RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.288796.24 (P)
Datum vonnis: 4 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte bedrijf] V.O.F.,
gevestigd aan de [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 september 2024, 17 april 2025, 13 november 2025, 23 april 2026 en 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat namens verdachte door haar (wettelijk) vertegenwoordiger [medeverdachte 1] en haar raadsman mr. S. Arts, advocaat in Breda, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 29 september 2021 en 15 juni 2021 geschriften valselijk heeft opgemaakt door (telkens) te vermelden dat het ging om vuurwerk met de categorie aanduiding F1.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij (toen handelend onder de handelsna(a)m(en) [bedrijf 1] en/of
[bedrijf 2] ) op of omstreeks 29 september 2021 en 15 juni 2021 in de
gemeente Rijssen-Holten,in elk geval in Nederland,
(telkens) één of meerdere meldingen vuurwerk import (in het registratiesysteem
van Inspectie Leefomgeving en Transport),
- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –
valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar (telkens)
valselijk
op of omstreeks 29 september 2021, (Pag. 34)
- op/in de melding met artikel Nr. 07844, type fakkel, aantal 720, de
categorie aanduiding soort F1, vermeld en/of
- op/in de melding met artikel Nr. 07841, type fakkel, aantal 720, de
categorie aanduiding soort F1, vermeld en/of
op of omstreeks 15 juni 2021, (Pag. 44)
- op/in de melding met artikel Nr. 07841, type fakkel, de categorie
aanduiding soort F1, vermeld en/of
- op/in de melding met artikel Nr. 07845, type fakkel, de categorie
aanduiding soort F1, vermeld,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
3. De voorvragen
De geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.
De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Nu de conclusies van de verdediging tot (primair) niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel (subsidiair) bewijsuitsluiting zijn gestoeld op (deels) dezelfde argumenten, zal de rechtbank deze verweren omwille van de leesbaarheid van dit vonnis gezamenlijk bespreken.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie (primair) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De mondelinge verklaringen van verdachte (hierna ook [medeverdachte 1] ) zijn onjuist weergegeven in de processen-verbaal van verbalisanten. Daarbij komt dat van het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 11 december 2021 slechts een niet ondertekend concept in het dossier is gevoegd. De originele aantekeningen van dit verhoor zijn ondanks de opdracht van de rechtbank niet door de officier van justitie aangeleverd. Verder is onvoldoende onderzoek verricht aan het vuurwerk; ten onrechte is volstaan met de standaardonderzoeksmethode van het COV en tegenonderzoek is niet meer mogelijk omdat deze goederen zijn vernietigd. Dit betreffen (onherstelbare) vormverzuimen. Gelet daarop dient (primair) het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans dienen (subsidiair) de betreffende stukken van het bewijs te worden uitgesloten. Meer subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om, indien zij toch voornemens is het niet ondertekende concept proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 11 december 2021 voor het bewijs te gebruiken, eerst nader onderzoek te gelasten naar de wijze waarop dat proces-verbaal (digitaal) tot stand is gekomen.
De rechtbank overweegt het volgende. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat verbalisanten in strijd met de waarheid hebben geverbaliseerd omtrent de verklaringen van [medeverdachte 1] . Dit geldt ook voor de verklaring van 11 december 2021. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van vormverzuimen geen sprake is en reeds daarom bestaat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM dan wel bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] . Met de verwerping van dit verweer behoeft het in dit verband gedane voorwaardelijk verzoek van de verdediging geen beslissing.
Ten aanzien van het onderzoek van het vuurwerk door het COV is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake van vormverzuimen. De rechtbank stelt voorop dat professioneel vuurwerk in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, vuurwerk betreft dat is ingedeeld in categorie F4 of dat is ingedeeld in categorie F2 of F3 en dat niet bij of krachtens voornoemd besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Aangenomen kan worden dat vuurwerk van eenzelfde fabrikant dat onder een bepaalde merknaam en bepaalde typeaanduiding en in massaproductie vervaardigd is en op de markt wordt gebracht, in beginsel dezelfde samenstelling heeft. Zonder concrete aanwijzing voor het tegendeel is niet op voorhand vereist dat (destructief) onderzoek aan het vuurwerk door het NFI of een vergelijkbare instelling plaatsvindt.
