RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11838486 \ CV EXPL 25-2403
Vonnis van 4 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in [woonplaats],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. K.K.B. Kögging,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZORG-ADVIES TWENTE B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Enschede,
gedaagde partij, hierna te noemen: Zorg-Advies,
gemachtigde: mr. P.J.B.M. Besselink.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 maart 2026;- de akte van Zorg-Advies van 15 april 2026;
- de antwoordakte van [eiser] van 12 mei 2026;
- de akte van Zorg-Advies van 2 juni 2026.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. De verdere beoordeling
Het tussenvonnis van 10 maart 2026
Op de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 heeft mr. Besselink namens Zorg-Advies verzocht om na de mondelinge behandeling bij akte te mogen reageren op de uitgebreide pleitnota van mr. Kögging. De kantonrechter heeft daarop bepaald dat een tussenvonnis zal worden gewezen waarin mr. Besselink die mogelijkheid wordt gegeven.
In het tussenvonnis van 10 maart 2026 heeft de kantonrechter eerst beslist dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 april 2023 is geëindigd. De kantonrechter heeft ook bepaald dat een periode van zes maanden zal worden gehanteerd als referteperiode voor het bepalen van de arbeidsomvang tijdens de ziekte van [eiser] en dat de overuren die [eiser] heeft gewerkt, moeten worden meegenomen bij de berekening van het achterstallig loon en de arbeidsomvang tijdens de ziekteperiode van [eiser]. Vervolgens heeft de kantonrechter mr. Besselink de gelegenheid gegeven om bij akte te reageren op de pleitnota van mr. Kögging.
Verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen
Zorg-Advies heeft de kantonrechter in haar akte verzocht om terug te komen op twee bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis van 10 maart 2026.
De kantonrechter stelt voorop dat wanneer in een tussenvonnis op een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist, zoals hier het geval is, de kantonrechter hieraan in beginsel in het verdere verloop van de procedure is gebonden. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat de kantonrechter op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553).
Zorg-Advies heeft ten eerste verzocht om terug te komen op de beslissing dat voor de berekening van de arbeidsomvang uit moet worden gegaan van een referteperiode van zes maanden. Volgens Zorg-Advies moet, wanneer niet van een referteperiode van drie maanden wordt uitgegaan, worden uitgegaan van een periode van twaalf maanden.
De kantonrechter is van oordeel dat er geen grond is om terug te komen op de bindende eindbeslissing over de referteperiode. De argumenten die Zorg-Advies aanvoert in haar akte zijn al naar voren gebracht in de conclusie van antwoord en op de mondelinge behandeling en om die reden al betrokken in de oordeelsvorming. Zorg-Advies heeft in de akte geen argumenten of nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat een beslissing is genomen op basis van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.
Ook heeft Zorg-Advies verzocht om terug te komen op de beslissing dat Zorg-Advies de gewerkte overuren aan [eiser] moet vergoeden. Zorg-Advies stelt dat van een overwerkvergoeding pas sprake kan zijn wanneer de werkgever het overwerk aan de werknemer heeft opgedragen of uit de specifieke omstandigheden van het geval blijkt dat dat het geval is geweest.
Ook hier is de kantonrechter van oordeel dat er geen grond is om terug te komen op de bindende eindbeslissing in het tussenvonnis. De argumenten die Zorg-Advies in haar akte noemt, heeft de kantonrechter al (kenbaar) meegewogen in de beslissing. Zorg-Advies heeft geen argumenten aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de kantonrechter op basis van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag heeft beslist.
Achterstallig loon
[eiser] heeft een bedrag van € 11.761,58 bruto aan achterstallig loon gevorderd. Dat bedrag bestaat uit niet uitbetaalde overuren over mei 2022 tot en met september 2022, te weinig betaald loon over vijf maanden in 2022 en 2023, een maand loon die gedurende de arbeidsovereenkomst in het geheel niet is uitbetaald en het loon over april 2023 dat niet is uitbetaald in verband met de discussie over de einddatum van de arbeidsovereenkomst.
In het tussenvonnis van 10 maart 2026 heeft de kantonrechter beslist dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 april 2023 is geëindigd. Het deel van de vordering dat ziet op het loon van april 2023 zal dan ook worden afgewezen.
Wat betreft de missende loonbetaling heeft [eiser] gesteld dat het loon van ofwel november 2022 ofwel december 2022 niet is uitbetaald, afhankelijk van welke loonbetaling aan welke maand wordt toegerekend. [eiser] heeft ter onderbouwing de zeventien in haar bezit zijnde loonstroken overgelegd.
De kantonrechter overweegt dat Zorg-Advies ter zitting heeft erkend dat [eiser] alle in haar bezit zijnde loonstroken heeft overgelegd. Zorg-Advies heeft geen overzicht van betalingen of andere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het loon over het dienstverband van achttien maanden volledig is voldaan. Er aldus vanuit gaande dat dit de zeventien loonstroken zijn op basis waarvan de loonbetalingen zijn gedaan, komt de kantonrechter tot de conclusie dat er één loonstrook, en dus één loonbetaling, te weinig is.
Het verweer van Zorg-Advies dat er in november 2022, december 2022, en januari 2023 wel loon is uitbetaald en dat dus iedere maand het loon is betaald, slaagt niet. Ten eerste heeft Zorg-Advies ter zitting zelf uitgelegd dat het loon altijd een maand later werd uitbetaald (aan het eind van de volgende maand), dus haar verweer is in strijd met die stelling en met de praktijk zoals die volgt uit de loonstroken. De eerste loonbetaling (over oktober 2021) is immers pas eind november 2021 betaald. Ten tweede leidt dit verweer van Zorg-Advies niet tot de conclusie dat alle loonbetalingen zijn voldaan. Zoals hiervoor is geconcludeerd zijn er over de periode oktober 2021 tot april 2023 zeventien (reguliere) loonstroken, terwijl dat er achttien hadden moeten zijn. Nu de eerste loonbetaling (over oktober 2021) eind november 2021 is voldaan, zou eind april 2023 de laatste loonbetaling (over maart 2023) moeten zijn gedaan. Dat is niet gebeurd (afgezien van de betaling op 1 mei 2023 van het achterstallige loon van januari 2023).
Niet met zekerheid is te zeggen welke maand niet is betaald, maar naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van Zorg-Advies gelegen om, indien alle loonbetalingen waren gedaan, daarvan een overzicht over te leggen. Nu zij dat niet heeft gedaan, komt de onduidelijkheid over welke maand precies niet is betaald voor rekening en risico van Zorg-Advies. Het loon over de maand december 2022 zal worden toegewezen. Hoe hoog dat loon is, hangt af van de hierna in 2.18. te bespreken arbeidsomvang tijdens de ziekteperiode van [eiser], omdat [eiser] in december 2022 was ziekgemeld.
[eiser] heeft ook betaling van gewerkte overuren gevorderd. Tussen partijen staat vast dat [eiser] regelmatig meer uren werkte dan de overeengekomen arbeidsuren. Zoals de kantonrechter in het tussenvonnis van 10 maart 2026 heeft beslist, moet Zorg-Advies de overuren die [eiser] heeft gewerkt aan [eiser] uitbetalen.
[eiser] heeft gesteld dat zij van mei 2022 tot en met september 2022 102,56 overuren heeft gewerkt. Zorg-Advies heeft het aantal gewerkte overuren niet betwist. De vordering tot betaling van € 1.538,72 aan overuren zal dus worden toegewezen.
Verder heeft [eiser] gesteld dat Zorg-Advies over de maanden waarin zij ziek was, te weten oktober 2022, november 2022, januari 2023, februari 2023 en maart 2023 te weinig loon heeft uitbetaald. Zorg-Advies erkent dat er over deze maanden te weinig loon is uitbetaald, maar tussen partijen is in geschil hoeveel loon er te weinig is uitbetaald.
Zoals de kantonrechter in het tussenvonnis van 10 maart 2026 heeft overwogen, zal voor het bepalen van de arbeidsomvang tijdens ziekte worden uitgegaan van een referteperiode van zes maanden. [eiser] is op 21 oktober 2022 ziekgemeld. Bepalend is dus de gemiddelde maandelijkse arbeidsomvang vanaf april 2022 tot en met september 2022.
[eiser] heeft de weekstaten van deze periode overgelegd. Op basis van die weekstaten komt zij tot een gemiddeld aantal uren van 36,63 per week.
