RECHTBANK OVERIJSSEL
beslissing
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 344194 KG RK 26-49
Beslissing van 28 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te AZC [locatie],
verzoeker tot wraking,
gemachtigde: [gemachtigde].
1. De procedure
Bij Team Bestuursrecht van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, zijn onder de registratienummers 20/3668, 20/4112 en 20/4678 vreemdelingrechtelijke beroepszaken van verzoeker aanhangig. Deze zaken staan ter behandeling gepland op de zitting van 29 januari 2026.
Voorheen was mr. J.W.M. Bunt de behandelend rechter in voornoemde zaken. Verzoeker heeft deze rechter tweemaal gewraakt. De wrakingskamer heeft beide verzoeken toen afgewezen. Daarna, bij beslissing van 15 mei 2025, heeft de verschoningskamer een verschoningsverzoek van mr. Bunt toegewezen (ECLI:NL:RBOVE:2025:3096). Dit heeft ertoe geleid dat mr. K. Ides nu de behandelend rechter is. Bij brief van 13 januari 2026 heeft verzoeker meerdere verzoeken aan de rechtbank gedaan, waaronder een verzoek tot uitstel van de behandeling van de beroepszaken. Op 19 januari 2026 heeft de griffier per aangetekende brief aan verzoeker meegedeeld dat de rechtbank het uitstelverzoek niet op voorhand zal toewijzen, maar dit verzoek – en alle andere verzoeken – op de zitting met verzoeker zal bespreken. De wrakingskamer heeft vervolgens op
24 januari 2026 een verzoek tot wraking van mr. Ides ontvangen, omdat de inhoud van de brief van 19 januari 2026 volgens verzoeker maakt dat deze rechter partijdig is.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit heeft zij op 27 januari 2026 schriftelijk aan de wrakingskamer laten weten.
2. De beoordeling
Artikel 5, lid 2 sub a van het Wrakingsprotocol rechtbank Overijssel (hierna: Wrakingsprotocol) bepaalt dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren indien het verzoek kennelijk ongegrond is. De wrakingskamer oordeelt dat deze situatie zich hier voordoet. Daartoe wordt als volgt overwogen.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege de aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is.
De wrakingskamer stelt vast dat de wrakingsgronden in het verzoek tot wraking van mr. Ides grotendeels gelijkluidend zijn aan dat wat verzoeker in de eerdere wrakingsprocedures tegen mr. Bunt heeft aangevoerd en waarover de wrakingskamer reeds bij beslissingen van 10 februari 2023 (ECLI:NL:RBOVE:2023:550) en 18 februari 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:910) heeft geoordeeld. Voor zover verzoeker in zijn nieuwe wrakingsverzoek deze gronden opnieuw heeft aangevoerd, zal de wrakingskamer dat verzoek niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze gronden al zijn beoordeeld en niets is aangevoerd dat dwingt tot een nieuwe beoordeling. Het voorgaande leidt ertoe dat de wrakingskamer haar oordeel zal beperken tot de vraag of de inhoud van de aangetekende brief van 19 januari 2026 van vooringenomenheid van de rechter getuigt.
In de beslissing van 18 februari 2025 heeft de wrakingskamer reeds overwogen dat een rechterlijke procesbeslissing (zoals de beslissing om een uitstelverzoek nog niet toe te wijzen) geen grond voor wraking is, tenzij de motivering van de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De wrakingskamer oordeelt dat hiervan geen sprake is. Het is de wrakingskamer op basis van de inhoud van de brief van 19 januari 2026, namelijk de ‘kale’ mededeling dat de rechtbank het uitstelverzoek niet op voorhand zal toewijzen, maar dit verzoek – en alle andere verzoeken – op de zitting met verzoeker zal bespreken, niet gebleken dat sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid van mr. Ides. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die dat aannemelijk maken. Het wrakingsverzoek is dus (kennelijk) ongegrond.
De wrakingsverzoeken van verzoeker lijken vooral te zijn bedoeld om de behandeling van zijn beroepszaken alsmaar uit te stellen. Dat levert misbruik van het wrakingsinstrument op: wraking dient om de (on)partijdigheid van de rechter aan de orde te stellen, niet om steeds weer uitstel te verkrijgen. Om herhaling van dit patroon te voorkomen, ziet de wrakingskamer aanleiding om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet meer in behandeling zal worden genomen.
3. De beslissing
De wrakingskamer:
Deze beslissing is gegeven door de rechters mr. U. van Houten, mr. A.E. Zweers en
mr. M. van Bruggen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Klunder, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
de griffier de voorzitter