RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12015634 \ CV EXPL 25-4104
Vonnis van 27 januari 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap [eiser 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1],2. De besloten vennootschap [eiser 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
gemachtigde: mr. W. Meijs,
tegen
1. de besloten vennootschap [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 3],
hierna te noemen: [gedaagde 1],2. [gedaagde 2],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
procederend in persoon.
1. Waar deze zaak over gaat
[eiser 1] en [eiser 2] hebben in het kader van een overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1] werkzaamheden uitgevoerd tegen betaling. [gedaagde 1] hebben de facturen niet betaald. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen daarom betaling van deze facturen van [gedaagde 1]. Daarnaast vorderen [eiser 1] en [eiser 2] betaling van de facturen van [gedaagde 2], omdat hij volgens [eiser 1] en [eiser 2] als bestuurder aansprakelijk is voor betaling. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen conclusie van antwoord ingediend binnen de termijn. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] toe, omdat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 1 december 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De beoordeling
De bij dagvaarding voorgeschreven termijn en andere formaliteiten zijn in acht genomen.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen conclusie van antwoord ingediend tegen de vorderingen. De kantonrechter zal geen acht slaan op de e-mail van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 18 januari 2026, omdat deze e-mail buiten de termijn voor het nemen van een proceshandeling is verstuurd. De vorderingen worden als na te melden toegewezen, omdat zij de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Deze vorderingen moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 879,31 respectievelijk een bedrag van € 671,54 worden toegewezen ten aanzien van [gedaagde 1]. Ten aanzien van [gedaagde 2] zal een bedrag van € 879,31 respectievelijk € 671,54 worden toegewezen.
De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] toewijzen in de zin dat betaling van de hoofdsom inclusief wettelijke (handels)rente door een van gedaagden de andere gedaagde bevrijdt van betaling van deze kosten.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
247,46
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
(1 punt × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.386,46
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 11.831,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 10.430,75 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 2] niet aan zijn veroordeling onder 4.5. voldoet,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 6.693,48, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 5.930,76 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 2] niet aan zijn veroordeling onder 4.6. voldoet,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 879,31 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 671,54 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 11.205,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.430,75 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 1] niet aan haar veroordeling onder 4.1. voldoet,
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 6.358,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.930,76 met ingang van 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling, voor zover [gedaagde 1] niet aan haar veroordeling onder 4.2. voldoet,
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 879,31 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 671,54 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 2.386,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026. (hg)