Zorg-Advies heeft ook urenregistraties voor de berekening van de arbeidsomvang overgelegd, maar heeft daarbij niet de urenregistratie voor de maand april 2022 overgelegd.
De kantonrechter gaat dan ook uit van de (complete) berekening van [eiser]. Een gemiddeld aantal uren van 36,63 per week leidt tot gemiddeld 36,63 x 52 / 12 = 158,73 uur per maand.
Van oktober 2022 tot en met februari 2023 gold een uurloon van € 14,99, wat leidt tot een bruto maandloon van € 2.379,36.
Als onweersproken staat vast dat [eiser] vanaf maart 2023 recht had op een uurloon van € 15,44, wat leidt tot een bruto maandloon van € 2.450,79 voor de maand maart 2023.
Tussen partijen staat vast hoeveel loon Zorg-Advies aan [eiser] heeft voldaan. Dat leidt tot het volgende overzicht.
Betaald (netto) Verschuldigd (bruto)
oktober 2022 € 1.762,82 € 2.379,36
november 2022 € 1.762,82 € 2.379,36
december 2022 € 0,00 € 2.379,36
januari 2023 € 1.762,82 € 2.379,36
februari 2023 € 1.762,82 € 2.379,36
maart 2023 € 1.821,92 € 2.450,79
Op grond van het voorgaande moet Zorg-Advies dus nog aan [eiser] betalen:
- € 1.538,72 bruto aan overuren;
- € 2.379,36 bruto aan salaris over december 2022;
- het netto-equivalent van het verschil tussen het verschuldigde brutoloon en het betaalde nettoloon over de maanden oktober en november 2022 en januari tot en met maart 2023.
[eiser] heeft ook recht op 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering over deze bedragen.
De wettelijke rente en de wettelijke verhoging
Tussen partijen is in geschil of Zorg-Advies de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het hiervoor toegewezen achterstallig loon en over de overige (volgens [eiser]) te laat uitbetaalde loontermijnen moet betalen.
[eiser] heeft gesteld dat het loon iedere maand te laat werd uitbetaald, omdat het loon iedere maand een maand later werd uitbetaald dan is overeengekomen.
Zorg-Advies heeft daartegen aangevoerd dat zij het loon op tijd heeft betaald en dat er daarom niet over iedere loonbetaling rente en wettelijke verhoging verschuldigd is.
De kantonrechter overweegt dat Zorg-Advies het loon op grond van artikel 5 van de arbeidsovereenkomst aan het eind van iedere maand moet voldoen. Ook in de twee door beide partijen ondertekende documenten genaamd ‘wijziging arbeidsovereenkomst’ staat dat het loon aan het eind van iedere maand moet worden voldaan. Volgens artikel 3.3. lid 1 van de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (V.V.T.) moet het loon uiterlijk twee dagen voor het einde van de maand worden voldaan, zondagen en feestdagen niet meegerekend. De vergoedingen voor bereikbaarheidsdiensten, vakantiebijslag, overwerk, onregelmatigheidstoeslagen en reiskosten moeten uiterlijk aan het einde van de volgende kalendermaand worden betaald. Van de afspraken in deze cao mag niet – en zeker niet ten nadele van de werknemer – worden afgeweken. De kantonrechter zal hierna dan ook uitgaan van een verplichting tot betaling van het basisloon uiterlijk twee dagen voor het einde van de maand, zondagen en feestdagen niet meegerekend.
[eiser] is op 1 oktober 2021 in dienst getreden. Zorg-Advies heeft het eerste loon op 29 november 2021 uitbetaald. Daarna is er op 30 december 2021 betaald, 1 februari 2022, 1 maart 2022 en zo verder gedurende de hele arbeidsovereenkomst. Zorg-Advies heeft het basisloon dus iedere maand ongeveer een maand later uitbetaald dan is overeengekomen.
Zorg-Advies heeft in haar akte na de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat partijen op grond van artikel 7:623 en 7:624 BW een andere afspraak hebben gemaakt, namelijk dat de uren die [eiser] werkte altijd in de daaropvolgende maand werden uitbetaald. Die afspraak blijkt echter nergens uit. Integendeel, zoals hiervoor is overwogen zijn partijen in de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat het loon aan het eind van iedere maand moet worden voldaan en blijkt uit de cao uitdrukkelijk dat het loon twee dagen voor het einde van de maand moet worden voldaan. Dit verweer van Zorg-Advies slaagt dus niet.
