ECLI:NL:RBOVE:2026:395

ECLI:NL:RBOVE:2026:395

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 8206286123
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verdachte heeft feitelijke leiding gegeven aan een rechtspersoon die zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift. (feit 1). Beroep op rechtsdwaling slaagt niet. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €5.000,00 met een proeftijd van twee jaren. Verdachte wordt vrijgesproken van feit 2.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 82.062861.23 (P)

Datum vonnis: 29 januari 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

8 januari 2026 en 29 januari 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 26 juni 2019 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] V.O.F. (hierna: [bedrijf 1]) opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift.

feit 2: op 4 juni 2018 en/of 14 mei 2019 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

[bedrijf 1] V.O.F. op of omstreeks 26 juni 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3], althans in Nederland

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een omgevingsvergunning,

in strijd met de waarheid gedateerd 3 april 2019, als ware het echt en onvervalst

door dit geschrift als bijlage per e-mail te doen toekomen aan het e-mailadres van de heer ing. [naam 1], althans deze te doen toekomen aan een e-mailadres behorende bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2

[bedrijf 1] V.O.F. op of omstreeks 4 juni 2018 en/of 14 mei 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3], althans in Nederland

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten (een) Gecombineerde Opgave(n) met als bijlage een overzicht met percelen die deels niet bij [bedrijf 2] in gebruik waren,

als ware het echt en onvervalst door dit geschrift in te dienen bij RVO

tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3. De bewijsmotivering

Inleiding en aanleiding onderzoek

Op 1 januari 2015 is de eenmanszaak [bedrijf 2] opgericht, gevestigd op het adres [adres 1] te [plaats 1]. Verdachte is eigenaar van [bedrijf 2].

Op 1 januari 2018 is [bedrijf 1] opgericht met de vennoten [medeverdachte] en verdachte. [bedrijf 1] was gevestigd op het adres [adres 1] te [plaats 1]. Met ingang van 14 januari 2021 is de onderneming van [bedrijf 1] overgenomen door [bedrijf 1] B.V., gevestigd op het adres [adres 2].

[bedrijf 1] B.V. is op 14 januari 2021 opgericht met [bedrijf 3] B.V., gevestigd op het adres [adres 1] te [plaats 1], als enig aandeelhouder en bestuurder. [bedrijf 4] B.V. en [bedrijf 5] B.V. zijn de bestuurders van [bedrijf 3] B.V.

Op 14 januari 2021 is [bedrijf 4] B.V. opgericht, gevestigd op het adres [adres 3], met [medeverdachte] als enig aandeelhouder en bestuurder.

Op 14 januari 2021 is [bedrijf 5] B.V. opgericht, gevestigd op het adres [adres 4], met verdachte als enig aandeelhouder en bestuurder.

Op 1 januari 1997 is [bedrijf 6] opgericht, gevestigd te [plaats 2]. [naam 2] (hierna: [naam 2]) is één van de maten.

[bedrijf 1] was een agrarisch adviesbureau. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij agrarische subsidies aanvroeg, eindverantwoordelijke was en het bedrijf naar buiten toe vertegenwoordigde. Verdachte heeft ook verklaard dat alle bestaande rechten en plichten voortvloeiende uit activiteiten van [bedrijf 1] zijn overgenomen door [bedrijf 1] B.V.

In september 2019 is een voorbereidend onderzoek gestart door de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onder de naam ‘Kummel’. Het onderzoek richtte zich op de (vermoedelijke) valsheid in geschrifte bij de aanvraag van een subsidie in het kader van de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (hierna: SDE). [bedrijf 1] had namens [bedrijf 6] voornoemde subsidieaanvraag ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Daarnaast richtte het onderzoek zich op de (vermoedelijke) valsheid in geschrifte bij de opgave van landbouwgronden (eveneens bij de RVO) die niet in gebruik waren bij de eenmanszaak [bedrijf 2]. [bedrijf 1] verzorgde als adviseur de opgave van landbouwgrond voor [bedrijf 2].

Naar aanleiding van bovengenoemde is een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir – vrijspraak gevorderd van het tenlastegelegde onder 1 en 2.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat sprake was van een (poging tot) misleiding van de RVO. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd door (willekeurig) percelen van anderen op geven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – conform zijn overgelegde pleitnota – eveneens bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 en 2.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat het oogmerk tot misleiding ontbreekt alsmede (voorwaardelijk) opzet op de valsheid van het geschrift. Ten aanzien van feit 2 heeft hij aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de percelen ten onrechte heeft opgegeven.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

3.4.1.1 Feiten en omstandigheden

Op 13 maart 2019 ontving de RVO een subsidieaanvraag, ingediend door [bedrijf 1] namens [bedrijf 6], met aanvraagnummer [nummer]. Verdachte is degene die de aanvraag heeft ingevuld en aan de RVO heeft gestuurd. De subsidieaanvraag, ter hoogte van € 2.325.600,00, had betrekking op de SDE voor de categorie Biomassa. Bij de aanvraag ontbrak de vereiste omgevingsvergunning.

