[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en
het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen, het college
(gemachtigde: M. de Weerd).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) bij besluit van 27 november 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Het college heeft de PW- aanvraag met het besluit van 27 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiƫle nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.3. Verzoeker voert hierover aan dat hij in evident financiƫle nood verkeert. Hij heeft geen enkel inkomen. Hij woont bij zijn moeder en zij heeft vanaf 2025 in zijn onderhoud voorzien. Zij heeft thans echter geen spaargeld meer en kan hem daarom niet langer in zijn onderhoud voorzien.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van spoed. Daarbij wordt betrokken dat verzoeker bij zijn moeder verblijft en dat niet op enigerlei wijze is onderbouwd dat dit niet langer mogelijk zou zijn. De voorzieningenrechter heeft dit wel specifiek gevraagd bij brief van 16 december 2025. De enkele verwijzing naar zijn bankafschriften is daartoe onvoldoende. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat uit het verweerschrift blijkt dat verzoeker volgens de belastingdienst meerdere bankrekeningen heeft met een positief saldo. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: