeft als vergunninghouder op rechtmatige wijze en slechts in beperkte mate professioneel vuurwerk opgeslagen en/of voorhanden gehad (feit 1). De rookfakkels T1 zijn niet in Nederland aan [betrokkene] geleverd (feit 2). Ten aanzien van de feiten 3 en 4 is (telkens) niet voldaan aan het vereiste oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
[verdachte] is samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ) vennoot van [bedrijf 1] VOF (hierna [bedrijf 1] ).
[bedrijf 1] is gevestigd aan de [adres] in [plaats] . Deze onderneming gebruikte ten tijde van de ten laste gelegde periode ook de handelsnamen [bedrijf 4] en [bedrijf 5]. De onderneming houdt zich bezig met de in- en verkoop van evenementenvuurwerk (F3 en F4), de in- en verkoop van consumentenvuurwerk (F1 en F2) en het verzorgen van vuurwerkshows.
Aanleiding onderzoek
Op woensdag 8 december 2021 verklaarde [betrokkene] (hierna [betrokkene] ) dat hij professioneel vuurwerk (T1 rookfakkels) had gekocht bij [bedrijf 1] . Dit terwijl [bedrijf 1] alleen consumentenvuurwerk mag verkopen. Naar aanleiding van deze verklaring van [betrokkene] zijn twee medewerkers van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) op donderdag 9 december 2021 naar het pand aan de [adres] gegaan en hebben het bedrijfspand, de bufferbewaarplaats en de opslagbunker gecontroleerd. De medewerkers van de ILT troffen daar een aanzienlijke hoeveelheid vermoedelijk professioneel vuurwerk aan alsmede dozen vuurwerk waarvan werd vermoed dat deze waren voorzien van een onjuiste gevarenclassificatie. Daarop is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [bedrijf 1] en haar vennoten [verdachte] en [medeverdachte] .
Feit 1
Niet ter discussie staat dat [bedrijf 1] eigenaar was van het vuurwerk dat op 9 december 2021 in het bedrijfspand (waaronder de winkel, de bufferbewaarplaats en opslagbunker) lag opgeslagen. Het vuurwerk is in beslaggenomen en onderzocht door een materiedeskundige van het COV. Volgens het COV betreft al het vuurwerk dat in de tenlastelegging is gespecifieerd professioneel vuurwerk.
Volgens de verdediging zijn de 55 shells, 165 enkelshotsbuizen/mijnen (met elektra gloeipil en lont) en de batterij enkelschotsbuizen van lijst III (cakeboxen) niet aan te merken als professioneel vuurwerk.
Ter nadere inleiding het volgende. Ten aanzien van de onderzoeksmethode van het COV heeft de rechtbank hiervoor - in het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie - al overwogen dat de rechtbank in het algemeen geen reden heeft te twijfelen aan de bevindingen van de materiedeskundige van het COV, tenzij blijkt van aanknopingspunten voor het tegendeel. Volgens de verdediging zijn dergelijke aanknopingspunten voor het tegendeel aanwezig. De rechtbank zal hierna per categorie het betwiste vuurwerk bespreken.
Verweer shells
Volgens de verdediging zijn de ten laste gelegde 55 shells allemaal dummy’s en dus überhaupt geen vuurwerk, laat staan professioneel.
De rechtbank overweegt als volgt. [verdachte] heeft vanaf het begin, tijdens zijn verhoor op 11 december 2021, kenbaar gemaakt aan de ILT dat het uitsluitend dummy’s betrof. Ook [medeverdachte] heeft nadien, tijdens zijn verhoor op 28 februari 2022, tegenover de politie kenbaar gemaakt dat het slechts ging om dummy’s. De voorwerpen werden tijdens voornoemde controle aangetroffen in een doos in de gang nabij de keuken (buiten de opslagbunkers). Volgens de verbalisanten ter plekke kon niet worden uitgesloten dat er ook zogenaamde dummy’s bij aanwezig waren.De materiedeskundige van het COV heeft in zijn eerste rapport bevestigd dat hij enkele lege shells/dummy’s heeft aangetroffen in de partij.
