RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/346480 / KG ZA 26-89
Vonnis in kort geding van 1 juni 2026
in de zaak van
MR. JAN WYBE DAMSTRA, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie, verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: mr. Damstra,
advocaat: mr. J.W. Damstra,
tegen
[partij A] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. S.R. Oxener.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot met 11;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;
- de door beide partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediende aanvullende producties;- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, de pleitnota’s van mrs. Damstra en Oxener en de aantekeningen van de griffier.
2. De feiten
Op 23 juli 2025 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2025 is mr. Damstra benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater.
Tot de nalatenschap behoort de onroerende zaak, gelegen aan de [adres] in [plaats], kadastraal bekend als [locatie 1]. In artikel 10 van de akte van levering van 1 december 2000 waarbij de onroerende zaak aan erflater is geleverd komt een erfdienstbaarheid van weg voor. Deze erfdienstbaarheid luidt als volgt:
“(..) bestaat ten behoeve van het vroegere perceel, bekend alsvoor nummer 2107, waarvan het bij deze verkochte geheel afkomstig is, en ten laste van het aangrenzend perceel bekend als [locatie 2] als erfdienstbaarheid het recht van weg om op de bestaande wijze te komen van- en te gaan naar de [adres]. Daarbij werd bepaald dat deze erfdienstbaarheid zal blijven bestaan welke veranderingen, zo in aard als
bestemming, het stichten van meerdere gebouwen daaronder begrepen, het heersend erf ook zal mogen ondergaan. Deze erfdienstbaarheid geldt dus ook ten behoeve van het bij deze verkochte en blijft bestaan ten behoeve van het aan de verkopers blijvende deel van gemeld perceel [locatie 3].”
De toenmalige echtgenote van erflater, mevrouw [naam] (hierna: [naam]), heeft afstand gedaan van de nalatenschap. De hiervoor bedoelde onroerende zaak valt volledig in de nalatenschap van erflater.
[partij A] is eigenaresse van het naastgelegen perceel aan de [adres] in [plaats], kadastraal bekend als [locatie 4]. De onroerende zaak is aan een derde verhuurd.
Op 28 maart 2004 is tussen erflater en [partij A] een overeenkomst tot ruil van stroken grond tot stand gekomen. De overeenkomst is door beide partijen getekend. De overeenkomst vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“Zijn overeengekomen een verharde oprit te ruilen voor een evengroot stuk weiland
Partij Dunnink heeft meebetaald aan de kosten om het weiland te verharden.
Partijen zijn elkaar dus financieel niets meer schuldig. Het perceel waar de ruiling om gaat is sectie [locatie 5] aan de [adres].”
De grondruil is niet notarieel vastgelegd en niet ingeschreven in de openbare registers.
Erflater heeft op het aan hem geruilde perceel een inrit gerealiseerd.
Mr. Damstra heeft [partij A] bij brief van 24 november 2025 meegedeeld dat uitvoering moet worden gegeven aan de overeenkomst van ruil van 28 maart 2004.
Bij brief van 16 maart 2026 heeft Damstra aan [partij A] verzocht om te
verklaren dat zij zal meewerken aan de notariële levering dan wel vastlegging van eigendom van de inrit en het geruilde stuk weiland aan de andere zijde van haar schuur, waarna zij ook dient mee te werken aan de kadastrale inmeting en vastlegging.