Zorg-Advies heeft verder aangevoerd dat [eiser] niet op tijd over de te late loonbetaling heeft geklaagd en daarmee niet heeft voldaan aan de op haar rustende klachtplicht, dan wel haar recht heeft verwerkt.
De kantonrechter stelt voorop dat op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad geldt dat de klachtplicht ook van toepassing is op loonvorderingen, waaronder vorderingen die zien op de betaling van overwerk. Volgens de Hoge Raad laat toepasselijkheid van de klachtplicht echter onverlet dat de aard en de inhoud van de rechtsverhouding en de aard en de inhoud van de prestatie wel behoren tot de omstandigheden van het geval, die van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of de schuldeiser aan de klachtplicht heeft voldaan.
De kantonrechter overweegt hierover dat [eiser] heeft gesteld dat zij aan het begin van de arbeidsovereenkomst heeft gevraagd naar het achterwege blijven van de eerste loonbetaling, maar dat Zorg-Advies aangaf dat het “binnen het bedrijf zo werkte”. Bovendien stelt zij dat zij nog niet voldoende Nederlands sprak en geen kennis had van de Nederlandse regelgeving. Ook bevond zij zich ten opzichte van Zorg-Advies in een afhankelijke positie en zij durfde haar baan en inkomen niet op het spel te zetten door een discussie aan te gaan over het moment van uitbetaling van haar loon, zo stelt [eiser].
Daartegenover heeft Zorg-Advies aangevoerd dat zij, als [eiser] had geklaagd, haar werkwijze had kunnen toelichten of haar werkwijze had kunnen bijstellen. Zorg-Advies stelt dat zij de lonen uitbetaalt op basis van een gangbaar en bestendig systeem.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op de klachtplicht niet slaagt. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat zij aan het eind van haar eerste maand heeft gevraagd naar het uitblijven van een loonbetaling. Het antwoord van Zorg-Advies dat ‘dat is hoe het binnen het bedrijf gaat’, en de toelichting die Zorg-Advies daarover ter zitting heeft gegeven, maken het naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk dat Zorg-Advies haar werkwijze zou hebben aangepast als [eiser] vaker of op formelere wijze had geklaagd. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat uit de omstandigheden van het geval volgt dat van [eiser] in het kader van de klachtplicht niet te veel kan worden verwacht. Zij is werknemer en afhankelijk van haar werk en haar inkomen. Bovendien had [eiser] geen vast contract, waardoor zij een groter risico liep wanneer zij zou (blijven) klagen dan wanneer zij een contract voor onbepaalde tijd zou hebben gehad. Naar het oordeel van de kantonrechter kan Zorg-Advies daarom geen beroep doen op schending van de klachtplicht.
Van rechtsverwerking is in deze situatie evenmin sprake. Gedurende de arbeidsovereenkomst mocht [eiser] nog hopen op – in ieder geval – een volledige afrekening en na het einde van de arbeidsovereenkomst heeft (de gemachtigde van) [eiser] al op 11 mei 2023 een eerste brief naar Zorg-Advies verzonden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] zich kan beroepen op de gevolgen van de te late loonbetaling door Zorg-Advies.
De wettelijke rente over de loontermijnen (inclusief de overuren, de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) zal worden toegewezen vanaf twee dagen voor het einde van iedere maand (zondagen en feestdagen niet meegerekend) tot de dag van volledige betaling.
De kantonrechter zal de wettelijke verhoging matigen. Zoals het debat tussen wel partijen duidelijk maakt, kan de manier waarop Zorg-Advies het loon heeft betaald op twee manieren worden bekeken. Ofwel is het loon iedere maand te laat betaald, ofwel heeft Zorg-Advies de eerste maand het loon niet betaald en heeft zij die achterstand nooit ingehaald. Echter heeft Zorg-Advies ter zitting zelf ook erkend dat ieder maandloon een maand later wordt betaald en dat zij bezig is om die werkwijze aan te passen. Verder overweegt de kantonrechter dat [eiser], afgezien van de eerste maand, wel iedere maand een loonbetaling ontving, maar uiteindelijk één loontermijn (nog) niet heeft ontvangen.