Onder deze omstandigheden kon het COV naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met het onderzoek dat zij heeft verricht, te weten het voelen aan de lont en het knijpen in en het schudden met de voorwerpen. Het COV had nader (destructief) onderzoek moeten verrichten, hetgeen niet is gebeurd en ook niet meer kan gebeuren omdat deze voorwerpen zijn vernietigd. De rechtbank kan nu niet met voldoende zekerheid vaststellen dat (alle) 55 ten laste gelegde shells ‘echt’ waren en dus kunnen worden geclassificeerd als professioneel vuurwerk. De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Verweer enkelshotsbuizen/mijnen (met elektra gloeipil en lont)
Volgens de verdediging zijn de bevindingen van het COV onvoldoende om te concluderen dat het gaat om professioneel vuurwerk, omdat een NFI rapport waaruit volgt dat dit type vuurwerk daadwerkelijk bestaat en voldoet aan de criteria van professioneel vuurwerk ontbreekt.
De rechtbank constateert op basis van de foto’s die zich van deze voorwerpen in het dossier bevinden dat het gaat om zwarte buizen zonder opschrift. In een losse doos bevonden zich elektra lonten met gloeipillen eraan. De dozen waarin de buizen verpakt waren had als opdruk ‘Lonestar.’ In een aanvullend proces-verbaal van de materiedeskundige van het COV is verder nog benoemd dat de voorwerpen ook aangemerkt zouden kunnen worden als mijnen met een geheel andere uitwerking, dat het stabilisatie voetje ontbrak en dat de voorwerpen geen zichtbare lont hadden. Er bevindt zich in het dossier geen NFI rapport waaruit volgt dat dit soort voorwerpen ooit eerder zijn onderzocht en/of door welke fabrikant (zoals Lonestar) en onder welke merknaam en typeaanduiding dergelijke voorwerpen in massaproductie zijn vervaardigd en op de markt zijn gebracht. Hoewel het verweer van de verdediging op dit punt pas ter zitting is gevoerd en verdachte niet eerder hierover iets in die trant heeft verklaard, kan de rechtbank op basis van deze bijzondere omstandigheden niet met voldoende zekerheid vaststellen dat deze buizen zijn aan te merken als professioneel vuurwerk. De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Batterij enkelschotsbuizen lijst III (cakeboxen)
Volgens de verdediging zijn de in de in de tenlastelegging opgenomen batterij enkelschotsbuizen (ook wel cakeboxen genoemd) niet aan te merken als professioneel vuurwerk, omdat het dossier geen NFI rapportage bevat van dit soort voorwerpen. De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging nu niet is gesteld en/of gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de bevindingen van de materdeskundige van het COV. De toepaste standaard werkwijze van het COV rechtvaardigt dan ook de conclusie dat, net als bij het overige in de tenlastelegging opgenomen vuurwerk, sprake is van professioneel vuurwerk.
(On)rechtmatigheid van de opslag en het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk
Nu de rechtbank heeft vastgesteld welke voorwerpen in de tenlastelegging zijn aan te merken als professioneel vuurwerk, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de opslag en het voorhanden hebben dit vuurwerk.
Volgens de verdediging beschikte de onderneming over een toepassingsvergunning waardoor het was toegestaan om binnen de inrichting van de onderneming maximaal 10.000 kilo professioneel vuurwerk en/of consumentenvuurwerk op te slaan en/of voorhanden te hebben. Hieruit vloeit eveneens voort dat het vuurwerk legaal (vergund) mocht worden ingevoerd. Verdachte mocht er tenminste gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij het tenlastegelegde vuurwerk mocht opslaan, voorhanden hebben en invoeren. Volgens de verdediging dient dit één en ander te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM (nu de vervolging in strijd is met de beginselen van behoorlijke strafvordering), vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging (wegens afwezigheid van alle schuld).
