RECHTBANK OVERIJSSEL
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen
hierna: [eiser],
en
(gemachtigde: mr. E.P. Stekelenburg),
hierna: het college.
Als derde-partij heeft deelgenomen aan dit geding:
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,
gevestigd te Den Haag,
hierna: het COA,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het vervangen van de bestaande afzuiginstallatie en het aanbrengen van ventilatievoorzieningen in een opvanglocatie voor asielzoekers en statushouders. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.
Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit van 25 februari 2025, waarbij aan het COA een omgevingsvergunning heeft verleend gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
[eiser], vergezeld van [naam 1];
namens het college mr. E.P. Stekelenburg, [naam 2] en [naam 3];
namens het COA [gemachtigde].
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
Aan de [adres 2] bevindt zich een opvanglocatie voor asielzoekers en statushouders. Het COA heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van de bestaande afzuiginstallatie van de opvanglocatie en voor het aanbrengen van ventilatievoorzieningen. In het kader daarvan worden enkele afvoerpijpen, met een hoogte tot 10,6 meter, op het dak van de opvanglocatie geplaatst. Het COA heeft op 31 januari 2025 een ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag overgelegd. Bij besluit van 25 februari 2025 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
[eiser] woont aan de [adres 1], op een afstand van ongeveer 100 meter van de opvanglocatie. [eiser] kan zich niet verenigen met de vergunningverlening en hij heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van het bezwaar van [eiser] zijn partijen gehoord door de commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie). De commissie heeft geadviseerd om het besluit 25 februari 2025 niet in stand te laten. Bij het bestreden besluit, van 8 september 2025, heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en heeft het college de motivering van het besluit van 25 februari 2025 aangevuld.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat een deel van de beroepsgronden die [eiser] heeft aangevoerd zich niet richt tegen het bestreden besluit, maar tegen het eerdere besluit van 9 januari 2024, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van een tijdelijke opvanglocatie aan [adres 2]. Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank de tegen die vergunning ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Voor zover [eiser] gronden wenst aan te voeren tegen die vergunning, staat het hem vrij om die gronden in het kader van de behandeling van het hoger beroep tegen die uitspraak naar voren te brengen. In het kader van deze procedure kunnen die gronden geen rol spelen. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college de verleende omgevingsvergunning voor het vervangen van de bestaande afzuiginstallatie en het aanbrengen van ventilatievoorzieningen bij het bestreden besluit mocht handhaven.
Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat het college zich bij zijn besluitvorming ten onrechte niet heeft gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), overweegt de rechtbank dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden en dat de Wabo met ingang van die datum is ingetrokken. De Invoeringswet Omgevingswet bevat overgangsrecht voor lopende procedures. Dat de Wabo op grond van dat overgangsrecht van toepassing is gebleven op de eerdere procedure in verband met de omgevingsvergunning voor het realiseren van de tijdelijke opvanglocatie aan de [adres 2] betekent niet dat de Wabo ook van toepassing is op nieuwe aanvragen met betrekking tot dit adres. Omdat de aanvraag waar deze zaak betrekking op heeft is ingediend op 27 januari 2025 is op de beoordeling van deze aanvraag de Omgevingswet van toepassing.
De op 27 januari 2025 door het COA gedane aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:
- een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet;
- het buitenplans afwijken van de regels van het omgevingsplan.
Voor deze activiteiten heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Een vergunning voor een technische bouwactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet, is niet aangevraagd. Het college en het COA stellen zich op het standpunt dat een dergelijke vergunning niet nodig is omdat voor dit project geen vergunningplicht voor een technische bouwactiviteit geldt. De rechtbank kan de juistheid van deze stelling niet toetsen omdat, anders dan voorheen onder de werking van de Wabo, onder de Omgevingswet niet de verplichting geldt om alle (eventueel) benodigde toestemmingen voor een project tegelijkertijd aan te vragen. De aanvrager bepaalt zelf voor welke activiteit hij wanneer een vergunning aanvraagt. De rechtbank zal de stelling van [eiser] dat het project ertoe leidt dat de opvanglocatie niet langer brandveilig kan worden gebruikt dan ook niet inhoudelijk bespreken.
Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat het project nadelige gevolgen kan hebben voor hem, overweegt de rechtbank dat [eiser] heeft gewezen op mogelijke geur- en geluidsoverlast. Al hoewel niet kan worden uitgesloten dat [eiser] enige gevolgen zal ondervinden van de realisering van het bouwplan, is de rechtbank van oordeel dat deze gevolgen voor hem zeer gering zullen zijn. Gelet op de afstand tussen de opvanglocatie en de woning van [eiser] is niet aannemelijk dat sprake zal zijn van geuroverlast van enige betekenis. Al hoewel niet onaannemelijk is dat [eiser] de afvoerpijpen op het dak van de opvanglocatie vanaf zijn perceel kan zien, hoefde dit gewijzigde zicht voor het college geen aanleiding te vormen om, bij afweging van alle betrokken belangen, de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. In dit verband is van belang dat de afzuiginstallatie en de verbeterde ventilatiecapaciteit zullen bijdragen aan een verbetering van de leefomstandigheden van de asielzoekers en statushouders die in de opvanglocatie verblijven. Voldoende is onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad van Tubbergen, voor zover hier van belang, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 16.15a, onder b, van de Omgevingswet heeft besloten dat een bindend advies van de gemeenteraad is vereist in geval van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers. Ter zitting is namens het college toegelicht dat het bindend adviesrecht van de gemeenteraad hier, in de visie van het college, niet van toepassing is omdat geen sprake is van vestiging van een nieuwe opvanglocatie. De rechtbank onderschrijft deze lezing. Hiervoor is van belang dat uit de toelichting op het besluit van de gemeenteraad blijkt dat het hierbij gaat om het verlenen van medewerking aan opvang. Van een besluit dat betrekking heeft op het verlenen van medewerking aan opvang is hier geen sprake. Het gehandhaafde besluit van 25 februari 2025 heeft betrekking op het vervangen van een afzuiginstallatie en op het aanbrengen van ventilatievoorzieningen in een reeds bestaande opvanglocatie. Het college heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht om te beslissen op de ingediende aanvraag zonder dat eerst bindend advies is ingewonnen bij de gemeenteraad.
Wat [eiser] verder heeft aangevoerd kan evenmin leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de verlening van de omgevingsvergunning in stand wordt gelaten. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.