Op 11 juni 2019 stuurde verdachte ter aanvulling van de subsidieaanvraag een e-mail aan [naam 1] (hierna: [naam 1]), werkzaam bij de RVO, met in de bijlage een besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant inhoudende een omgevingsvergunning, met als vergunninghouder [bedrijf 6], met het nummer Z/073621, ondertekend door de heer [naam 3], Directeur Omgevingsdienst Brabant Noord, gedateerd en verzonden op 25 april 2019. In het besluit is vermeld dat de kennisgeving over het ontwerpbesluit op 22 februari 2019 is gepubliceerd, dat eenieder tot en met 4 april 2019 de gelegenheid heeft gehad om een zienswijze naar voren te brengen en dat niemand daarvan gebruikt heeft gemaakt.

Op 13 juni 2019 berichtte [naam 1] verdachte per e-mail dat de RVO de subsidieaanvraag moet afwijzen, omdat de door verdachte (na)gestuurde omgevingsvergunning is afgegeven op een datum die is gelegen na het sluiten van de zogenaamde ‘voorjaarsronde’ van de SDE.

Op 18 juni 2019 stuurde de RVO een brief aan [bedrijf 1], ter attentie van verdachte, inhoudende het definitieve besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag. Hieruit volgt dat de RVO de aanvraag afwees, omdat de vergunning is afgegeven na sluiting van de voorjaarsronde van de SDE. De vergunning is gedateerd 25 april 2019, terwijl de SDE – om in aanmerking te kunnen komen voor de voorjaarsronde – vereist dat de vergunning bij de aanvraag, vóór de sluitingsdatum van de openstelling (4 april 2019) moet zijn afgegeven.

Op 26 juni 2019 stuurde verdachte een e-mail aan [naam 1] met in de bijlage een besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant inhoudende een omgevingsvergunning, met als vergunninghouder [bedrijf 6], met het nummer Z/073621, ondertekend door de heer [naam 3], Directeur Omgevingsdienst Brabant Noord, gedateerd en verzonden op 3 april 2019. Ook in dit besluit is vermeld dat de kennisgeving over het ontwerpbesluit op 22 februari 2019 is gepubliceerd, dat eenieder tot en met 4 april 2019 de gelegenheid heeft gehad om een zienswijze naar voren te brengen en dat niemand daarvan gebruikt heeft gemaakt. In de e-mail stond dat werd verzocht om de bijlage mee te nemen voor [bedrijf 6] en de afwijzing door de RVO te herzien.

Op 27 september 2019 heeft de RVO, gevestigd op het adres Hanzelaan 310 te Zwolle, aangifte gedaan jegens [verdachte] en [naam 2] van valsheid in geschrifte en/of poging tot oplichting. De RVO heeft geconstateerd dat uit de bestandseigenschappen van het document gedateerd 3 april 2019 valt op te maken dat het document is aangemaakt en gewijzigd op een latere datum dan het document gedateerd 25 april 2019. Verder heeft de RVO blijkens de aangifte en de verklaring van [naam 1] de website van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd en waargenomen dat op die website is gepubliceerd een omgevingsvergunning verleend aan [bedrijf 6] op 25 april 2019.

Uit een verslag van een telefoongesprek tussen [naam 4] (werkzaam bij de RVO) en [naam 5] (werkzaam bij de Omgevingsdienst Brabant Noord van de provincie Noord-Brabant, hierna ODBN) volgt dat [naam 5] te kennen heeft gegeven dat het besluit omgevingsvergunning met de datum zoals gepubliceerd op de website van de provincie de juiste is.

[naam 6], werkzaam als opdrachtleider en vergunningverlener voor industriële vergunningverlening bij de ODBN, heeft verklaard dat op 25 april 2019 het besluit is genomen om de vergunning af te geven.