Nu de hiervoor genoemde uiteenlopende conclusies van de verdediging zijn gestoeld op dezelfde argumentatie, zal de rechtbank dit verweer ter voorkoming van herhaling uitsluitend op deze plek in het vonnis bespreken.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hiertoe als volgt. Een toepassingsvergunning is verplicht voor alle bedrijven die vuurwerk afsteken. Het gaat zowel om consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk als pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Een dergelijke vergunning brengt niet zonder meer met zich dat men dergelijk vuurwerk ook mag invoeren, voorhanden hebben of opslaan. Afhankelijk van de hoeveelheid en het soort vuurwerk moet hiervoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij de gemeente en/of hiervan melding worden gemaakt bij de ILT. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat namens [bedrijf 1] enkel melding was gedaan voor het opslaan van maximaal 10.000 kilo consumentenvuurwerk aan de [adres] te [plaats] . De stelling van de verdediging correspondeert ook niet met de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] . [medeverdachte] heeft immers tegenover de ILT verklaard dat geen professioneel vuurwerk mocht worden opgeslagen op hun bedrijfslocatie. [verdachte] heeft ter terechtzitting van 5 september 2024 verklaard dat (professioneel) vuurwerk voor vuurwerkshows rechtstreeks vanuit Duitsland naar de evenementenlocatie in Nederland moet worden gebracht (en dus niet tussentijds mocht worden geslagen). Uit het door de verdediging gestelde kan dus evenmin worden afgeleid dat verdachte ervan uit mocht gaan dan wel gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de invoer, de opslag en het voorhanden hebben van het ten laste gelegde vuurwerk toegestaan was.
Het verweer van de verdediging dat met ingang van 1 oktober 2020 bepaald vuurwerk van lijst II ineens verboden werd en door [verdachte] en/of [medeverdachte] niet kon worden afgevoerd waardoor zij in een juridisch onmogelijke positie terechtkwamen, vindt geen steun in het recht en het dossier. De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer.
Opzet
Bij economische delicten is kleurloos opzet vereist. Het gaat erom dat verdachte opzet heeft gehad op de gedragingen (de opslag en het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk) en dat is – gelet op voornoemde feiten en omstandigheden – het geval.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit het dossier af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] gelet op het feit dat beiden als vennoot van [bedrijf 1] bij de dagelijks gang van zaken van de onderneming betrokken waren.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op
9 december 2021 tezamen en in vereniging opzettelijk professioneel vuurwerk heeft opgeslagen (in een pand aan de [adres] ) en/of voorhanden heeft gehad.
Gezien de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte op de ten laste gelegde datum professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en aan een ander ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van die onderdelen vrijspreken.
Feit 2
Op woensdag 8 december 2021 heeft de ILT een controle verricht in het bedrijfspand van voornoemde [betrokkene] . [betrokkene] is eigenaar van een vuurwerkbedrijf genaamd [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] . Verbalisanten troffen in het bedrijfspand op een toonbank enkele pakjes met T1 rookfakkels aan (rookgranaten van Nico Europe), welke zijn aan te merken als pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. [betrokkene] verklaarde desgevraagd tegenover de ILT dat hij deze T1 fakkels had gekocht bij [bedrijf 1] (totaal 24 pakjes x 6 stuks = 144 stuks). Tegenover de rechter-commissaris heeft [betrokkene] verklaard dat hij naast deze T1 fakkels ook F1 fakkels had gekocht, en dat hij alle artikelen in één keer had afgerekend in de winkel in [plaats] . Een deel van het vuurwerk had hij in Nederland gekregen en een deel in Duitsland.
In lijn met de verklaring van [betrokkene] heeft [medeverdachte] hierover verklaard dat hij aan [betrokkene] zowel F1 als T1 fakkels heeft verkocht en dat door [betrokkene] alles is betaald in de winkel in [plaats] . De (T1) rookfakkels zijn later in Duitsland door [medeverdachte] aan [betrokkene] overgedragen, op de plek waar het vuurwerk door [bedrijf 1] werd opgeslagen.
[verdachte] heeft hierover verklaard dat hij destijds T1 fakkels had besteld, dat hij hiervan melding heeft gedaan (zie verder feit 4) en dat hij dergelijke fakkels (in zijn algemeenheid) verkoopt in de winkel aan personen die er om vragen, terwijl hij weet dat dit soort pyrotechnische artikelen voor theatergebruik niet mag worden verkocht aan mensen zonder gespecialiseerde kennis.