Over de hiervoor in 2.20. toegewezen achterstallige loonbetalingen (het loon van december 2022, de overuren en het tekort aan loon tijdens de ziekte van [eiser]) is Zorg-Advies een wettelijke verhoging van ruim € 3.300,00 verschuldigd (uitgaande van 50% wettelijke verhoging, omdat dit loon in zijn geheel niet is betaald). Daarbij komt de wettelijke verhoging over de overige, feitelijk steeds te laat betaalde loontermijnen. Daarover zal de kantonrechter de wettelijke verhoging matigen. Naar het oordeel van de kantonrechter is een wettelijke verhoging van in totaal € 7.000,00 bruto passend.
De wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf 19 augustus 2025 (veertien dagen na de dag van dagvaarding), omdat [eiser] Zorg-Advies niet eerder een termijn heeft gesteld waarbinnen Zorg-Advies de wettelijke verhoging uiterlijk moest betalen.
Openstaande verlofuren
[eiser] stelt dat Zorg-Advies niet alle openstaande verlofuren heeft uitbetaald. Zij stelt dat zij een verlofsaldo van 316,01 uren had, waarvan bij het einde van de arbeidsovereenkomst slechts 43,92 uren zijn uitbetaald.
Zorg-Advies voert aan dat het overzicht, waarop [eiser] het aantal verlofuren eind 2022 baseert niet klopt. Verder heeft Zorg-Advies de verlofuren over de overuren afgeboekt en daarnaast nog eens 47,24 uur afgeboekt omdat [eiser] maar 36 uur mocht meenemen naar 2023, aldus Zorg-Advies.
De kantonrechter overweegt dat de verlofkaarten met het verlofsaldo van eind 2022 die [eiser] en Zorg-Advies hebben overgelegd van elkaar verschillen. De kantonrechter zal uitgaan van het overzicht dat [eiser] heeft overgelegd, omdat, zoals [eiser] onweersproken stelt, zij haar verlofoverzicht enkel kon raadplegen en niet kon wijzigen. De kantonrechter gaat dus uit van een verlofsaldo van 232,39 uur eind 2022.
Zorg-Advies heeft aangevoerd dat zij de verlofuren over de overuren heeft afgeboekt, maar gelet op hetgeen in het tussenvonnis van 10 maart 2026 en in dit vonnis is overwogen, heeft [eiser] recht op betaling van haar overuren en dus ook op de verlofuren over die overuren.
Ook het verweer dat [eiser] te veel uren had om ‘mee te mogen nemen’ naar 2023 en dat Zorg-Advies daarom verlofuren heeft afgeboekt, slaagt niet. Zorg-Advies heeft in 2022 kennelijk besloten dat medewerkers maximaal 36 verlofuren mochten meenemen naar 2023, maar Zorg-Advies heeft enkel een e-mail met interne afspraken over een concept verbeterplan overgelegd, waaruit niet blijkt dat dit besluit met medewerkers is gedeeld. Het gaat dus om een eenzijdig besluit van Zorg-Advies, niet om een (nadere) afspraak met [eiser]. [eiser] heeft dus ook recht op de verlofuren die Zorg-Advies eenzijdig heeft afgeboekt.
De berekening van de verlofuren die [eiser] heeft gemaakt, klopt echter niet volledig, omdat zij over 2023 van een te hoge gemiddelde arbeidsomvang uit gaat. Bovendien is [eiser] in haar berekening nog uitgegaan van een arbeidsovereenkomst tot en met april 2023. De kantonrechter komt op een aantal van 60,4 verlofuren over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023. Samen met de verlofuren die [eiser] eind 2022 had, komt dat neer op 292,79 verlofuren. Verminderd met de reeds betaalde verlofuren (43,92) moet Zorg-Advies nog 248,87 verlofuren uitbetalen. Dat komt neer op een bedrag van € 3.739,62 (228,74 x € 14,99) + (20,13 x € 15,44). Zorg-Advies moet over dit bedrag ook de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering betalen.
De wettelijke rente over de verlofuren zal worden toegewezen vanaf 1 mei 2023 tot de dag van volledige betaling.
(Aanvullende) transitievergoeding
[eiser] vordert een bedrag van € 349,79 aan aanvullende transitievergoeding. Volgens [eiser] heeft zij een bedrag van € 1.212,88 aan transitievergoeding ontvangen, terwijl zij recht heeft op een transitievergoeding van € 1.562,62.