3. Het geschil
Mr. Damstra vordert om [partij A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair
te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de notariële
levering alsmede de inschrijving van deze notariële levering in de daartoe bestemde openbare registers bij het Kadaster van de bewuste stroken grond zoals weergegeven in de overeenkomst van ruiling tussen partijen met dien verstande dat aan de nalatenschap van erflater wordt geleverd de strook grond als onderdeel van het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 4] en grenzend aan het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 1] enerzijds en levering door de nalatenschap aan gedaagde van de strook grond, deel uitmakend van het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 6] en grenzend aan het perceel [locatie 4], zoals tevens weergegeven op de als productie 8 in het geding gebrachte kadastrale kaart;
subsidiair
voor het geval verkrijgende verjaring kan worden vastgesteld, te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging van de bestaande eigendom alsmede de inschrijving van die notariële vastlegging in de daartoe bestemde openbare registers van het Kadaster van de in voormelde overeenkomst van ruiling weergegeven stroken grond, met dien verstande dat aan de nalatenschap toebehoort de eigendom van de strook grond als onderdeel van het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 4] en grenzend aan het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 1] en daarnaast aan gedaagde in eigendom toebehoort de strook grond, deel uitmakend van het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 6] en grenzend aan het perceel [locatie 4], zoals tevens weergegeven op de als productie 8 in het geding gebrachte kadastrale kaart;
en te bepalen dat bij gebreke van een vrijwillige medewerking door gedaagde binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, het vonnis in de plaats zal treden van de voor het opmaken van de notariële
akte vereiste verklaring, medewerking en handtekening van gedaagde, één en ander ex artikel 3:300, lid 2 jo. 3:301 BW;
2. te veroordelen in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser, waaronder begrepen verschotten en een bedrag ter zake van salaris.
[partij A] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist. Verder heeft [partij A] vorderingen in reconventie ingesteld voor het geval de vorderingen van mr. Damstra geheel of gedeeltelijk worden toegewezen. [partij A] vordert in reconventie dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair
Damstra, in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater], te veroordelen om binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis de aanwezige haag en het hekwerk aanwezig op het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 4] te verwijderen zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over haar volledige perceel;
subsidiair
a. Damstra, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater], te veroordelen om binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de vestiging van een erfdienstbaarheid van weg, inhoudende dat ten behoeve van perceel kadastraal bekend gemeente [locatie 4] en ten laste van perceel kadastraal bekend gemeente [locatie 1] als erfdienstbaarheid het recht van weg om te komen van- en te gaan naar de [adres] wordt gevestigd, waarbij de bedoelde erfdienstbaarheid zal lopen vanaf de openbare weg tot ter hoogte van de schuren gelegen op perceel [locatie 4];
b. Damstra, in hoedanigheid als vereffenaar van de nalatenschap van de heer
[erflater], te veroordelen om binnen twee weken na het te wijzen vonnis de aanwezige haag en het hekwerk aanwezig op het huidige perceel met kadastrale aanduiding [locatie 4] te verwijderen zodat [partij A] haar recht van erfdienstbaarheid kan uitoefenen;
2. Primair en subsidiair
Damstra, in hoedanigheid als vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater] te veroordelen in de kosten van dit geding alsmede de nakosten.
4. De beoordeling
Het spoedeisend belang
Het gaat in deze zaak om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of mr. Damstra ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Mr. Damstra heeft gesteld dat zijn spoedeisend belang bestaat uit het feit dat hij, als vereffenaar van de nalatenschap, de woning aan de [adres] moet verkopen.
Mr. Damstra stelt dat de onroerende zaak inmiddels is verkocht en dat deze op 31 juli 2026 geleverd zal moeten worden.
[partij A] heeft één en ander niet weersproken. Uit hetgeen mr. Damstra heeft gesteld volgt dat hij een voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorzieningen.
De inhoudelijke beoordeling
Verjaring vordering tot nakoming
Mr. Damstra stelt primair als grondslag voor zijn vordering dat [partij A] gehouden is de overeenkomst van ruiling van 28 maart 2004 na te komen door mee te werken aan de notariële levering van de in die overeenkomst bedoelde percelen.
[partij A] heeft aangevoerd dat de vordering tot nakoming niet kan worden toegewezen omdat deze inmiddels is verjaard.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Damstra gesteld dat de opeisbaarheid van de verplichting tot medewerking aan notariële vastlegging op grond van artikel 3:307 lid 2 BW pas is ontstaan op het moment dat bleek dat juridische levering noodzakelijk was en [partij A] werd uitgenodigd om aan die levering mee te werken. Om die reden is geen sprake van verjaring, aldus mr. Damstra.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het verjaringsverweer van [partij A]. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een vordering tot het geven of een doen (waaronder een vordering tot nakoming) na verloop van vijf jaar na aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Partijen zijn in hun overeenkomst geen datum overeengekomen waarop de vordering opeisbaar zal worden, zodat deze op grond van artikel 6:38 BW terstond opeisbaar is. Dat betekent dat de verjaringstermijn op 28 maart 2004 is aangevangen en de vordering tot nakoming op 29 maart 2009 is verjaard. Het beroep op het tweede lid van artikel 3:307 BW van mr. Damstra gaat niet op, nu het hier niet gaat om een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd.
Gezien het voorgaande wordt de primaire grondslag verworpen.
Verkrijgende verjaring
Standpunten partijen
Subsidiair stelt mr. Damstra dat het perceel als gevolg van verkrijgende verjaring eigendom is geworden van erflater. Mr. Damstra stelt dat partijen onmiddellijk na de
totstandkoming van de overeenkomst (dus in 2004) de desbetreffende stroken grond in bezit hebben genomen door deze af te palen om vervolgens ondubbelzinnig duidelijk het bezit voortdurend uit te oefenen. Dit bezit met eigendomspretenties ligt ook voor de hand, omdat partijen destijds hebben beoogd elkaar de eigendom te gunnen op basis van de tot stand gekomen overeenkomst. Het bezit is voortdurend geweest en met opzet, immers gebaseerd op de overeenkomst tussen partijen. Daarbij hebben partijen tevens afstand gedaan van de onder 2.2. genoemde erfdienstbaarheid, aldus mr. Damstra.
Volgens [partij A] leent een vordering op grond van verkrijgende verjaring zich niet voor een kort geding. Als wel op de vordering wordt beslist, voert [partij A] aan dat geen sprake is (geweest) van inbezitneming van de strook grond door erflater. Aan de ruilovereenkomst is volgens [partij A] geen uitvoering gegeven. De strook die aan erflater is geruild is destijds slechts afgesloten met een laag hek dat niet kan worden afgesloten. De machtsuitoefening over de strook grond door erflater is dus niet zodanig dat daarmee het bezit van [partij A] teniet wordt gedaan. Verder heeft [partij A] aangevoerd dat erflater, vanwege het bestaan van de erfdienstbaarheid, slechts houder was van de strook grond en dus als gevolg van het intervisieverbod van
artikel 3:111 BW zichzelf niet tot bezitter van de grond kon maken. Tot slot betoogt [partij A] dat, indien wel sprake zou zijn van bezit, erflater niet te goeder trouw was en dat het bezit niet onafgebroken tien jaar heeft geduurd.
Juridisch kader
Bij verkrijgende verjaring geldt op grond van artikel 3:99 BW dat de bezitter na tien jaar onafgebroken bezit te goeder trouw rechthebbende wordt. Volgens vaste rechtspraak is bij bezit bepalend of de (pseudo-)bezitter de feitelijke macht over het goed is gaan uitoefenen en of hij dit voor zichzelf doet (artikel 3:113 lid 1 BW jo. artikel 3:107 lid 1 BW). De machtsuitoefening moet zo zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn onvoldoende voor een inbezitneming. Er moet sprake zijn van niet-dubbelzinnig bezit. Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de wet en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Niet vereist is dat de rechthebbende daadwerkelijk heeft kennis gedragen van de bezitsdaden van de niet-rechthebbende waardoor zijn bezit is tenietgegaan. Het volstaat dat een en ander naar buiten toe – en dus ook voor de eigenaar – kenbaar was.
Overwegingen en oordeel
De voorzieningenrechter volgt [partij A] niet in haar verweer dat nadere bewijslevering nodig is voor beantwoording van de vraag of in deze zaak sprake is van verkrijgende verjaring. Op de vordering op grond van deze grondslag zal dan ook in dit kort geding worden beslist.