De verdediging heeft betoogd dat de fakkels niet in Nederland ter beschikking zijn gesteld en dat daarom vrijspraak dient te volgen. Gelet op de wijziging van de tenlastelegging, waardoor tevens de pleegplaats Duitsland in de tenlastelegging is opgenomen, slaagt dit verweer niet.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot een bewezenverklaring. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat ook in dit verband sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Zoals onder feit al is benoemd, waren zij allebei als vennoot van [bedrijf 1] betrokken bij de algehele bedrijfsvoering, waaronder begrepen de verkoop van vuurwerk zoals deze fakkels. Meer concreet heeft [verdachte] in dit geval zorggedragen voor de inkoop en melding van de T1 fakkels aan de ILT en had hij (in algemene zin) weet van de (illegale) verkoop hiervan. [medeverdachte] heeft vervolgens de T1 fakkels feitelijk verkocht aan [betrokkene] in de winkel van [bedrijf 1] . Daarna heeft [medeverdachte] persoonlijk de fakkels aan [betrokkene] overhandigd vanuit de opslagplaats van [bedrijf 1] in Duitsland. Zodoende hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte] een substantiële bijdrage geleverd aan dit feit.
Tot slot merkt de rechtbank nog op dat hetgeen is bepaald in artikel 7 lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) aan een bewezenverklaring van dit feit niet in de weg staat. Immers is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid van dit feit.
Feit 3
Verbalisanten van de ILT troffen tijdens voornoemde controle op 9 december 2021 in de bufferbewaarplaats en de opslagbunker gelegen aan de [adres] in [plaats] meerdere dozen aan met vuurwerk, waarvan werd geconstateerd dat stickers van de gevarenclassificatie niet overeen kwamen met het type vuurwerk dat in de dozen zat.
Zo zagen zij op de ompakdozen stickers waaruit was af te leiden dat de goederen waren aangemerkt als F2 consumentenvuurwerk en ingedeeld onder categorie 1.4G, terwijl onder deze stickers zich andere stickers bevonden met categorie 1.2G en 1.3G. In de nabijheid van de keuken van het bedrijfspand (dus buiten de bufferbewaarplaats en opslagbunker) werden nog meer dozen aangetroffen met stickers van categorie 1.4G, terwijl onder deze stickers zich andere stickers bevonden met categorie 1.1G. Verbalisanten zagen dat op deze dozen de code “UN code 0333” was geprint. Het was verbalisanten ambtshalve bekend dat deze UN code overeenkomt met gevarenklasse 1.1G. Verbalisanten verwijderden de 1.4G sticker en zagen dat op deze dozen de gevarenklasse 1.1G was geprint. Er bevinden zich foto’s in het dossier waarop zichtbaar is dat een 1.4G sticker over een andere sticker is heen geplakt.
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, is door het COV vastgesteld dat het ging om professioneel vuurwerk hetgeen niet in overstemming is met de stickers met categorie 1.4G. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat stickers met categorie 1.4G, geplakt op deze dozen, zijn aan te merken als valse geschriften.
[medeverdachte] heeft over dit feit verklaard dat hij van niets wist. [verdachte] heeft hierover tegen de ILT verklaard dat hij hier wel vanaf wist en dat hij de dozen heeft omgestickerd (dan wel heeft laten omstickeren) om ‘de mensen van de omgevingsdienst te omzeilen’.
Volgens de verdediging is geen sprake geweest van het oogmerk die valse stickers als echt en onvervalst te gebruiken. Het ging slechts om ‘administratief omlabelen’. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit de verklaring van [verdachte] volgt bij uitstek dat hij de bedoeling had derden, in dit geval de Omgevingsdienst, een verkeerde voorstelling van zaken te geven.
Nu op grond van voornoemde feiten en omstandigheden niet is gebleken dat [medeverdachte] enige betrokkenheid bij of wetenschap van dit feit had, kan in dit verband evenmin sprake zijn van een (nauwe en bewuste) samenwerking tussen [verdachte] met [medeverdachte] . Van een samenwerking met een ander blijkt niet uit het dossier. De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.
Feit 4
Na het aantreffen van de T1 rookfakkels, zoals omschreven onder feit 2, is onderzocht of
deze pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in overeenstemming met de geldende regels waren aangemeld. Na raadpleging van het registratiesysteem van de ILT bleek dat zowel op 15 juni 2021 als op 29 september 2021 een onjuiste melding was gedaan. Beide meldingen hadden namelijk betrekking op fakkels met categorie aanduiding F1, terwijl het ging om fakkels met categorie aanduiding T1.
