ECLI:NL:RBOVE:2026:399

ECLI:NL:RBOVE:2026:399

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 11870793 \ CV EXPL 25-2686
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Partij A heeft een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomst leende partij A geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest partij A het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat partij A verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door partij A geleden schade helemaal moet vergoeden. Er is al veel rechtspraak over een overeenkomst zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door partij A geleden schade helemaal moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11870793 \ CV EXPL 25-2686

Vonnis van 27 januari 2026

in de zaak van

1. [partij A 1],

2. [partij A 2],

wonende te [woonplaats],

eisende partijen in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

hierna samen te noemen: [partij A],

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

hierna te noemen: Dexia,

gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1. Kern van de zaak

[partij A] heeft via [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomst leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

Er is al veel rechtspraak over een overeenkomst zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 27 augustus 2025;

de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie;

de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;

de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;

de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.

De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3. De feiten

[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:

Contractnummer

Datum

Naam overeenkomst

[nummer 1]

19-06-2000

AEX Plus Effect

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

23-05-2006

-€ 846,41

nee

Volgens opgave van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 4.628,88 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. De restschuld van € 846,41 heeft [partij A] niet betaald. Volgens dezelfde opgave heeft [partij A] € 167,73 aan fiscaal voordeel genoten. Op 20 juni 2025 heeft Dexia een bedrag van € 4.113,08 aan [partij A] uitbetaald, in de opgave van Dexia vermeld als ‘onverplichte uitbetaling’.

De gemachtigde van [partij A] heeft bij brief van 31 januari 2007 de nietigheid, vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en dwaling. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe nog andere gronden nog aan te voeren.

4. Het geschil

[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [partij A];

voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;

Dexia zal veroordelen om te bewerkstelligen dat de registratie van [partij A] bij het Bureau Kredietregistratie wordt doorgehaald en de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 met een maximum van € 20.000,00;

Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij A] te voldoen al hetgeen [partij A] heeft betaald onder de AEX Plus Effect overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente;

Voor recht zal verklaren dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet is verschuldigd;

Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van [partij A], vermeerderd met de wettelijke rente;

Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen van [partij A] en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

[partij A] zal veroordelen tot betaling van € 282,14 te vermeerderen met de wettelijke rente;

voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 1] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;

[partij A] ex artikel 195 Rv zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;

[partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.

Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident

Algemeen

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A]

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.

Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.

Verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

Tussenpersoon

[partij A] heeft de AEX Plus Effect overeenkomst met (de rechtsvoorganger van) Dexia gesloten via de tussenpersoon [bedrijf]. Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.

Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht.Er is geen reden om thans anders te oordelen.

De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast [bedrijf] [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat [bedrijf] [partij A], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.

Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

Over de feitelijke gang van zaken stelt [partij A] dat hij telefonisch werd benaderd door [bedrijf] en hem daarbij werd voorgesteld een afspraak te maken voor een huisbezoek om zijn financiële situatie door te nemen. Daarmee stemde [partij A] in. Volgens [partij A] heeft de medewerker twee huisbezoeken gebracht en na het eerste huisbezoek is door de medewerker een visitekaartje achtergelaten. Het visitekaartje heeft [partij A] als productie B overgelegd. [partij A] stelt dat de medewerker, de heer [naam], geïnformeerd heeft naar de wensen en de financiële situatie van [partij A] Er zou zijn gesproken over het inkomen, het spaargeld en de woonsituatie van [partij A] Daarbij is volgens [partij A] in het bijzonder relevant dat [partij A] in aanmerking kwam voor een sociale huurwoning in verband met een beperkt inkomen. [partij A] voert aan dat ook is gesproken over zijn wens om zijn spaargeld op een betere manier te laten renderen dan op een reguliere spaarrekening. Volgens [partij A] gaf de medewerker aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij daarvoor een geschikt product wist.

[partij A] stelt dat de medewerker hem het advies gaf om een AEX Plus Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met, op basis van de verschafte informatie over het beperkte inkomen en het beschikbare spaargeld, een inleg die bestond uit een vooruitbetaling van ongeveer NLG 10.000,00 waarvoor het volledige beschikbare spaargeld moest worden aangewend. Zo zou [partij A] aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor hij een hoger rendement zou behalen op zijn spaargeld dan op een reguliere spaarrekening. [partij A] stelt verder dat de medewerker zijn advies kracht bij zette door middel van een brochure over het AEX Plus Effect product waarbij de medewerker zeer rooskleurige rendementen voorspiegelde. De brochure heeft de medewerker volgens [partij A] achtergelaten en twee pagina’s daarvan, waaronder één waarop de medewerker een krul heeft gezet, heeft [partij A] overgelegd als productie C.

[partij A] voert aan dat de medewerker hem niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s. Hij zou er niet op zijn gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. [partij A] stelt dat hij de overeenkomst nooit had gesloten als hij op deze risico’s was gewezen.

[partij A] voert verder aan dat hij geen ervaring had met beleggen of kennis had van complexe financiële producten. Daarom vertrouwde hij volledig op de deskundigheid en het advies van de medewerker en heeft hij het advies opgevolgd. Volgens [partij A] is de aanvraag voor de overeenkomst door de medewerker in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is door de medewerker bij het tweede huisbezoek langsgebracht ter ondertekening. Na ondertekening heeft de medewerker volgens [partij A] voor de retournering aan Bank Labouchere zorggedragen. [partij A] wijst erop dat hij uiteindelijk een AEX Plus Effect overeenkomst van Bank Labouchere heeft afgesloten met een inleg die bestond uit een vooruitbetaling van NLG 9.600,00.

Het opvolgen van het advies heeft desastreus heeft uitgepakt, aldus [partij A], want in plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is hij de betaalde inleg kwijtgeraakt en heeft hij een restschuld overgehouden.

Ter onderbouwing van zijn stellingen, heeft [partij A] onder andere gewezen op de volgende stukken die ook in het geding zijn gebracht:

een kopie van het aanvraagformulier AEX Plus Effect op naam van [partij A] waarop met de hand bij het vooruit te betalen maandbedrag van ‘NLG 10.000 / NLG 9.600?’ staat geschreven en waarop rechtsboven ‘[bedrijf]’ staat vermeld als ook bij ‘naam van de adviseur’ vermelding van ‘[naam] [bedrijf] B.V.’ met ATP-nummer [nummer 2];

een kopie van de overeenkomst AEX Plus Effect Vooruitbetaling met nummer [nummer 1] van 19 juni 2000 op naam van en getekend door [partij A] en met vermelding van een leasesom van NLG 9.600,00 en [nummer 2]-[bedrijf] als adviseur;

een foto van het visitekaartje van [naam] Financiele Dienstverlening op het logo van [bedrijf];

foto’s van twee pagina’s uit de brochure van het AEX Plus Effect met op één pagina een rekenvoorbeeld en een met de hand getekende krul;

een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] met als activiteitenomschrijving: ‘[…] het verrichten van werkzaamheden op het gebied van financiële planning voor particulieren, zelfstandigen, beoefenaren van vrije beroepen, bedrijven en instellingen’;

een uitdraai van de website van [bedrijf] waarop onder andere staat: ‘Bij [bedrijf] bent u aan het juiste adres voor een onafhankelijke en op maat gemaakt advies. Na een persoonlijke inventarisatie van uw wensen wordt een advies uitgebracht. Voor de invulling van dit advies kunt u kiezen uit een aantal vooraanstaande maatschappijen. Uiteraard begeleiden wij u in alle fasen van het proces. Immers, iedere keuze kan belangrijke gevolgen voor u hebben. U ziet het, een goed financieel advies zit vaak in het detail.

Aanhoudingsverzoek

Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met de door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.

Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.

(Nieuwe) argumenten Dexia

Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Deze komen er, kort gezegd, op neer:

dat Leaseproces (de gemachtigde van [partij A]) ten onrechte op haar woord wordt geloofd;

dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;

dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en

dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.

Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in dit geval, heeft [partij A] tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Dexia had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu Dexia dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen en wordt er niet aan bewijslevering toegekomen.

Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerker van de tussenpersoon [bedrijf], komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent, betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.

Wetenschap Dexia

In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van [bedrijf] aan [partij A] Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.

Aansprakelijkheid Dexia

Nu Dexia ondanks het voorgaande de overeenkomst toch met [partij A] is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van een afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn geen feiten en omstandigheden aanwezig die daartoe aanleiding geven. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht

De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat [bedrijf] [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar ook persoonlijk had geadviseerd en daarvoor geen vergunning bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.