Uit de processen-verbaal van het COV blijkt in dit geval dat de inbeslaggenomen partij vuurwerk door de materiedeskundige van het COV is onderzocht op uiterlijke kenmerken en op basis daarvan is ingedeeld in de categorieën. Ook is het vuurwerk gewogen en geteld.
De rechtbank ziet – behoudens hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de shells en de enkelshotsbuizen/mijnen (met elektra gloeipil en lont) – in zijn algemeenheid dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de vaststellingen van de materiedeskundige omtrent de hoeveelheid en de aard en indeling van het vuurwerk. De bevindingen worden ook bevestigd door het fotomateriaal in het dossier. De suggestie van de raadsman in dit verband en ten aanzien van al het aangetroffen vuurwerk, die (behoudens bovengenoemde uitzondering) geen basis vindt in de verklaringen van verdachte, is daartoe onvoldoende. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat meer specifiek onderzoek (door het NFI) aan het vuurwerk had moeten plaatsvinden waarbij had moeten worden onderzocht wat de pyrotechnische samenstelling is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande eveneens dat het vernietigen van het vuurwerk, waardoor nader (contra)onderzoek daaraan onmogelijk is, geen vormverzuim betreft noch strijd met artikel 6 EVRM oplevert. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.
Redenen schorsing van de vervolging
De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Er is (telkens) niet voldaan aan het vereiste oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn beiden vennoten van [verdachte bedrijf] VOF (hierna [verdachte bedrijf] ). [verdachte bedrijf] is gevestigd aan de [adres] . Deze onderneming gebruikte ten tijde van de ten laste gelegde periodes ook de handelsnamen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De onderneming houdt zich bezig met de in- en verkoop van evenementenvuurwerk (F3 en F4), de in- en verkoop van consumentenvuurwerk (F1 en F2) en het verzorgen van vuurwerkshows.
Aanleiding onderzoek
Op woensdag 8 december 2021 heeft een persoon, te weten [naam] (hierna [naam] ), verklaard dat hij professioneel vuurwerk (T1 rookfakkels) had gekocht bij [verdachte bedrijf] . Dit, terwijl [verdachte bedrijf] alleen consumentenvuurwerk mag verkopen. Naar aanleiding van deze verklaring van [naam] zijn twee medewerkers van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) op donderdag 9 december 2021 naar het pand aan de [adres] gegaan en hebben het bedrijfspand, de bufferbewaarplaats en de opslagbunker gecontroleerd. De medewerkers van de ILT troffen daar een aanzienlijke hoeveelheid vermoedelijk professioneel vuurwerk aan alsmede dozen vuurwerk waarvan werd vermoed dat deze waren voorzien van een onjuiste gevarenclassificatie. Daarop is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [verdachte bedrijf] en haar vennoten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Na het aantreffen van de T1 rookfakkels, zoals omschreven onder feit 2, is onderzocht of
deze pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in overeenstemming met de geldende regels waren aangemeld. Na raadpleging van het registratiesysteem van de ILT bleek dat zowel op 15 juni 2021 als op 29 september 2021 een onjuiste melding was gedaan. Beide meldingen hadden namelijk betrekking op fakkels met categorie aanduiding F1, terwijl het ging om fakkels met categorie aanduiding T1.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze meldingen heeft ingediend, maar volgens de raadsman ontbrak hierbij telkens het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. Zo zijn de fakkels waarop de melding op 15 juni 2021 betrekking had nooit geleverd, dus verdachte kon niet weten dat het om T1 fakkels ging. Daar komt bij dat de aantallen fakkels door een fout in het registratiesysteem van de IL&T niet juist konden worden gemeld. De fakkels waarop de melding op 29 september 2021 betrekking had zijn op 2 oktober 2021 geleverd en toen pas werd ontdekt dat ging om T1 fakkels in plaats van F1 fakkels.
De rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen dat [medeverdachte 1] , en dus evenmin [verdachte bedrijf] , ten tijde van de meldingen heeft geweten dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om fakkels met categorie aanduiding T1 ging. Opzet is aldus niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom van vrij van dit ten laste gelegde feit.
4. De beslissing
De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, en mr. M.B. Werkhoven en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Buiten staat
Mr. M.B. Werkhoven is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.