[verdachte] heeft verklaard dat hij deze meldingen heeft ingediend, maar volgens de raadsman ontbrak hierbij telkens het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. Zo zijn de fakkels waarop de melding op 15 juni 2021 betrekking had nooit geleverd, dus verdachte kon niet weten dat het om T1 fakkels ging. Daar komt bij dat de aantallen fakkels door een fout in het registratiesysteem van de IL&T niet juist konden worden gemeld. De fakkels waarop de melding op 29 september 2021 betrekking had zijn op 2 oktober 2021 geleverd en toen pas werd ontdekt dat ging om T1 fakkels in plaats van F1 fakkels.
De rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen dat [verdachte] (en dus evenmin [bedrijf 1] ) ten tijde van de meldingen heeft geweten dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om fakkels met categorie aanduiding T1 ging. Opzet is aldus niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom van vrij van dit ten laste gelegde feit.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op 9 december 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
- 204 stuks Batterij Enkelschotsbuizen (Flowerbed) (96240 Batterij) en
- 53,9 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Massive Thunder XXL) en
- 67 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Gigantic Thunder) en
- 25 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Super) en
- 46 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (China Boller D) en
- 7,60 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Dynamite) en
- 1,95 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Spanish Crackers) en
- 9,75 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Spanish Cracker Bandit 111) en
- 16,80 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Cracker Pack Extreme) en
- 7,70 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Bang Cracker Pack) en
- 7,60 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Black Widow Thunder) en
- 3,52 kg, althans een hoeveelheid Knalvuurwerk (Reaper), (Pag. 256) en
- 8 kg, althans een hoeveelheid Knalstreng (Mad Dog Fireworks 90 Shots Celebration Cracker) en
- 3,90 kg, althans een hoeveelheid Knalstreng (Celebration Cracker 2054) en
- 12,75 kg, althans een hoeveelheid Enkelschotsbuis/mijn (ABA Hyper Cannon 5) en
- 3,15 kg, althans een hoeveelheid Enkelschotsbuis/mijn (ABA Devil Screaming) en
- 6,15 kg, althans een hoeveelheid Enkelschotsbuis (Thunder King Bulk Pack) en
- 33 kg, althans een hoeveelheid Enkelschotsbuis (Double Dutch Caramba) en
- 18,90 kg, althans een hoeveelheid Enkelschotsbuis (Thunder King Mega Pack) en
-13 kg, althans een hoeveelheid Enkelschotsbuis (Flowerbed) (Flash Bang Battery) en
- 9 kg, althans een hoeveelheid Knalstreng (Burning Nero 500 shot) en
- 6,34 kg, althans een hoeveelheid Knalstreng (Celebration Cracker 5000) en
- 90 kg, althans een hoeveelheid Knalstreng (Mega Klapper), (Pag. 166) en
- 1 kg, althans een hoeveelheid Knalstreng (White Horse 5000 sh 7050) en
- 8,60 kg, althans een hoeveelheid Batterij Enkelschotsbuizen (Flowerbed) (Barrow Golpe) en
- 72 kg, althans een hoeveelheid Batterij Enkelschotsbuizen (Flowerbed) (Line of Fire) en
- 45,30 kg, althans een hoeveelheid Batterij Enkelschotsbuizen (Flowerbed) (TB49) en
- 100,10 kg, althans een hoeveelheid Batterij Enkelschotsbuizen (Flowerbed) (Maracolbo) en
- 61,05 kg, althans een hoeveelheid Batterij Enkelschotsbuizen (Flowerbed) (TB19, TB41, TB42. TB44) en
- 13 kg, althans een hoeveelheid Knalstreng (Burning shots 500),
heeft opgeslagen (in een pand aan de [adres] ) en/of voorhanden heeft gehad;
2
hij in de periode van 2 oktober 2021 tot en met 8 december 2021 in [plaats] (Nederland) en in Duitsland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, te weten aan [betrokkene] , pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten 144 stuks rookfakkels T1 ter beschikking heeft gesteld;
3
hij op of omstreeks 9 december 2021, in de gemeente [plaats] , (telkens) een sticker met de gevarenclassificatie aanduiding op originele vuurwerkdozen, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, immers heeft verdachte toen en daar telkens valselijk een sticker met de aanduiding gevarenclassificatie 1.4G geplakt op originele vuurwerkdozen over de originele en reeds aangebrachte stickers en/of geprinte en/of gestempelde aanduiding gevarenclassificatie 1.3G en/of 1.1G op die originele vuurwerkdozen, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De bewezenverklaarde feiten 1 en 2 zijn strafbaar gesteld in artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer gelezen in samenhang met artikel 1.2.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet economische delicten (hierna WED).
