ECLI:NL:RBOVE:2026:5050

ECLI:NL:RBOVE:2026:5050

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer ak_25_1464
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verzoek om schadevergoeding. Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht biedt geen grondslag voor het toekennen van schadevergoeding, omdat niet is gebleken dat verweerder ten aanzien van de stopzetting van eisers ziekengeldvergoeding per 1 december 2024 een onrechtmatig besluit heeft genomen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1464

hierna te noemen: [eiser],

en

hierna te noemen: de SVB.

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van [eiser] om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door de beslissing van de SVB om zijn recht op ziekengeld-vergoeding per 1 december 2024 stop te zetten. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat niet is gebleken dat de SVB met betrekking tot die stopzetting een onrechtmatig besluit heeft genomen en dat alleen al daaruit volgt dat [eiser] op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in aanmerking komt voor een schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Procesverloop

Bij brief van 16 mei 2025, door de rechtbank ontvangen op 19 mei 2025, heeft [eiser] de rechtbank gevraagd om de SVB te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden door de beslissing van de SVB om zijn ziekengeldvergoeding per

1 december 2024 stop te zetten.

De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding op 17 juni 2026 op zitting behandeld. [eiser] is, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1].

Beoordeling door de rechtbank

Verzoeken ontheffing betalen griffierecht

De rechtbank stelt allereerst vast dat [eiser] in deze procedure twee keer een verzoek heeft ingediend om wegens betalingsonmacht te worden vrijgesteld van het betalen van het voor deze zaak verschuldigde griffierecht: één keer met het indienen van het verzoek om schadevergoeding op 19 mei 2025 en één keer op 4 juni 2026.

Het eerste verzoek om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht heeft de rechtbank per brief van 26 mei 2025 afgewezen, omdat uit de door [eiser] verstrekte gegevens blijkt dat hij niet voldoet aan de criteria om voor zo’n vrijstelling in aanmerking te komen. Daarna heeft [eiser] het voor deze zaak verschuldigde griffierecht betaald.

Bij het verzoek om vrijstelling van het griffierecht dat [eiser] op 4 juni 2026 heeft ingediend heeft hij stukken gevoegd die betrekking hebben op zijn financiële situatie in 2023. Alleen al hieruit volgt dat hij met deze stukken niet heeft aangetoond dat hij medio 2025, toen hij het griffierecht moest betalen, voldeed aan de criteria om in aanmerking te komen voor ontheffing van het betalen van het griffierecht. De rechtbank wijst daarom ook het tweede verzoek van [eiser] voor ontheffing van het betalen van het griffierecht af.

Aanleiding tot het verzoek om schadevergoeding

[eiser] heeft op 21 augustus 2019 met [naam 2] (hierna: de zorgverlener) een zorgovereenkomst afgesloten. Deze zorgovereenkomst ging in op 1 augustus 2019 en is afgesloten voor onbepaalde tijd.

Op 7 mei 2024 heeft [eiser] bij de SVB gemeld dat de zorgverlener sinds die datum ziek is. Hierop heeft de SVB per brief van 10 mei 2024 aan [eiser] meegedeeld dat de ziekmelding is doorgegeven aan de arbodienst. Ook staat in die brief dat [eiser] verplicht is om het loon van de zorgverlener maximaal 104 weken door te betalen en dat hij daarvoor ziekengeldvergoeding krijgt. Uit het dossier blijkt dat de SVB vanaf mei 2024 deze ziekengeldvergoeding heeft uitgekeerd. Verder heeft de SVB aan [eiser] meegedeeld dat hij het budget dat hij op grond van de Zorgverzekeringswet ontvangt, kan gebruiken om een vervangende zorgverlener te betalen.

