RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.146142.25 (P)
Datum vonnis: 26 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] (hierna: aangeefster) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens aangeefster, als benadeelde partij door mr. J. Bouwhuis, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 12 januari 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte aangeefster primair, al dan niet met opzet, heeft verkracht, en subsidiair haar, al dan niet met opzet, heeft aangerand.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij in of omstreeks de nacht van 8 juli 2024 op 9 juli 2024 te [plaats], met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina, de vulva en/of de schaamstreek van die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de nacht van 8 juli 2024 op 9 juli 2024 te [plaats], met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het brengen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina, de vulva en/of de schaamstreek van die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde opzetverkrachting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde nu er bij verdachte geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm. Er waren voor verdachte geen signalen dat aangeefster afwijzend was tegenover de seksuele handelingen.
Het oordeel van de rechtbank
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte en aangeefster kennen elkaar sinds januari 2024 via de woonbegeleiding van een zorginstelling in [plaats], waar zij beiden wonen. Zij hadden regelmatig contact met elkaar en waren bevriend. Ook hadden zij seksueel contact met elkaar. Verdachte was verliefd op aangeefster, maar zij gaf na een eerder seksueel contact en voor het ten laste gelegde feit te kennen dat zij toch verder wilde met haar ex-vriend. Op 25 juni 2024 liet aangeefster aan verdachte weten dat ze alleen vriendschappelijk contact wil en schrijft ze dat ze hoopt dat verdachte haar grens begrijpt. Op 7 juli 2024 reageerde aangeefster op een bericht van verdachte, waarin hij sorry zei voor het over haar heen hangen om [naam 1] (de kat) te aaien, dat het oké was als hij alleen [naam 1] aaide en verder zijn handen thuishield. Op 8 juli 2024 is verdachte op bezoek geweest bij aangeefster in haar woning en heeft hij haar gevingerd terwijl zij op de bank lag.
Aangeefster heeft op 30 juli 2024 aangifte gedaan van verkrachting. Zij verklaarde dat zij op 8 juli 2024 thuis op de bank lag en verdachte naast haar zat. Verdachte streelde over haar rug en zij verklaart daarover dat ze vanaf dat moment dacht: ‘Toedeledokie, laat maar zitten.’ Verdachte streelde eerst over haar been en uiteindelijk ook tussen haar benen. Vervolgens heeft hij haar onderbroek aan de kant geschoven en zijn vinger in haar vagina gedrukt. Aangeefster heeft verklaard volledig in zichzelf te zijn gekeerd en in paniek te zijn geraakt. Zij heeft gedurende de handelingen stilgelegen en niks gezegd. De volgende dag heeft aangeefster aan haar persoonlijk begeleider [naam 2] laten weten dat verdachte over haar grenzen was gegaan. [naam 2] zag dat aangeefster in elkaar gedoken op de bank zat en gespannen was.
Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster op 8 juli 2024 bij haar thuis heeft gestreeld en gevingerd. Verdachte verklaarde dat aangeefster tegen hem aan is gaan liggen op de bank, hij een arm om haar heen heeft geslagen en hij vervolgens voornoemde seksuele handelingen heeft verricht. Verdachte verklaarde dat aangeefster tijdens deze handelingen als een zombie naast hem lag. Volgens hem was achteraf bezien het stil liggen en niks zeggen een signaal dat aangeefster het niet wilde, maar dat heeft hij haar destijds niet gevraagd. Hij dacht gelet op hoe dicht aangeefster tegen hem aan kwam liggen en het eerdere seksuele contact dat er was geweest, dat zij dit ook wilde en dat het weer zo’n avond zou worden als een paar dagen daarvoor. Toen verdachte merkte dat het seksuele contact, in tegenstelling tot de keer ervoor, niet wederzijds was, is hij gestopt en heeft hij de woning verlaten.
De overwegingen van de rechtbank
Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ingrijpend is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als opzetverkrachting, gekwalificeerde opzetverkrachting of schuldverkrachting.
