RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11803966 \ CV EXPL 25-2198
Vonnis van 27 januari 2026
in de zaak van
[partij A] ,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. R.B. Sikkens,
tegen
[partij B] ,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. S.M. Wolff.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie,
- de conclusie van antwoord in reconventie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 8 december 2025 met een aanvullende productie van [partij B],- de mondelinge behandeling van 17 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte vermindering van eis van 17 december 2025 in reconventie van [partij B].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
In het kader van de afwikkeling van hun affectieve relatie hebben partijen een overeenkomst gesloten op grond waarvan [partij B] een bedrag aan [partij A] moet betalen. [partij A] vordert in conventie nakoming van die overeenkomst, alsmede betaling van een door hem voorgeschoten bedrag voor de nieuwe woning van [partij B].
[partij B] voert aan dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen onder misbruik van omstandigheden en dat de vordering van [partij A] in conventie daarom moet worden afgewezen. Daarnaast vordert [partij B] in reconventie terugbetaling van de door haar als onverschuldigd betaalde bedragen, omdat zij meer zou hebben betaald dan noodzakelijk.
De kantonrechter oordeelt dat [partij B] onvoldoende heeft gesteld dat er sprake is geweest van misbruik van omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst. De conventionele vordering van [partij A] tot nakoming van de overeenkomst wordt daarom toegewezen. De reconventionele vordering van [partij B] wordt afgewezen, omdat [partij B] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de bedragen voor de gemeenschappelijke huishouding onverschuldigd heeft betaald.
3. De feiten
[partij A] en [partij B] hebben van juni 2014 tot juni 2024 een affectieve relatie gehad.
[Afbeelding]
Na beëindiging van de relatie heeft [partij A] het volgende schuldenoverzicht gemaakt:
[partij A] heeft als reactie op dit schuldenoverzicht een concept e-mail voor [partij B] opgesteld en deze aan haar toegestuurd. Op 16 augustus 2024 heeft [partij B] de betreffende e-mail aan [partij A] verstuurd. De e-mail luidt als volgt:
“Beste [partij A],
Zoals donderdagavond 15 augustus samen te hebben besproken erken ik de schuld zoals afgerond op 3200 euro totaal op alles genoemd in de schuldenlijst.
Deze schuld zal ik z.s.m. proberen in te lossen naar je.
Zoals aangegeven heb ik een beperkt Budget en zal dit eerst met hulp om kaart moeten brengen.
Wij zijn overeengekomen dat op de bovengenoemde schuld ik eerst een minimaal bedrag per maand rond de 25e zal overmaken van minimaal 100 euro per maand.
op bovengenoemde schuld is geen schuldsanering van toepassing.
op bovengenoemde schuld staat los van het maandelijkse af te dragen mobielcontract KPN. dit bedrag zal na ontvangst afschrift rekening KPN overgemaakt worden.
zolang er nog spullen van mij zijn opgeslagen in de garage box zal ik iedere maand een bedrag van 31 euro mee betalen aan de huur van de garagebox, wel de doelstelling op korte termijn hiervan afstand te doen zodra mijn spullen zijn overbracht in september.
Hiermee komen we dit samen overeen! Graag ontvang ik iedere maand een betaalverzoek per te betalen onderdeel.(…).”
In augustus 2024 en september 2024 heeft [partij B] in het kader van de overeengekomen betalingsregeling in totaal € 200,00 (€ 100,00 per maand) aan [partij A] betaald.
Na beëindiging van de relatie betrok [partij B] een huurwoning via CareX Overijssel B.V. (hierna te noemen: Carex). De borg van € 250,00 en bijkomende kosten van € 100,00 heeft [partij A] betaald.
[partij B] maakte na de relatiebreuk nog gebruik van het telefoonabonnement met een toestel dat op naam van [partij A] stond. [partij B] heeft in juli en augustus 2024 de kosten van haar telefoonabonnement betaald. In oktober 2024 heeft [partij B] de telefoon aan [partij A] gegeven.
[partij A] heeft voor de afkoop van de telefoon € 243,36 moeten afbetalen voor het toestelkrediet, € 63,00 voor de afkoop van het abonnement en € 42,96 voor online aankopen in september 2024 (totaal € 349,32). [partij A] heeft de telefoon na ontvangst van [partij B] verkocht voor € 500,00.