Bij brief van 17 oktober 2024 heeft de SVB aan [eiser] meegedeeld dat de zorgverlener onvoldoende heeft meegewerkt aan de verzuimbegeleiding, doordat zij niet op geplande afspraken bij de bedrijfsarts van de arbodienst is geweest en ook telefonisch niet bereikbaar was. In deze brief staat onder meer dat [eiser] als werkgever er verantwoordelijk voor is dat de zorgverlener zo snel mogelijk weer aan het werk gaat en dat het voor de loondoorbetaling aan de zorgverlener belangrijk is dat zij meewerkt aan de verzuim-begeleiding. Als zij dat niet doet, dan is [eiser] niet langer verplicht om het loon door te betalen. Ook staat in de brief van 17 oktober 2024 dat als uit het volgende voortgangsgesprek van de arbodienst blijkt dat [eiser] of de zorgverlener niet of onvoldoende meewerkt aan de verzuimbegeleiding, [eiser] geen ziekengeldvergoeding meer krijgt.

Bij brief van 22 november 2026 heeft de SVB [eiser] meegedeeld dat de zorgverlener opnieuw onvoldoende heeft meegewerkt aan de verzuimbegeleiding, doordat zij op 16 en 22 oktober 2024 niet op geplande afspraken bij de bedrijfsarts is geweest en ook telefonisch niet bereikbaar was. Ook is [eiser] meegedeeld dat de arbodienst een nieuwe afspraak voor de zorgverlener heeft ingepland, op 27 november 2024. Mocht de zorgverlener weer niet of onvoldoende meewerken, dan heeft [eiser] vanaf 1 december 2024 geen recht meer op ziekengeldvergoeding, zo staat in de brief van 22 november 2024. Ook staat in die brief wat [eiser] als werkgever kan doen en dat, als de zorgverlener dan nog steeds niet meewerkt, hij niet langer verplicht is om het loon door te betalen.

Bij besluit van 3 januari 2025 heeft de SVB aan [eiser] meegedeeld dat hij voor de maand december 2024 geen ziekengeldvergoeding krijgt, omdat de zorgverlener onvoldoende heeft meegewerkt aan de verzuimbegeleiding. Zij was op 27 november 2024 namelijk weer niet bereikbaar voor het geplande consult bij de arbodienst. De arbodienst heeft daarom de begeleiding van de zorgverlener gestopt tot [eiser] in overleg met de casemanager/verzuimcoach een nieuwe afspraak laat inplannen. Ook heeft de SVB in het besluit van 3 januari 2025 aangegeven dat [eiser] niet langer verplicht is om de zorgverlener door te betalen, mits aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan, en dat als [eiser] en de zorgverlener weer aan de verzuimbegeleiding meewerken, [eiser] weer recht heeft op ziekengeldvergoeding.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van zijn ziekengeldvergoeding per 1 december 2024. Dit bezwaar heeft hij daarna ingetrokken. Bij brief van 7 april 2025 heeft de SVB de intrekking van het bezwaar bevestigd.

Het verzoek om schadevergoeding

5. Naar aanleiding van de stopzetting van zijn ziekengeldvergoeding per 1 december 2024 heeft [eiser] op 19 mei 2025 het verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank ingediend waar het in deze zaak om gaat. Hierin vraagt hij om een schadevergoeding van € 18.183,92. Dat is volgens hem het bedrag dat hij in de periode van 1 december 2024 tot en met 7 mei 2026 is misgelopen door de stopzetting van zijn ziekengeldvergoeding. In het verzoek om schadevergoeding en de aanvullende stukken die hij daarna heeft ingediend, heeft [eiser] toegelicht waarom hij vindt dat de SVB zijn ziekengeldvergoeding ten onrechte per 1 december 2024 heeft stopgezet. Daarbij heeft hij zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij tegen die stopzetting niet in bezwaar kon gaan, omdat de brief van

22 november 2024 volgens hem geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is.

Beoordeling van het verzoek om schadevergoeding

6. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijkste wetsartikelen staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Verzoek aan de SVB om schadevergoeding

De rechtbank stelt vast dat [eiser] niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb. Hij heeft namelijk niet ten minste acht weken vóór het indienen van dit verzoek om schadevergoeding aan de SVB gevraagd om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden door de stopzetting van zijn ziekengeldvergoeding per

1 december 2024.