Met betrekking tot het bezit overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de in het geding gebrachte foto’s van de toegang tot het perceel blijkt dat er voor de oprit (gerealiseerd op de aan erflater geruilde grond) een middelhoog hekwerk is geplaatst waarop een bord “Verboden toegang voor onbevoegden” is bevestigd. Erflater heeft hiermee kennelijk de toegang tot zijn perceel voor derden willen verhinderen. Daarmee heeft erflater voldaan aan het vereiste van niet-dubbelzinnig bezit in de hiervoor bedoelde zin. Dat het hek, zoals door [partij A] is aangevoerd, niet afgesloten kan worden doet daar niet aan af. Daar komt bij dat het blijkens de overeenkomst van ruil ook uitdrukkelijk de intentie van partijen was dat erflater eigenaar (en dus ook bezitter) van het perceel zou worden.
De voorzieningenrechter volgt [partij A] niet in haar standpunt dat erflater slechts houder was van de strook grond. Dat verweer faalt omdat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de strook grond zou worden geruild met de expliciete bedoeling dat erflater eigenaar van de grond zou worden. Dat erflater formeel juridisch geen eigenaar is geworden omdat partijen hebben nagelaten de juridische levering door een notaris te laten plaatsvinden doet daar niet aan af. Ook brengt de overeengekomen erfdienstbaarheid hierin geen verandering. Weliswaar was erflater in eerste instantie houder van de oprit als gevolg van de erfdienstbaarheid, maar hierin is verandering gekomen door de ruilovereenkomst. Artikel 3:111 BW bepaalt dat de rechtsverhouding in dat geval kan veranderen.
De voorzieningenrechter verwerpt ook het verweer dat het bezit niet onafgebroken tien jaar heeft geduurd. [naam] heeft op 16 mei 2026 schriftelijk verklaard dat de oprit in 2004, na het sluiten van de overeenkomst van ruil, door erflater is verbreed, alsmede dat er in die periode onder de oprit een duiker is aangebracht zodat de sloten tussen de percelen aangesloten zouden blijven. Verder heeft [naam] verklaard dat zij in 2004 twee palen met gaas op de geruilde strook grond heeft aangebracht en daar klimop tegen heeft geplant. Ten slotte verklaart [naam] dat ook het hekwerk op de oprit in 2004 is geplaatst. [partij A] heeft één en ander ter zitting niet (gemotiveerd) weersproken. [partij A] heeft ter zitting verklaard dat zij nooit heeft geprotesteerd tegen de door erflater aangebrachte haag en het door erflater geplaatste hek. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de verklaring van [naam] dat het bezit in 2004 is aangevangen. Dat het bezit tussentijds onderbroken is geweest, is niet gesteld noch anderszins gebleken. Aan de eis van een onafgebroken bezit van tien jaren is derhalve voldaan.
Dat erflater niet te goeder trouw was is tot slot niet gebleken. Zoals hiervoor al is overwogen is het juist uitdrukkelijk de intentie van partijen geweest dat erflater eigenaar (en dus ook bezitter) van het perceel zou worden. Daarmee is de goede trouw van erflater gegeven. Dat [partij A] aanvoert dat zij op haar beurt niets gedaan heeft met de aan haar geruilde strook grond, zorgt er niet voor dat erflater het aan hem geruilde stuk grond niet in bezit heeft mogen nemen.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is erflater, gezien het voorgaande, als gevolg van verkrijgende verjaring eigenaar van de geruilde strook grond geworden. Voldoende aannemelijk is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
Vordering voldoende bepaald
[partij A] heeft nog aangevoerd dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat deze – kort gezegd - onvoldoende bepaald is. De voorzieningenrechter volgt [partij A] hierin niet. De strook grond is partijen op grond van de overeenkomst voldoende bekend omdat deze gedurende 22 jaar als zodanig door erflater is gebruikt en daarnaast is deze duidelijk weergeven op de in het geding gebrachte kadastrale kaarten. De bedoelde strook grond wordt in de processtukken van [partij A] ook consequent met “strook Rood” aangeduid waarbij zij verwijst naar de onderstaande luchtfoto.