3.4.1.2 Bewijsoverweging

Verdachte wordt onder 1 verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, te weten een omgevingsvergunning gedateerd 3 april 2019, welke door verdachte als bijlage bij een e-mail aan de RVO is gestuurd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De bewijsbestemming

Voor een veroordeling ter zake het gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet allereerst worden vastgesteld dat gebruik is gemaakt van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Uit jurisprudentie blijkt dat ‘bewijsbestemming’ wil zeggen dat aan het geschrift in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de omgevingsvergunning d.d. 3 april 2019 is overgelegd om een SDE-subsidie te kunnen verkrijgen. Het geschrift is derhalve bestemd om tot bewijs te dienen. Van het geschrift is gebruik gemaakt door deze te versturen aan de RVO, de subsidieverlener.

Vals geschrift

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het geschrift vals dan wel vervalst is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het besluit d.d. 3 april 2019 inhoudelijk gelijk is aan het besluit d.d. 25 april 2019; enkel de datum vermeld achter de zinsnede “Datum Besluit en Verzonden” verschilt. Beide documenten hebben hetzelfde nummer/kenmerk. Het gaat dus om exact hetzelfde besluit, althans zulks wordt voorgewend. Een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning kan echter in beginsel maar één keer (met een uniek nummer/kenmerk) worden genomen. Niets wijst erop dat sprake is van een herzien besluit, wegens veranderde feiten of omstandigheden of een evidente onjuistheid. Eén van beide documenten is dus onjuist.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat:

het besluit met datum 3 april 2019 is verstrekt aan de RVO nadat het besluit met datum 25 april 2019 al eerder was verstrekt,

het bestand met het besluit gedateerd 3 april 2019 later tot stand is gekomen dan het bestand met het besluit gedateerd 25 april 2019,

in het besluit met datum 3 april 2019 een termijn voor het indienen van een zienswijze wordt genoemd die nog niet was verstreken op 3 april 2019, zodat op 3 april 2019 evenmin kon worden vastgesteld dat binnen die termijn geen zienswijze was ingediend, terwijl dat in het besluit van 3 april 2019 wel is vermeld,

alleen het besluit met datum 25 april 2019 gepubliceerd is via de website van de provincie, en

niet is gebleken dat het besluit met datum 3 april 2019 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leiden de rechtbank tot de conclusie dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in werkelijkheid is genomen op 25 april 2019. Dit betekent dat het geschrift met datum 3 april 2019 een onjuiste voorstelling van zaken geeft en dus vals of vervalst is. Wie voor dat valselijk opmaken dan wel vervalsen verantwoordelijk is kan gelet op de tenlastelegging in het midden blijven.

Opzet

Vervolgens is voor een bewezenverklaring op grond van artikel 225 lid 2 Sr vereist dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gebruik maken van het geschrift, als ware het echt en onvervalst, alsook op het valse of vervalste karakter van het geschrift (ongeacht of die valsheid of vervalsing zelf strafbaar is). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier kan worden afgeleid dat op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet op het gebruik van het geschrift alsmede op het valse of vervalste karakter daarvan. Op 11 juni 2019 heeft verdachte de oorspronkelijke omgevingsvergunning met datum 25 april 2019 per e-mail aan de RVO doen toekomen. Verdachte was dan ook op de hoogte van het bestaan van de omgevingsvergunning met datum 25 april 2019. Van verdachte mag in beginsel worden aangenomen dat hij weet en dus heeft geweten dat een specifiek besluit van een provincie met een uniek kenmerk tot het verlenen van een vergunning slechts eenmaal wordt genomen. Dat klemt in het geval van verdachte temeer nu hij ondernemer en professionele partij is op het gebied van het aanvragen van subsidies in de agrarische sector in welk verband omgevingsvergunningen een belangrijke rol spelen. Nadat de subsidieaanvraag werd afgewezen, verstuurde verdachte evenwel de omgevingsvergunning gedateerd 3 april 2019, met hetzelfde kenmerk, naar de RVO, waarin bovendien dezelfde zienswijzetermijn stond vermeld die niet te verenigen is met een besluitdatum van 3 april 2019. Verdachte heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een vals/vervalst document, als ware het echt en onvervalst, naar de RVO zou sturen.

Oogmerk tot misleiding

Om tot een bewezenverklaring van valsheid in geschrift te komen is het oogmerk (tot misleiding) vereist. Oogmerk van misleiding betekent dat er derden in het spel moeten zijn die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Daadwerkelijke misleiding is niet vereist. Het oogmerk moet zijn gericht op het doelbewust gebruiken van valse/vervalste documenten ‘als echt en onvervalst’ in het maatschappelijk verkeer. Het gebruik maken van een vals geschrift moet strekken ter misleiding van degene ten aanzien van wie het geschrift wordt gebruikt. In het geval dat die ander kennis draagt van de valsheid en de verdachte heeft daar weet van en is er dus niet op uit de ander om de tuin te leiden, is geen sprake van het oogmerk van misleiding.