Wel heeft [eiser] zo’n verzoek op 8 oktober 2025 bij de SVB ingediend. Bij besluit van 11 februari 2026 heeft de SVB dit verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat volgens de SVB geen sprake is van onrechtmatig handelen en/of van een onrechtmatig besluit op basis waarvan een schadevergoeding zou moeten worden toegekend. Daarnaast heeft [eiser] volgens de SVB zijn schadeverzoek onvoldoende onderbouwd, onder meer doordat hij niet heeft aangegeven op welke manier de door hem gestelde schade door de SVB zou zijn veroorzaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] met het alsnog indienen van het verzoek om schadevergoeding bij de SVB op 8 oktober 2025, het gebrek in het verzoek om schadevergoeding van 16 mei 2025 hersteld. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van dat schadeverzoek wegens het niet voldoen aan artikel 8:90, tweede lid, van de Awb ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek om schadevergoeding van [eiser]

Daargelaten de vraag of de brief van 22 november 2024 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat de stopzetting van de ziekengeldvergoeding per 1 december 2024 onrechtmatig is geweest. Niet is gebleken dat de SVB daarover een onrechtmatig besluit heeft genomen of onrechtmatige handelingen ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit heeft verricht. Daarbij merkt de rechtbank dat [eiser] in ieder geval wel kon opkomen tegen het besluit van 3 januari 2025, waarin de SVB de ziekengeldvergoeding daadwerkelijk heeft stopgezet. Feitelijk is [eiser] ook tegen dat besluit opgekomen, ware het niet dat hij zijn bezwaar tegen dat besluit later weer heeft ingetrokken. Dat bezwaar heeft dan ook niet geleid tot een herroeping door de SVB van het besluit tot stopzetting van de ziekengeldvergoeding.

Nu niet is gebleken van een onrechtmatig besluit met betrekking tot de stopzetting van de ziekengeldvergoeding, volgt alleen al daaruit dat [eiser] op grond van artikel 8:88 van de Awb niet in aanmerking komt voor een schadevergoeding als gevolg van die stopzetting. De rechtbank zal zijn verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.

Gelet op het voorgaande kan de vraag of [eiser] door de stopzetting van de ziekengeldvergoeding per 1 december 2024 daadwerkelijk schade heeft geleden verder onbesproken blijven.

Verzoek om schadevergoeding namens de zorgverlener

9. [eiser] heeft onder meer in zijn aanvullend stuk van 9 februari 2026 gewezen op de belangen van de zorgverlener en ook namens haar een verzoek om schadevergoeding ingediend. Dat verzoek om schadevergoeding valt echter buiten de omvang van deze zaak. Dit geschil is gestart met het verzoek om schadevergoeding dat [eiser] op 19 mei 2025 bij de rechtbank voor zichzelf heeft ingediend en alleen over dat verzoek neemt de rechtbank in deze uitspraak een beslissing. [eiser] kan de omvang van het geschil niet gedurende de procedure uitbreiden. Wat [eiser] onder meer in zijn brief van 9 februari 2026 naar voren heeft gebracht over de zorgverlener en het daarin namens haar gedane verzoek om schadevergoeding laat de rechtbank daarom verder buiten beschouwing.

Conclusie en gevolgen

Artikel 8:88, eerste lid, van de Awb biedt geen grondslag voor het toekennen van schadevergoeding, omdat niet is gebleken dat de SVB ten aanzien van de stopzetting van zijn ziekengeldvergoeding per 1 december 2024 een onrechtmatig besluit heeft genomen. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen. Dit betekent dat [eiser] geen schadevergoeding krijgt.

Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, hoeft de SVB het door [eiser] betaalde griffierecht niet aan hem te vergoeden. Ook bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding aan [eiser].

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze zaak relevante wetsartikelen

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:88

1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.

Artikel 8:90

1. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.

2. Ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift vraagt de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

Artikel 8:92

1. Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

2. Bij het verzoekschrift worden zo mogelijk een afschrift van het schadeveroorzakende besluit waarop het verzoekschrift betrekking heeft, en van het verzoek, bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, overgelegd.

3. Artikel 6:5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand