RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 11825516 \ CV EXPL 25-2350
Vonnis van 6 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
eisende partij, hierna te noemen Zilveren Kruis,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,wonende in [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
verschenen in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2025;
- de schriftelijke reactie van [gedaagde], aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek, tevens akte vermeerdering van eis;
- de schriftelijke reactie van [gedaagde], aangemerkt als conclusie van dupliek.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. De beoordeling
[gedaagde] heeft een zorgverzekering bij Zilveren Kruis. Zij heeft een achterstand laten ontstaan in de betaling van de premies.
Zilveren Kruis wil – na vermeerdering van eis – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om een bedrag van € 2.466,48 aan Zilveren Kruis te betalen. Dat bedrag bestaat uit € 2.131,50 aan achterstallige premies, € 31,02 aan wettelijke rente tot en met 15 juli 2025 en € 303,96 aan buitengerechtelijke incassokosten. Verder wil Zilveren Kruis dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de wettelijke rente vanaf 9 juli 2025 over de (op dat moment openstaande hoofdsom van € 1.674,75 te betalen, en dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
[gedaagde] heeft erkend dat zij een betalingsachterstand heeft. [gedaagde] heeft gevraagd of zij de achterstand in maandelijkse termijnen kan betalen.
Omdat [gedaagde] heeft erkend dat zij de bedragen die Zilveren Kruis vordert, verschuldigd is, zal de kantonrechter de vordering van Zilveren Kruis toewijzen en [gedaagde] veroordelen om een bedrag van € 2.131,50 aan Zilveren Kruis te betalen. De kantonrechter kan niet bepalen dat [gedaagde] de achterstand in maandelijkse termijn mag betalen, omdat Zilveren Kruis dat, als schuldeiser, zelf mag bepalen (dat staat in artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek). [gedaagde] kan natuurlijk wel zelf met Zilveren Kruis contact opnemen om tot een betalingsregeling te (proberen te) komen.
Omdat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft en daardoor bedragen te laat heeft betaald, moet zij ook de wettelijke rente betalen. De wettelijke rente wordt toegewezen voor een bedrag van € 31,02 tot en met 15 juli 2025, en vanaf 16 juli 2025 over de (op dat moment achterstallige) factuurbedragen van € 1.674,75.
Zilveren Kruis heeft [gedaagde] op 14 mei 2025 voor een achterstallig bedrag van € 1.674,75 een aanmaning gestuurd die aan de wettelijke vereisten voldoet. De buitengerechtelijke incassokosten worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegewezen voor een bedrag van € 303,96.
In totaal moet [gedaagde] dus een bedrag van € 2.131,50 + € 31,02 + € 303,96 = € 2.466,48 aan Zilveren Kruis betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 tot de dag van volledige betaling over de (op dat moment achterstallige) factuurbedragen van € 1.674,75.
[gedaagde] wordt in deze procedure veroordeeld om de door Zilveren Kruis gevorderde bedragen te betalen. Dat betekent dat zij ongelijk krijgt. [gedaagde] moet daarom de proceskosten van Zilveren Kruis betalen. De proceskosten worden begroot op:
kosten dagvaarding € 146,83
griffierecht € 385,00
salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten x salaristarief € 204,00)
nakosten € 102,00 (½ punt x salaristarief € 204,00)
totaal € 1.041,83
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 2.466,48 aan Zilveren Kruis te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.674,75 vanaf 16 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Zilveren Kruis begroot op € 1.041,83;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026. (SB)