Zorg-Advies heeft tegen het verzoek tot betaling van de transitievergoeding geen verweer gevoerd.
De kantonrechter stelt voorop dat, hoewel het verzoek om betaling van de transitievergoeding buiten de wettelijke vervaltermijn van drie maanden is gedaan, [eiser] ontvankelijk is in haar verzoek. Partijen zijn namelijk overeengekomen dat [eiser] ook na verloop van de vervaltermijn recht zou blijven houden op de transitievergoeding indien zou blijken dat [eiser] een hogere loonaanspraak en daarmee recht op een hogere transitievergoeding heeft. De kantonrechter zal de vervaltermijn dus niet toepassen.
De kantonrechter zal bij de berekening van de transitievergoeding uitgaan van het hiervoor berekende salaris van € 2.450,79 op basis van de gemiddelde arbeidsomvang voorafgaand aan de ziekteperiode van [eiser], te vermeerderen met de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Dat is € 2.851,00. Dat leidt tot een transitievergoeding van € 1.425,50. Gelet op het al aan [eiser] betaalde bedrag van € 1.212,88 zal Zorg-Advies worden veroordeeld om een bedrag van € 212,62 bruto aan [eiser] te betalen.
De wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen vanaf 1 mei 2023 tot de dag van volledige betaling (artikel 7:686a lid 1 BW).
Reiskostenvergoeding en gedeclareerde reiskosten
Zorg-Advies heeft erkend dat zij nog een bedrag van € 604,08 netto aan kilometervergoeding aan [eiser] moet betalen. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 18 juli 2024 (de dag waarop Zorg-Advies heeft erkend dat zij dit bedrag verschuldigd is) tot de dag van volledige betaling.
[eiser] heeft ook een bedrag van € 914,32 aan reeds gedeclareerde reiskosten gevorderd. Volgens [eiser] heeft Zorg-Advies haar reiskostenvergoeding uitbetaald, maar heeft zij het bedrag van € 914,32 vervolgens onterecht weer op haar loon ingehouden.
Zorg-Advies heeft gesteld dat zij dit bedrag op het loon van [eiser] heeft ingehouden, omdat [eiser] een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer ontving, maar daarnaast ook zakelijke reizen heeft gedeclareerd. [eiser] kon naar kantoor reizen en vanaf daar met een dienstauto van Zorg-Advies zakelijke reizen (dienstreizen) naar cliënten maken. Reiskosten die zij maakte door vanaf kantoor naar cliënten te reizen, kon zij declareren. Zij heeft van februari 2022 tot en met oktober 2022 echter dubbel gedeclareerd door de reiskosten vanaf haar huis naar cliënten te declareren terwijl zij ook een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer ontving. Daarom is een bedrag van € 914,32 op het loon van [eiser] ingehouden.
Volgens [eiser] waren er vaak geen dienstauto’s beschikbaar. Ook voert zij aan dat het reizen naar cliënten niet onder woon-werkverkeer valt. Bovendien declareerde zij de reis naar cliënten vanaf kantoor en niet vanaf haar huis, aldus [eiser]. Ook stelt [eiser] veel reiskosten te hebben gemaakt tijdens de begeleiding van cliënten tijdens haar werk.
De kantonrechter stelt voorop dat partijen in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen dat reiskosten worden vergoed conform de cao V.V.T. 2019-2021.
In deze cao is bepaald dat een werknemer recht heeft op een vergoeding voor woon-werkverkeer (vanaf de thuislocatie naar de vaste werklocatie). Daarnaast is bepaald dat indien de werknemer werkzaam is bij cliënten in de wijk en rechtstreeks vanaf de woning naar de cliënt(en) reist, de werknemer een reiskostenvergoeding ontvangt in verband met de reiskosten naar de cliënt(en).
De kantonrechter overweegt dat het inhouden van reeds betaalde reiskostenvergoeding door Zorg-Advies neerkomt op een verrekening van een (volgens Zorg-Advies) onverschuldigd aan [eiser] betaald bedrag. Zorg-Advies moet dus stellen en onderbouwen dat zij het bedrag van € 914,32 onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald.
Naar het oordeel van de kantonrechter stelt Zorg-Advies terecht dat het niet is toegestaan om een vergoeding voor woon-werkverkeer èn een vergoeding voor de reiskosten vanaf het thuisadres naar een cliënt te declareren. [eiser] heeft volgens de cao immers recht op een vergoeding voor woon-werkverkeer òf een vergoeding vanaf het thuisadres naar de (eerste) cliënt. Ook als er geen dienstauto was en [eiser] rechtstreeks vanuit huis naar cliënten reed, is er geen grond voor het declareren van een vergoeding van woon-werkverkeer èn een vergoeding voor de reiskosten vanaf het thuisadres naar een cliënt. Zorg-Advies heeft echter, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser], onvoldoende onderbouwd dat [eiser] op die manier werkelijk te veel kilometers heeft gedeclareerd. Zorg-Advies heeft overzichten overgelegd waaruit volgens haar blijkt hoeveel kilometers [eiser] heeft geregistreerd en op welke kilometervergoedingen [eiser] recht zou hebben. Uit die overzichten blijkt echter niet waarop deze cijfers zijn gebaseerd, welke cliënten [eiser] op welke dag heeft bezocht of hoe Zorg-Advies het aantal kilometers waar [eiser] recht op zou hebben anders heeft berekend, terwijl [eiser] gemotiveerd heeft betwist waarom het voorbeeld van Zorg-Advies niet klopt. Zorg-Advies heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat zij een bedrag van € 914,32 onverschuldigd heeft betaald en mocht verrekenen met het loon van [eiser]. De vordering van [eiser] tot (terug)betaling van het bedrag van € 914,32 (netto) zal dus worden toegewezen.
De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 1 mei 2023 tot de dag van volledige betaling.
In mindering te brengen bedragen
[eiser] heeft gesteld dat Zorg-Advies een bedrag van € 818,43 bruto en een bedrag van € 57,05 netto heeft betaald dat in mindering kan strekken op de toe te wijzen vordering. De kantonrechter zal dan ook bepalen dat deze bedragen op de toegewezen bedragen in mindering moeten worden gebracht.
Specificaties
Zorg-Advies heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering tot afgifte van bruto/netto specificaties ten aanzien van de hiervoor toegewezen bedragen aan achterstallig loon inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, wettelijke verhoging, verlofuren, en transitievergoeding. De vordering tot afgifte van de specificaties zal worden toegewezen.
De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. De kantonrechter heeft onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat Zorg-Advies na een veroordelend vonnis niet aan de veroordeling tot afgifte van de specificaties zal voldoen.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Er zijn verschillende brieven naar Zorg-Advies gestuurd. Aan de hand van het totaal aan hiervoor toegewezen bedragen en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt een bedrag van € 1.165,84 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing in aanmerking.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
De proceskosten
Zorg-Advies wordt in deze procedure grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Deze worden begroot op:
kosten dagvaarding € 148,04
griffierecht € 732,00
salaris gemachtigde € 1.442,50 (2,5 punten x tarief € 577,00)
nakosten € 135,00
totaal € 2.457,54
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Zorg-Advies om aan [eiser] te betalen:
- € 1.538,72 bruto aan overuren;
- € 2.379,36 bruto aan salaris over december 2022;
- het netto-equivalent van het verschil tussen het verschuldigde brutoloon en het betaalde nettoloon over de maanden oktober en november 2022 en januari tot en met maart 2023;
alle te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering, en het bedrag inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf twee dagen voor het einde van iedere maand tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Zorg-Advies om een bedrag van € 7.000,00 bruto aan wettelijke verhoging aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Zorg-Advies om een bedrag van € 3.739,62 bruto aan verlofuren te betalen, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering, en het bedrag inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Zorg-Advies om een bedrag van € 212,62 bruto aan aanvullende transitievergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Zorg-Advies om een bedrag van € 604,08 netto aan kilometervergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Zorg-Advies om een bedrag van € 914,32 netto aan onterecht ingehouden reiskostenvergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoel in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
bepaalt dat een bedrag van € 818,43 bruto en een bedrag van € 57,05 netto door Zorg-Advies in mindering mogen worden gebracht op de door haar te betalen bedragen;
veroordeelt Zorg-Advies om over te gaan tot afgifte van een bruto/netto specificatie ten aanzien van de bedragen onder 3.1. tot en met 3.4.;
veroordeelt Zorg-Advies om een bedrag van € 1.165,84 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Zorg-Advies in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.457,54, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.(SB)