[Afbeelding]
Toewijzing
[partij A] heeft aangevoerd dat de vordering zoals geformuleerd onder
1 subsidiair, niet kan worden toegewezen. Dit verweer slaagt in zoverre dat de voorzieningenrechter de vordering gedeeltelijk zal toewijzen. Hiervóór is immers geoordeeld dat erflater op grond van verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook Rood, maar niet is vastgesteld dat [partij A] eigenaar is geworden van de strook Groen. Integendeel, [partij A] heeft expliciet aangevoerd dat geen sprake is geweest van een bezitsdaad aan haar zijde met betrekking tot die strook. Het gedeelte van het petitum waarin wordt gevorderd om notarieel vast te leggen “dat aan [partij A] in eigendom toebehoort de strook grond, deel uitmakend van het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 6] en grenzend aan het perceel [locatie 4], zoals aangeduid als “strook Groen” op de luchtfoto”, zal (als zijnde het meerdere van het wél toe te wijzen mindere) dan ook niet worden toegewezen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het op grond van de ruilovereenkomst wel logisch zou zijn wanneer ook dit onderdeel notarieel vastgelegd zou worden.
De subsidiaire vordering van mr. Damstra zal worden toegewezen zoals in het dictum bepaald.
Proceskosten
[partij A] wordt als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding veroordeeld. De kosten aan de zijde van mr. Damstra worden begroot op:
explootkosten € 153,02
griffierecht € 341,00
salaris advocaat € 1.177,00
nakosten € 189,00 (plus de verhoging, vermeld in de beslissing)
Totaal: € 1.860,02
De vordering in reconventie
Omdat de subsidiaire vordering in conventie wordt toegewezen is de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld vervuld.
[partij A] stelt dat erflater onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de strook grond in bezit te nemen terwijl hij ermee bekend was dat [partij A] daarvan eigenaar was. Voor deze inbezitneming ontbreekt een rechtvaardigingsgrond. De gedraging is dus toerekenbaar. De schade bestaat eruit dat [partij A] een deel van haar eigendom wordt ontnomen en voorts dat zij haar perceel niet langer op legale wijze kan betreden. Dat brengt naast het eigendomsverlies ook een waardedaling van haar perceel mee. De schade zou niet zijn ontstaan indien Dunnink zich niet onrechtmatig had gedragen. [partij A] vordert schadevergoeding in natura ex artikel 6:103 BW. Primair vordert zij teruglevering van de strook Rood (praktisch bestaat die vordering uit het verwijderen van de aanwezige haag en het hekwerk) en subsidiair vestiging van een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van haar perceel, waarbij ook de haag en het hekwerk verwijderd moeten worden.
Van de zijde van mr. Damstra is deze vordering betwist door aan te voeren dat erflater niet onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld nu destijds door [partij A] is ingestemd met de ingebruikneming van de grond.
Nu de voorzieningenrechter hiervóór heeft geoordeeld dat sprake is van verkrijgende verjaring en dat erflater te goeder trouw was op het moment van in bezit nemen van de aan hem geruilde strook grond, is geen sprake (geweest) van onrechtmatig handelen ten opzichte van [partij A]. De vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.
[partij A] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in reconventie veroordeeld. De kosten aan de zijde van mr. Damstra worden begroot op € 588,50 wegens salaris.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
veroordeelt [partij A] om haar medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging van de bestaande eigendom alsmede de inschrijving van die notariële vastlegging in de daartoe bestemde openbare registers van het Kadaster van de in voormelde overeenkomst van ruiling weergegeven strook grond, met dien verstande dat aan de nalatenschap toebehoort de eigendom van de strook grond als onderdeel van het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 4] en grenzend aan het perceel met kadastrale aanduiding [locatie 1] zoals aangeduid als “strook Rood” op de luchtfoto als opgenomen in rechtsoverweging 4.13;
bepaalt dat bij gebreke van vrijwillige medewerking door [partij A] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, dit vonnis in de plaats zal treden van de voor het opmaken van de notariële akte vereiste verklaring, medewerking en handtekening van [partij A], één en ander ex artikel 3:300, lid 2 jo. 3:301 BW;
veroordeelt [partij A] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van mr. Damstra begroot op € 1.860,02 te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
wijst de vorderingen van [partij A] af;
veroordeelt [partij A] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van mr. Damstra begroot op € 588,50 wegens salaris.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.