Op 14 maart 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] de betalingsregeling met [partij B] ontbonden, [partij B] in gebreke gesteld en haar gesommeerd tot betaling van de vordering.
4. Het geschil
in conventie
[partij A] vordert - samengevat - veroordeling van [partij B] tot betaling van € 3.199,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 444,93.
[partij A] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Partijen zijn door middel van het schuldenoverzicht en de bevestiging per e-mail van [partij B] overeengekomen dat [partij B] € 3.200,00 verschuldigd is. Daarvan heeft [partij B] € 200,00 betaald. De vordering wordt verrekend met € 150,68, omdat de verkoopopbrengst van de door [partij A] verkochte telefoon van [partij B] hoger is dan de kosten. De borg en bijkomende kosten van € 350,00 heeft [partij A] voorgeschoten en daarom dient [partij B] dit terug te betalen.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
[partij B] voert het volgende aan. Het schuldenoverzicht en de bevestigende e-mail zijn onder misbruik van omstandigheden tot stand gekomen en de opbrengsten daarvan zijn haar niet ten goede gekomen. [partij A] is zelf verantwoordelijk voor schulden uit het telefoonabonnement, nu het contract op zijn naam staat. De door [partij A] betaalde borg was geen lening, maar een schenking.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[partij B] vordert in reconventie - samengevat en na wijziging van eis - veroordeling van [partij A] tot betaling van € 9.842,07, vermeerderd met rente en kosten.
[partij B] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Voor de kosten voor de huur, water, energie, gblt en overige achterstanden kon [partij A] in redelijkheid € 350,00 per maand in rekening brengen. Gedurende de 60 maanden dat partijen een gezamenlijke huishouding hebben gehad komt dit neer op € 21.000,00. In totaal heeft [partij B] € 30.842,07 aan [partij A] betaald. [partij B] heeft daarom € 9.842,07 onverschuldigd aan [partij A] betaald.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
[partij A] voert het volgende aan. Het financiële belang in reconventie overstijgt de kantongrens van € 25.000,00, waardoor de kantonrechter niet bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen. Verder betwist [partij A] dat de betalingen door [partij B] zonder rechtsgrond zijn verricht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie
Nakoming en misbruik van omstandigheden
[partij A] vordert nakoming van de tussen hem als schuldeiser en [partij B] als schuldenaar gesloten overeenkomst, die is vervat in het schuldenoverzicht en de e-mail die [partij B] aan [partij A] heeft gestuurd ter bevestiging van de gemaakt afspraken. [partij B] erkent dat partijen deze afspraken hebben gemaakt, maar voert aan dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 1 jo lid 4 BW).
Van misbruik van omstandigheden is sprake indien iemand die weet of behoort te begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden – zoals afhankelijkheid, lichtzinnigheid, een abnormale geestestoestand of onervarenheid – wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen daarvan bevordert, terwijl hetgeen hij weet of behoort te begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW).
Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat van misbruik van omstandigheden in dit geval sprake is. [partij B] heeft weliswaar gesteld dat tijdens de relatie en bij de beëindiging daarvan sprake was van manipulatie en ongelijkwaardigheid, maar deze stellingen zijn door [partij A] gemotiveerd betwist. [partij A] heeft aangevoerd dat partijen de relatie op een veilige en volwassen wijze hebben afgewikkeld. Daarbij is van belang dat uit het schuldenoverzicht, dat de basis vormt van het door [partij A] gevorderde bedrag, niet blijkt dat [partij A] financieel heeft geprofiteerd van de verdeling van de schulden. Niet is gebleken of uitgelegd is dat [partij B] door het aangaan van de overeenkomst in een nadeliger positie is komen te verkeren. Van enig door haar geleden nadeel bij het sluiten van de overeenkomst is derhalve niet gebleken. De enkele stelling dat sprake was van een afhankelijkheidsrelatie is, daargelaten de juistheid daarvan, onvoldoende om te kunnen aannemen dat [partij A] misbruik heeft gemaakt van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 1 in verbinding met lid 4 BW. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [partij A] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een concept heeft opgesteld van de tekst van de e-mail waarin [partij B] de schuld erkent. Deze omstandigheid zijn, zonder nadere toelichting of bijkomende feiten en omstandigheden, onvoldoende om misbruik van omstandigheden aan te nemen.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [partij B] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat [partij A] bij het tot stand komen van de overeenkomst misbruik heeft gemaakt van omstandigheden. Nu er geen sprake is van een wilsgebrek, zal [partij B] de door haar gesloten overeenkomst moeten nakomen. De vordering tot betaling van een bedrag van € 3.000,00 (€ 3.200,00 minus twee betalingen van € 100,00) zal daarom worden toegewezen.
Telefoonrekening
[partij A] brengt € 150,68 in mindering op zijn vordering, omdat hij de telefoon van [partij B] heeft verkocht en met de opbrengst de schulden voor het abonnement en ander telefoonkosten heeft voldaan. Partijen zijn in de mail van 16 augustus 2024 weliswaar overeengekomen dat [partij B] maandelijks geld zou overmaken naar [partij A] voor het behoud van haar telefoon en abonnement, maar [partij B] heeft de telefoon bij [partij A] ingeleverd, omdat zij niet langer op die wijze verbonden met [partij A] wilde zijn, zo begrijpt de kantonrechter.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] de telefoon van [partij B] terecht heeft verkocht, nu het abonnement en het toestelkrediet op zijn naam staan en hij verder niets aan de telefoon heeft. Door de telefoon te verkopen en de schulden die gepaard gingen met het vroegtijdig beëindigen van het abonnement, is [partij B] niet benadeeld. [partij B] krijgt immers een bedrag van € 150,68 van [partij A] toe, dat wordt verrekend met de schuld van [partij B] aan [partij A]. De kantonrechter is daarom met [partij A] van oordeel dat de vordering van [partij A] verlaagd dient te worden met € 150,68.
Betaalde borg
[partij A] stelt tot slot dat hij de factuur van Carex met een borgsom van € 250,00 en bijkomende kosten van € 100,00 voor [partij B] heeft voorgeschoten. [partij B] stelt dat er sprake was van een schenking, als compensatie voor het feit dat zij niks heeft meegenomen uit de destijds gezamenlijke woning.
De stelplicht en de bewijslast van de stelling dat er sprake zou zijn van een overeenkomst van geldlening liggen ingevolge artikel 150 Rv op [partij A]. Nu [partij B] gemotiveerd heeft betwist dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst, ligt het op de weg van [partij A] om feiten en omstandigheden te stellen die zijn andersluidende stelling ondersteunen. Aan die stelplicht heeft [partij A] niet voldaan. De kantonrechter wijst daarom de vordering tot betaling van € 350,00 wegens het voorschieten van de factuur van Carex af.
Conclusie in conventie
Uit het bovenstaande blijkt dat [partij B] aan [partij A] een bedrag van in totaal € 2.849,32 verschuldigd is (€ 3.200,00 uit hoofde van de overeenkomst, minus € 200,00 wegens betalingen in het kader van de betalingsregeling en minus € 150,68 wegens een resterende verkoopopbrengst van de telefoon van [partij B]). Dat bedrag zal daarom in conventie worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de datum van verzuim, te weten 29 maart 2025.
Buitengerechtelijke incassokosten
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [partij B] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt afgewezen, zal een bedrag van € 409,90 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
Proceskosten in conventie
Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
Bevoegdheid van de kantonrechter
[partij A] heeft in reconventie allereerst aangevoerd dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het geschil omdat de waarde van de (primaire) vordering van [partij B] meer dan € 25.000,00 bedraagt. Omdat [partij B] de primaire vordering heeft ingetrokken, behoeft dit betoog geen bespreking meer.
Onverschuldigde betaling
[partij B] stelt dat zij in redelijkheid een bedrag van € 350,00 per maand had moeten betalen voor de duur van zestig maanden, waardoor het meerdere betaalde bedrag onverschuldigd is. [partij A] betwist het door [partij B] genoemde bedrag.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat zij een lange tijd een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd zonder duidelijke (betaal)afspraken te maken. [partij B] heeft zich op het standpunt gesteld dat er te veel door haar is betaald en dat een bedrag van € 350,00 per maand redelijk is, maar zonder een overzicht van de vaste lasten en de verworven inkomsten gedurende de relatie, kan de kantonrechter (mede gelet op de betwisting door [partij A]) niet vaststellen dat de door [partij B] verrichte betalingen onverschuldigd zijn geweest. De vordering van [partij B] in reconventie zal daarom door de kantonrechter worden afgewezen.
Proceskosten in reconventie
Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 2.849,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 409,90 aan buitengerechtelijke incassokosten,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis onder 6.1, 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [partij B] af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis onder 6.7 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
EA