Het bewezenverklaarde feit 3 is strafbaar gesteld in artikel 225 Sr.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 en 2 (telkens)
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
feit 3
het misdrijf: valsheid in geschrift.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen met aftrek. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft de officier van justitie de openbaarmaking van deze rechterlijke uitspraak gevorderd op grond van artikel 7 onder g WED.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging volstaan dient te worden met een (voorwaardelijke) geldboete omdat het oude feiten betreft en van bijzondere gevaarzetting geen sprake is geweest. Daarnaast heeft verdachte reeds te maken gehad met ingrijpende bestuursrechtelijke maatregelen zoals tijdelijke sluiting van het bedrijfspand en intrekking van de vergunning. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak is niet passend.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich bedrijfsmatig bezig gehouden met vuurwerk, maar heeft zich daarbij samen met zijn medevennoot niet aan de regels gehouden. Zij hebben zich samen schuldig gemaakt aan de opslag en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk. Daarnaast zijn vanuit de onderneming pyrotechnische artikelen voor theatergebruik verkocht aan een persoon zonder gespecialiseerde kennis. Ook heeft verdachte de originele gevarenclassificaties van vuurwerkdozen vervalst door er een andere sticker, met een lagere gevarenclassificatie, overheen te plakken.
Ongecontroleerd bezit van zwaar vuurwerk is levensgevaarlijk. Dat geldt zeker voor professioneel vuurwerk, dat een substantieel zwaardere of explosievere lading bevat dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten verkocht mag worden. Het afsteken van professioneel vuurwerk door particulieren brengt grote risico’s mee; niet alleen voor degene die het afsteekt, maar ook voor de omstanders. Ernstige gehoorbeschadiging, zwaar lichamelijk letsel of zelfs overlijden kan daarvan het gevolg zijn. Het vuurwerk kan massa-explosief reageren. Dit betekent dat indien één exemplaar in een partij, waarin de artikelen dicht bij elkaar liggen, tot ontbranding komt en explodeert, de kans bestaat dat de hele partij sympathisch mee-explodeert. Hoewel in dit geval het overgrote deel van het professioneel vuurwerk lag opgeslagen in bufferbewaarplaats en de opslagbunker van de onderneming, lag er ook professioneel vuurwerk daar buiten. Daarnaast is het de vraag in hoeverre de bufferbewaarplaats en de opslagbunker geschikt waren voor de opslag van de aangetroffen hoeveelheid illegaal vuurwerk, omdat de onderneming alleen een vergunning had voor de opslag van consumentenvuurwerk tot maximaal 10.000 kg. Dit alles neemt de rechtbank verdachte erg kwalijk. Te meer nu hij als bedrijfsmatig handelend persoon, zich bewust moet zijn geweest van de risico’s en van hem mocht worden verlangd dat hij zich aan de wettelijke voorschriften hield. Het als handelaar zich inlaten met de verkoop van professioneel vuurwerk aan personen zonder voldoende kennis, is bovendien schadelijk voor het imago van de gehele branche.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 24 september 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank stelt vast dat er geen LOVS-oriëntatiepunten zijn voor vuurwerkzaken. Ook is geen eenduidige lijn te destilleren uit de jurisprudentie tot nu toe waarbij de strafmaat direct gekoppeld zou kunnen worden aan de hoeveelheid vuurwerk. De OM-richtlijn voor strafvordering vuurwerkdelicten neemt voor deze hoeveelheid vuurwerk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt.