De officier van justitie en de verdediging hebben aangevoerd dat geen sprake is van een (poging tot) misleiding van de RVO, nu ([naam 1], werkzaam bij) de RVO op de hoogte was van de antedatering. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Al aangenomen dat [naam 1] op de hoogte was van de valsheid van het geschrift van 3 april 2019, waarvoor de rechtbank overigens onvoldoende bewijs ziet, betekent dat niet dat er geen sprake was van oogmerk tot misleiding van de RVO. Verdachte heeft immers geprobeerd om de RVO, althans degene die namens de RVO bevoegd is om een subsidiebesluit te nemen, te misleiden.

Het besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag is ondertekend door [naam 7], teammanager SDE/MEP van de RVO, namens de minister van Economische Zaken en Klimaat.

[naam 1] was als subsidiebeoordelaar betrokken bij het traject, had in die hoedanigheid een adviserende en voorbereidende functie en onderhield kennelijk het contact met verdachte, maar uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [naam 1] niet bevoegd was tot het nemen van besluiten inzake de toekenning dan wel afwijzing van subsidies. [naam 1] kan in dit verband dus niet worden vereenzelvigd met de RVO. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is geweest van een poging tot misleiding van de RVO met het gebruik van de valse/vervalste omgevingsvergunning.

Toerekening aan [bedrijf 1] en [bedrijf 1] B.V. (daderschap)

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt dat [bedrijf 1] werd gedreven door twee vennoten, waaronder verdachte, en dat haar activiteiten onder meer bestonden uit het aanvragen van agrarische subsidies. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beschreven verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht, namelijk verdachte – kan worden toegerekend aan [bedrijf 1], nu de gedraging (het indienen van een valse/vervalste omgevingsvergunning bij de RVO) is verricht door een vennoot en heeft plaatsgevonden en past binnen het kader van de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1]. Zodoende komt de rechtbank tot het oordeel dat het ten laste gelegde feit is verricht in de sfeer van de rechtspersoon en in redelijkheid aan [bedrijf 1] is toe te rekenen. Uit het hiervoor beschreven opzet van verdachte, die als vennoot van de V.O.F. handelde, kan eveneens het opzet van [bedrijf 1] worden afgeleid. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat [bedrijf 1] B.V. per 14 januari 2021 rechtsopvolger is van [bedrijf 1].

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [bedrijf 1] B.V. thans als dader kan worden aangemerkt en dientengevolge in strafrechtelijke zin aansprakelijk kan worden gehouden voor het ten laste gelegde feit.

Opdracht of feitelijke leidinggeven

Tot slot ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte als opdrachtgever of feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt. Verdachte hield zich binnen [bedrijf 1] bezig met de aanvraag van subsidies en was degene die de valse/vervalste omgevingsvergunning heeft verstuurd. Hij was eindverantwoordelijk en vertegenwoordigde het bedrijf naar buiten toe. Gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] begane strafbare feit.

Concluderend

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het ten laste gelegde onder 1 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2

Vrijspraak

Zoals ook door de officier van justitie en de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Zij overweegt daartoe als volgt.

Het verwijt is dat de door [bedrijf 1] namens [bedrijf 2] bij de RVO ingediende opgaven over 2018 en 2019 vals zijn omdat daar percelen op staan die in werkelijkheid niet in gebruik waren bij [bedrijf 2].

Op basis van het dossier en de door verdachte overgelegde stukken kan niet worden uitgesloten dat de opgegeven percelen door [bedrijf 2] werden gebruikt. Er is aldus onvoldoende bewijs dat verdachte in strijd met de waarheid percelen die in gebruik waren bij anderen heeft opgegeven. Gelet hierop dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

1

[bedrijf 1] V.O.F. op 26 juni 2019 in Nederland

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een omgevingsvergunning,

in strijd met de waarheid gedateerd 3 april 2019, als ware het echt en onvervalst

door dit geschrift als bijlage per e-mail te doen toekomen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, aan welke bovenomschreven verboden gedraging

verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van verdachte

De raadsman heeft (subsidiair) betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld (AVAS). Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij erop mocht vertrouwen dat het ging om een rechtsgeldig besluit, nu een werknemer van de vergunningverlenende overheidsinstantie zelf de datum heeft aangepast.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt dat de verdediging een beroep doet op (normatieve) rechtsdwaling. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Uit jurisprudentie blijkt dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen (HR 24 juni 1986, NJ 1987/157). Een beroep op rechtsdwaling kan eveneens slagen als verdachte zich heeft laten leiden door onjuiste rechterlijke uitspraken, onjuiste overheidsvoorlichting of het gedoogd zijn van wederrechtelijk gedrag (bijv. HR 22 november 1949, NJ 1950, 180). Ook een advies van een advocaat, belastingadviseur of rechtswetenschapper kan onder omstandigheden het oordeel rechtvaardigen dat een verdachte niet hoefde te weten dat zijn gedrag strafbaar was. Op verdachte berust in deze een zelfstandige verplichting. Verdachte kan er zich dus niet op beroepen dat hij nooit kritiek heeft gehoord op zijn handelwijze en daarom daarmee maar is doorgegaan (HR 31 oktober 2006, LJN AY8322).