Schade

Dexia stelt dat de overeenkomst is geëindigd in een restschuld die tot vandaag onbetaald is gebleven. Volgens Dexia is haar schadevergoedingsplicht op grond van het Hofmodel beperkt tot twee derde gedeelte van de restschuld zodat één derde voor rekening van [partij A] dient te blijven. In dat kader vordert Dexia in reconventie betaling van € 282,14 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tien dagen na verzending van de eindafrekening. De kantonrechter wijst deze vordering af. Zoals hiervoor is geoordeeld, komt namelijk alle schade voor rekening van Dexia. Dat betekent dat [partij A] geen restschuld verschuldigd is, ongeacht de berekening van de hoogte van die restschuld door Dexia. De in dat kader door [partij A] gevorderde verklaring voor recht dat hij de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is, zal dan ook worden toegewezen.

[partij A] heeft zijn schade berekend op € 4.461,15 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dexia heeft deze schadeberekening betwist. Dexia heeft gewezen op het bedrag van € 4.113,08 dat zij op 20 juni 2025 aan [partij A] als ‘onverplichte uitbetaling’ heeft uitgekeerd. Dexia stelt zich op het standpunt dat dit bedrag voor € 2.497,90 uit rente bestaat zodat € 1.615,18 in mindering strekt op de schade van [partij A] Volgens Dexia bedraagt de daadwerkelijke schade van [partij A] daarmee € 2.845,97. [partij A] betwist niet dat hij € 4.113,08 heeft ontvangen, maar weerspreekt dat sprake is van € 2.497,90 aan rente.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Zoals [partij A] heeft aangevoerd, heeft Dexia de opbouw van het door haar uitgekeerde bedrag niet toegelicht en ook niet onderbouwd. Weliswaar staat in het als productie 1 door Dexia overgelegde financiële overzicht in de kolom ‘onverplichte uitbetaling’ een bedrag van € 2.497,90 aan wettelijke rente, maar dat is gelet op de betwisting van [partij A] onvoldoende. Het had op de weg van Dexia gelegen om haar renteberekening inzichtelijk te maken. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van [partij A] juist is.

In de door [partij A] als productie H bij conclusie van repliek overgelegde brief waarin Dexia de uitbetaling aankondigt, staat:

“[…]

Belangrijk : deze betaling is onverplicht en wordt gedaan zonder erkenning van schuld. Het betreft een vooruitbetaling op een mogelijke vergoeding die u wellicht in rechte kunt krijgen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Mocht achteraf in rechte blijken dat de vooruitbetaling te laag is, dan zal Dexia de betaling aanvullen met hetgeen waartoe zij dan door een rechter veroordeeld wordt. Mocht achteraf blijken dat de vooruitbetaling te hoog en ten onrechte is gedaan, dan behoudt Dexia zich het recht voor de betaling geheel of gedeeltelijk van u terug te vorderen.

[…]”

De kantonrechter leidt daaruit af dat het bedrag van € 4.113,08 in het algemeen als een voorschot is betaald.

De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [partij A] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [partij A], behoudens het bedrag van de ‘onverplichte uitbetaling’, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia aan [partij A] is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia betaalde bedrag van € 4.113,08.

[partij A] heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van zijn buitengerechtelijke incassokosten. Dit zal worden afgewezen aangezien niet gebleken is dat er in dit geval meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan de werkzaamheden genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019.

BKR-registratie

Dexia zal, voor zover zij een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven, worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie in Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft. Een dwangsom acht de kantonrechter op zijn plaats, maar de hoogte zal worden aangepast. De dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

Incidentele vordering ex 195 Rv van Dexia

Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld om ex artikel 195 Rv een afschrift aan Dexia te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.

Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces zijn terechtgekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.

De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.

De door Dexia gevorderde verklaring voor recht

Gelet op de voorgaande beoordeling, zal ook de reconventionele vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij met betrekking tot de tussen [partij A] en haar gesloten overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] is verschuldigd, worden afgewezen.

Proceskosten in conventie en in reconventie

Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden daarmee begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 732,00

- salaris gemachtigde € 542,00 (2 punten x tarief € 271,00)

- nakosten € 100,00

Totaal € 1.518,47

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6. De beslissing

De kantonrechter

in het incident van Dexia

wijst de vordering af;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] tot op heden begroot op € 82,00;

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat [bedrijf] [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en [bedrijf] geen vergunning daarvoor bezat;

verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;

verklaart voor recht dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;

veroordeelt Dexia om aan [partij A] de schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.23.;

veroordeelt Dexia – voor zover Dexia met betrekking tot [partij A] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie in Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.518,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A], tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.L. Alers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?