De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij als gevolg van het strafrechtelijk onderzoek geconfronteerd is met nadelige (bestuursrechtelijke) gevolgen zoals intrekking van de verkoopvergunning van de onderneming. Er is tegen dit besluit beroep ingesteld, maar deze procedure is nog niet afgerond. Verdachte kan als gevolg van onderhavige strafrechtelijke veroordeling vermoedelijk geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) verkrijgen en is zodoende niet in staat zich opnieuw te laten certificeren in Nederland.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Verdachte is op 10 december 2021 in verzekering gesteld. Op die dag is de redelijke termijn aangevangen. De (eerste) inhoudelijke behandeling heeft op 5 september 2024 plaatsgevonden waarna de zaak is aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen stukken van het verhoor van verdachte in het dossier te laten voegen. Deze omstandigheid komt niet voor rekening van de verdediging. Op 17 april 2025 is de zaak aangehouden op verzoek van de verdediging, omdat verdachte van advocaat was gewisseld. Op 13 november 2025 is de zaak wederom op verzoek van de verdediging aangehouden in verband met een operatie van verdachte. Deze omstandigheden komen wel voor rekening van de verdediging. Op 23 april 2026 is de inhoudelijke behandeling voortgezet. Op 4 juni 2026 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten waarna aansluitend uitspraak is gedaan. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren had verdachte op 10 december 2023 uitspraak mogen verwachten. Zonder het voor rekening van de verdediging komende uitstel had de inhoudelijke behandeling op 17 april 2025 kunnen worden afgerond waarna eind april uitspraak gedaan had kunnen worden. Gelet hierop is de redelijke termijn met één jaar en circa vijf maanden overschreden.
Met name vanwege het forse tijdsverloop acht de rechtbank de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet (meer) passend. De rechtbank acht het passend en geboden aan verdachte een taakstraf op te leggen van 240 uren in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van een jaar. De rechtbank heeft bij bepaling van deze strafmaat rekening gehouden met wat zij in de zaak van de medeverdachte bewezen heeft verklaard en welke straf zij daarvoor heeft opgelegd.
De officier van justitie heeft gevorderd tot openbaarmaking van deze rechterlijke uitspraak, maar de rechtbank acht een dergelijke bijkomende straf in het licht van deze zaak, alsook vanwege de omstandigheid dat verdachte zich niet langer bedrijfsmatig bezig houdt met vuurwerk, niet opportuun.
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft gevorderd dat al het in beslag genomen vuurwerk aan het verkeer moet worden onttrokken.
De raadsman heeft betoogd dat het toegestane vuurwerk ingedeeld in categorie F2 (met een waarde van € 6.679,16 exclusief 21% btw) aan verdachte moet worden teruggegeven.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat vele soorten vuurwerk (F1, F2, F3 en F4) in beslag zijn genomen met een gewicht van totaal circa 1.700 kg. De rechtbank zal op grond van artikel 36d Sr al het in beslag genomen vuurwerk onttrekken aan het verkeer, omdat dit van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Immers, de verkoopvergunning van de onderneming is ingetrokken wat in het geval van teruggave van (ook) het (consumenten)vuurwerk kan resulteren in het illegaal voorhanden hebben daarvan.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld te verzoeken tot toekenning van een vergoeding of tegemoetkoming overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan ingevolge artikel 36b lid 2 Sr juncto artikel 33c lid 2 Sr ook in geval van onttrekking een vergoeding of tegemoetkoming toekennen om te voorkomen dat een belanghebbende onevenredig wordt getroffen. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dermate verwijtbaar heeft gehandeld dat de schade voor rekening en risico van de verdachte moet blijven. Deze verliespost moet worden gezien als een bedrijfsrisico dat had kunnen worden ondervangen door te handelen binnen de reikwijdte van de wet- en regelgeving en de bedrijfsvergunning. De rechtbank zal om die reden geen vergoeding of tegemoetkoming toekennen.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36d, 47 en 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1 en 2 (telkens)
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
feit 3
het misdrijf: valsheid in geschrift;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 1 (een) jaar de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart onttrokken aan het verkeer al het in beslag genomen vuurwerk (circa 1.700 kg verspreid over 137 dozen) opgenomen onder nummer 4 van de beslaglijst.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, en mr. M.B. Werkhoven en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Buiten staat
Mr. M.B. Werkhoven is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.