Opzetverkrachting (artikel 242 Sr)
Bij opzetverkrachting is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het strafrechtelijk verwijt is hier dat degene die het seksuele contact initieert de wetenschap heeft dat de wil tot die handelingen ontbreekt bij de ander. Daarvan is niet alleen sprake als diegene daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt (vol opzet), maar ook als diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toe neemt (voorwaardelijk opzet).
Schuldverkrachting (artikel 243 Sr)
Bij schuldverkrachting ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen (waaronder seksueel binnendringen) worden verricht, terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij schuldverkrachting is het strafrechtelijke verwijt tegen de dader dat diegene zeer onachtzaam heeft gehandeld door onvoldoende alert te zijn geweest op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en op dit punt een verkeerde inschatting heeft gemaakt. Bij aanwezigheid van contra-indicaties voor een vrije, positieve wilsuiting moet worden afgezien van seksueel contact of moet op zijn minst nader onderzoek worden gedaan naar de positie van de ander voordat het seksuele contact wordt doorgezet. Laat iemand dit na, dan is diegene strafbaar wegens schuldverkrachting.
Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van de ontbrekende wil bij de ander zijn de aanwezigheid van duidelijke indicaties voor een mogelijke afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting bij de ander.
In deze zaak staat niet ter discussie dat verdachte zijn vinger in de vagina dan wel tussen de schaamlippen van aangeefster heeft gebracht en er daarmee sprake is geweest van seksueel binnendringen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de wil bij aangeefster ten aanzien van die handelingen ontbrak.
Op grond van de feiten en omstandigheden, waaronder de verklaringen van aangeefster en verdachte, stelt de rechtbank vast dat bij verdachte geen sprake is geweest van vol opzet om de seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster te verrichten. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Weliswaar heeft aangeefster – nadat zij dicht bij verdachte is gaan liggen en hij een arm om haar heen heeft geslagen - een non-responsieve houding aangenomen op het moment dat verdachte haar ging strelen en haar vagina binnendrong met zijn vinger, maar hieruit heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen ontbrekende wil moeten afleiden die hij vervolgens bewust heeft genegeerd of voor lief heeft genomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de wil bij aangeefster ontbrak. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het een avond werd zoals kort daarvoor en dat hij gestopt is met de seksuele handelingen omdat aangeefster niet reageerde op zijn handelingen.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de passieve houding van aangeefster een duidelijk waarneembaar signaal voor verdachte had moeten zijn dat de mogelijkheid bestond dat de wil bij aangeefster ontbrak. Of ook aangeefster de wil tot het seksueel contact had, had verdachte daarom moeten verifiëren. Verdachte heeft ook verklaard dat het seksueel contact anders was als die keer daarvoor omdat aangeefster toen wel reageerde op de seksuele handelingen. Naast deze passieve houding van aangeefster had verdachte door het op 6 juli 2024 door haar gestuurde appbericht dat hij zijn handen thuis moest houden, als initiator van de seksuele handelingen op zijn hoede moeten zijn voor signalen dat de wil bij aangeefster ontbrak. Verdachte heeft nagelaten te verifiëren of de seksuele handelingen (wederom) op vrijwillige basis plaatsvonden. Dat aangeefster niet heeft aangegeven dat verdachte naar huis moest gaan, doet daar niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op het voorgaande, wel ernstige reden had om te vermoeden dat wil bij aangeefster ontbrak.