Uit e-mailberichten gevoegd bij het verzoek van de verdediging om het horen van getuigen blijkt dat [naam 8], adviseur van [bedrijf 6] op het gebied van vergunningen, [naam 5], adviseur vergunningen bij de ODBN, op 19 juni 2019 heeft verzocht om – hoewel [naam 8] “weet dat het een ongebruikelijke vraag is” – de omgevingsvergunning te antedateren en dat [naam 5] vervolgens op 26 juni 2019 een aangepaste omgevingsvergunning, gedateerd 3 april 2019, heeft gestuurd aan [naam 8].

Vooropgesteld wordt dat, zoals hiervoor onder 3.4.1.2 is overwogen, verdachte – wiens opzet aan [bedrijf 1] kan worden toegerekend – naar het oordeel van de rechtbank minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat sprake was van een vals/vervalst document. De vraag die voorligt is of verdachte – en dus [bedrijf 1] – er desondanks, vanwege uitlatingen van [naam 5] en/of [naam 8], op mocht vertrouwen dat het indienen van het document bij de RVO toch geoorloofd was.

Zowel de omgevingsvergunning gedateerd 25 april 2019 als het geschrift gedateerd 3 april 2019 zijn ondertekend door [naam 3], directeur ODBN. Nergens uit het dossier blijkt dat [naam 5] enige bevoegdheid had ten aanzien van het nemen van dit of een dergelijk besluit. Van uitlatingen of gedragingen van een persoon aan wie zodanig gezag valt toe te kennen dat in redelijkheid op de deugdelijkheid daarvan mag worden vertrouwen is dus geen sprake.

De rechtbank ziet ook niet in dat verdachte heeft vertrouwd (en ook mocht vertrouwen) op een advies van [naam 8]. Van enig advies van [naam 8] aan verdachte of wie dan ook blijkt niet uit het dossier, nog daargelaten dat door de verdediging niets is aangereikt waaruit volgt dat [naam 8] deskundigheid bezit op dit vlak. Overigens zou uit de opmerking van [naam 8] in zijn e-mail aan [naam 5] dat het een ongebruikelijk verzoek is kunnen worden afgeleid dat [naam 8] zelf ook twijfels had bij de toelaatbaarheid van een herzien besluit met eerdere datum.

Verdachte komt aldus geen beroep op (normatieve) rechtsdwaling toe. Het verweer wordt daarom verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft leiding gegeven aan een rechtspersoon die zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift. [bedrijf 1] diende namens [bedrijf 6] een SDE-subsidieaanvraag in bij de RVO. De RVO wees de aanvraag af omdat aanvrager niet beschikte over een vóór 4 april 2019 afgegeven omgevingsvergunning. Vervolgens heeft verdachte een valse omgevingsvergunning gedateerd 3 april 2019 verstrekt aan de RVO. Hiermee is beoogd een bedrag van € 2.325.600,00 aan subsidie ten onrechte te innen.

Met zijn handelswijze heeft verdachte het subsidiesysteem, dat erop berust dat steeds op de juistheid van de gedane aanvragen en onderliggende stukken moet kunnen worden vertrouwd, ondergraven en misbruik willen maken van overheidsgelden. Zeker van een professionele partij die zich bezig houdt met de aanvraag van subsidies mag worden verwacht op een integere wijze met publieke middelen om te gaan. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het strafblad van verdachte van 15 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Gelet op het voorgaande, alsook op het tijdsverloop, de – overigens niet aan verdachte te danken – omstandigheid dat de subsidie niet is uitgekeerd en er dus geen werkelijk financieel nadeel is geleden en de strafoplegging in de zaak tegen [bedrijf 1] B.V. (de onderneming waarvan verdachte mede-eigenaar is), acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000,00 met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Dit laatste om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 23 en 24c Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1, het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

- bepaalt dat deze straf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. M.J.E. Vink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Vis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Buiten staat

Mr. Vink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?