Gelet op het voorgaande spreekt de rechtbank vrij van de primair ten laste gelegde opzetverkrachting en acht de rechtbank de primair alternatief ten laste gelegde schuldverkrachting wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de nacht van 8 juli 2024 op 9 juli 2024 te [plaats], met een persoon, te weten [slachtoffer], seksuele handelingen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn vingers in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina, de vulva en de schaamstreek van die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 243 van Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
Primair alternatief
het misdrijf: schuldverkrachting.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 364 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen (on)voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen nu de ernst van de gedraging en de persoon van verdachte dit niet rechtvaardigen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de taakstraf voor een deel van 120 uren voorwaardelijk op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft op 8 juli 2024 aangeefster in haar eigen woning tegen haar wil gevingerd Aangeefster is een kwetsbare vrouw en dat wist verdachte, omdat zij binnen dezelfde zorginstelling wonen. Daar komt bij dat haar woning bij uitstek een plek moest zijn waar aangeefster zich veilig kon voelen. Verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Uit de slachtofferverklaring die namens aangeefster ter terechtzitting is voorgedragen, blijkt dat het handelen van verdachte een grote impact op haar welzijn heeft gehad en haar belemmert in het vrij bewegen en deelnemen aan activiteiten binnen de wooninstelling. Verdachte was als een vriend voor haar en heeft door zijn handelen haar vertrouwen beschadigd.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van 16 december 2025, opgemaakt door [naam 3], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf zijn vierde levensjaar in wooninstellingen verblijft en bekend is met ADHD. Momenteel woont hij begeleid bij Wagterveld Zorg waar hij hulp krijgt bij het nakomen van afspraken, zijn administratie en het huishouden. Het psychosociaal functioneren van verdachte kan van invloed zijn geweest op het bewezen verklaarde. Dit ziet volgens de reclassering met name op het niet goed kunnen aanvoelen van grenzen. Verdachte heeft er spijt van dat hij de grenzen van aangeefster heeft overschreden, maar was zich daar op dat moment niet van bewust. De reclassering acht het risico op recidive laag tot gemiddeld. De reclassering adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is, mede gelet op de huidige stabiele leefsituatie en begeleiding van verdachte, onwenselijk. Volgens de reclassering kan een voorwaardelijke gevangenisstraf fungeren als een stok achter de deur om herhaling te voorkomen.
De op te leggen straf of maatregel
De rechtbank gaat bij het opleggen van een straf uit van soortgelijke rechtspraak, nu een oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Strafrechters nog ontbreekt. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zelf ook een kwetsbaar persoon is en zijn psychosociaal functioneren mogelijk een rol heeft gespeeld bij hetgeen is voorgevallen. Nu de rechtbank uit gaat van schuldverkrachting zal zij een lagere straf opleggen dan is geëist. De rechtbank acht, in lijn met het advies van de reclassering, van belang dat verdachte een stok achter de deur heeft in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van het feit de maximale taakstraf op zijn plaats is.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis wanneer verdachte deze niet of niet naar behoren verricht.
7. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 13.491,06 (dertienduizend vierhonderdeenennegentig euro en zes cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- kleding € 267,83;
- bank € 1.223,23.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 12.000,00 gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer] in zijn geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu deze onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het materiële deel niet-ontvankelijk te verklaren nu het causale verband tussen het feit en de schade onvoldoende is komen vast te staan, het immateriële deel te matigen naar € 500,00 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
De materiële schade
De opgevoerde schadepost met betrekking tot de weggegooide kleding is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 267,83, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De schade ten aanzien van de gestelde weggegooide bank is onvoldoende onderbouwd. Door de benadeelde partij is de aankoop bon van deze bank overgelegd. Niet is gebleken dat de benadeelde partij een andere bank heeft gekocht en zij om die reden kosten heeft gemaakt. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering van € 1.223,23 niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval heeft de benadeelde partij geestelijk letsel opgelopen ten gevolge van het delict. Dit is onderbouwd met onder andere een brief van de psychiater en een behandelaar van Wagterveld Zorg.
De rechtbank zal gebruik maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade naar billijkheid vast te stellen, waarbij zij rekening houdt met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De rechtbank stelt de schade vast op € 5.000,00. De rechtbank zal de vordering voor dat deel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige deel, te weten € 7.000,00 niet-ontvankelijk verklaren.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 51 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b en 14c Sr.
9. De beslissing
1. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 30 juli 2024, pagina 9, 14-18, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 16 april 2025, pagina 51, 53-54, 58, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
3. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] van 3 december 2024, pagina 24, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
5. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek iPhone 14 van aangeefster van 9 december 2025, pagina 79, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair alternatief ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Primair alternatief:
het misdrijf: schuldverkrachting.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 179 (honderdnegenenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 5.267,83 (vijfduizend tweehonderdzevenenzestig euro en drieëntachtig cent);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 5.267,83 (bestaande uit materiële schade en immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.267,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 51 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel, bestaande uit materiële schade van € 1.223,23 en immateriële schade van € 7.000,- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Koninklijke Marechaussee Bureau Zeden met nummer 20250121.1505.0979. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Adres: [adres] [plaats]. Op maandag 8 juli 2024. Ik lag op de bank. Op een gegeven moment heeft hij volgens mij wel gevraagd: "Zal ik gaan". Ik zei: "Goh, maakt niet uit" of iets in die richting. Hij zit in eerste instantie ook op de hoekbank, maar dan op het andere gedeelte, met zijn hoofd vlak bij mijn hoofd. Volgens mij ging hij eerst over mijn rug heen. Vanaf dat moment dacht mijn hoofd: 'Toedeledokie, laat maar zitten". Ik heb uiteindelijk tegen hem gezegd dat ik sliep. Ik heb het gewoon over me heen laten komen. Toen op een gegeven moment over mijn been. Uiteindelijk ook ertussen. Ik weet dat hij op een gegeven moment mijn onderbroek aan de kant heeft gedaan zodat hij met zijn hand naar binnen kon. Ik voelde dat hij heen en weer ging. Op een gegeven moment had hij ook zijn vinger naar binnen gedrukt. Ik heb helemaal niets gezegd. Ik keerde gewoon helemaal in mezelf. Er kwam geen reactie van mijn kant. Ik heb zolang stilgelegen.
Na de voetbal toen heb ik haar gevraagd, zal ik naar huis toe gaan? Toen zei ze: nee, kijk maar wat je doet. En toen dacht ik: nou dan ga ik wel effetjes op de bank zitten. En toen ging zij naast mij liggen. Maar dat gaf mij een gevoel van als ze weer, dat het weer zo’n avond zou worden als een paar dagen geleden. Ik heb een arm om haar heen geslagen en toen ben ik haar gaan strelen uiteindelijk ben ik haar gaan vingeren. [slachtoffer] deed niks, liggen, heeft helemaal niks gezegd, niks aangegeven. Zij lag gewoon als een zombie daar naast mij. De keer daarvoor dat ik haar vingerde was anders, toen zat ze ook echt tegen mij aan en zaten we te zoenen.
[slachtoffer] kwam dicht tegen mij aan liggen. Dat gaf mij het gevoel dat het oké was. De voorzitter vraagt mij of het feit dat [slachtoffer] stillag en niks deed geen signaal gaf dat zij het niet wilde. Uiteindelijk gaf mij dat het signaal zeker ja. Ik was al een tijdje aan het vingeren maar ik kreeg geen reactie. Ik heb er toen niet aan gedacht om te vragen of [slachtoffer] het wilde. Ik had het moeten vragen maar dat heb ik niet gedaan. Ik merkte dat er niks uit [slachtoffer] kwam, het was niet wederzijds. Toen ben ik ermee gestopt en weggegaan.
Ik was die dinsdag, 9 juli 2024 bij haar. Ze heeft haar telefoon voor mij geopend en ik las dat [verdachte] over haar grenzen was gegaan. Ik zag aan haar lichaamshouding de spanning. Ze zat in elkaar gedoken op de bank.
Op 25-6-2024 stuurt [slachtoffer] een bericht naar [verdachte] waarin ze zegt dat hij niks verkeerds
heeft gedaan maar dat zij alleen vriendschappelijk contact wil.
[verdachte] reageert door te schrijven dat hij het begrijpt en bedankt [slachtoffer] dat hij zich even
weer verliefd mocht voelen.
Op 6-7-2024. [slachtoffer] reageert door te laten weten dat het oké is, als hij zijn handen thuishoudt en alleen [naam 1] aait.