RECHTBANK OVERIJSSEL
Familierecht
locatie Zwolle
zaaknummer: C/08/348558 / FA RK 26-1371
Beschikking van 18 augustus 2026
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. Cupido,
en
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J. Engels.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vader (met bijlagen 1 tot en met 4) binnengekomen op 8 juni 2026;
het verweerschrift van de moeder (met bijlagen 1 en 2) binnengekomen op 2 juli 2026 en
bijlagen 5 tot en met 8 van de vader, binnengekomen op 3 juli 2026.
Op 3 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door mr. Cupido;
de moeder, bijgestaan door mr. Engels en
[medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad voor de Kinderbescherming, nader te noemen de raad.
2. De feiten
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2025.
De moeder heeft uit een eerdere relatie een minderjarige dochter, genaamd [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] .
De moeder verblijft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een woning in [woonplaats 2] . Van deze woning is de vader de huurder. De vader verblijft sinds april 2026 bij de oma van vaderszijde.
De vader heeft in beginsel iedere dag omgang met [minderjarige 1] , waarbij de vader [minderjarige 1] bij de moeder ophaalt en [minderjarige 1] weer naar de moeder terugbrengt.
De moeder heeft een huurovereenkomst ondertekend. Op basis van deze overeenkomst huurt de moeder met ingang van 8 juni 2026 een woning in [plaats 1] van Stichting Wetland Woning Groep.
3. De verzoeken
De vader verzoekt de rechtbank - na wijziging van het verzoek tijdens de mondelinge behandeling - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:wat betreft het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor een verhuizing:
I. de moeder te verbieden om, zonder schriftelijke toestemming van de vader dan wel
vervangende toestemming van de rechtbank, met [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats 1] of te
verhuizen buiten [woonplaats 2] ;
II. te bepalen dat de moeder, indien zij in strijd met het onder I. verzochte toch met [minderjarige 1] verhuist dan wel reeds is verhuisd vóór de beslissing van de rechtbank, gehouden is om binnen 48 uur na betekening van de te geven beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, met [minderjarige 1] terug te verhuizen naar [woonplaats 2] en [minderjarige 1] daar opnieuw in te schrijven in de Basisregistratie Personen, althans zijn gewone verblijfplaats daar te herstellen;
III. te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere dag of
gedeelte daarvan dat zij handelt in strijd met het onder I. en/of II. verzochte, met een
maximum van € 25.000,-;
Wat betreft de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] :
IV. een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vast te stellen waarbij [minderjarige 1] in de werkcyclus
van de vader van 10 dagen steeds op dag 8 vanaf 12.00 uur bij de vader verblijft tot
en met dag 10 rond 17.00 en daarnaast tussendoor op dag 4 van die werkcyclus
van 9.30 uur tot 12.30 uur, dan wel een zorgregeling zoals door de rechtbank in
goede justitie te bepalen, waarbij de vader [minderjarige 1] steeds ophaalt bij de moeder en [minderjarige 1] ook weer naar de moeder toebrengt met een verdeling van de zomervakantie bij
helfte waarbij [minderjarige 1] in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder verblijft en de
laatste drie weken bij de vader en in de oneven jaren andersom en waarin tijdens de
overige vakanties en de feestdagen de gewone zorgregeling doorloopt en de ouders
worden verwezen naar Samen Doen voor het hebben van gesprekken over opbouw
van de zorgregeling en naar Perspectiev voor het hebben van gesprekken over de
communicatie in hun ouderschap;
V. tot toewijzing van het verzoek van de moeder te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij haar is,
kosten rechtens.
Ter onderbouwing voert de vader aan dat de moeder niet hoeft te verhuizen, omdat hij bereid is te regelen dat de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de huurwoning van de vader kan blijven wonen. Deze huurwoning is geschikt voor bewoning door moeder met de twee kinderen; er is geen sprake van achterstallig onderhoud. De verhuizing is niet doordacht en onvoldoende voorbereid. [plaats 1] is een willekeurige plaats die op circa 48 kilometer van [woonplaats 2] ligt en waar de moeder niets en niemand heeft. De moeder heeft geen aandacht besteed aan de gevolgen voor het contact tussen [minderjarige 1] en de vader en/of tegemoetkomingen hierin voorgesteld. De vader heeft op dit moment dagelijks contact met [minderjarige 1] . Dat dit zo blijft, is voor [minderjarige 1] vanwege zijn nog jonge leeftijd erg belangrijk. Als de moeder wel verhuist, wil de vader dat de rechtbank bepaalt dat de moeder met [minderjarige 1] terugverhuist. Omdat de moeder zich niet aan de met Veilig Thuis gemaakte afspraken houdt en van mening is dat zij dingen zelf kan en mag bepalen, vreest de vader dat de moeder haar verhuisplannen sowieso zal doorzetten en is een dwangsom nodig.
De vader stelt over de zorgregeling dat het wenselijk is dat de procedure voor een periode van zes maanden wordt aangehouden om de ouders gelegenheid te geven onder begeleiding van Samen Doen de zorgregeling op te bouwen. Volgens de vader moet er veel contact tussen hem en [minderjarige 1] zijn. Wat betreft de communicatie tussen de ouders is hulpverlening door Perspektiev ingezet. 4. Het verweer met zelfstandige tegenverzoeken
De moeder voert verweer en dient een zelfstandig tegenverzoek in. Zij verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. het hoofdverblijf van [minderjarige 1] te bepalen op het adres van de moeder;
b. aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] te mogen verhuizen naar [plaats 1] ;
c. een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij wordt begonnen met een omgang van de vader op de achtste dag van de werkcyclus van de vader van 10.00 uur tot 18.00 uur, en zodra een en ander naar behoren verloopt en de moeder na twee jaar begint met de borstvoeding af te bouwen, dit uit te breiden van de achtste dag vanaf 10.00 uur tot op de negende dag tot 13.00 uur en de omgang in de vakanties en feestdagen als ouders gezamenlijk te bepalen.
Ter onderbouwing voert de moeder aan dat de verhuizing naar [plaats 1] in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Omdat de vader herhaalde malen heeft gedreigd haar uit de woning te zetten, is de moeder genoodzaakt geweest om andere woonruimte te verkrijgen. In de huidige huurwoning heeft de moeder langdurig in angst geleefd en wordt zij nog immer door de vader gecontroleerd. De woning is bovendien slecht onderhouden. In [plaats 1] kan zij een nieuwe start maken. Ook [minderjarige 2] kan niet wachten om de veel te kleine woning en de nare herinneringen achter zich te laten. De moeder wijst erop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het erg moeilijk is om andere woonruimte te krijgen. Zij had het geluk om via een spoedmodule in aanmerking te komen voor de ruimere en betaalbare woning in [plaats 1] .
De moeder stelt over de zorgregeling dat rekening moet worden gehouden met haar zorgen en bedenkingen over de opvoedvaardigheden en het gedrag van de vader en het feit dat zij in ieder geval tot het tweede levensjaar van [minderjarige 1] borstvoeding aan hem wil geven. Zij ziet begeleiding bij het maken van afspraken over de zorgregeling vanuit Samen Doen niet zitten, omdat in haar beleving de medewerker van Samen Doen meer op de vader is gericht dan op haar.
5. Het advies van de raad5.1. De raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] naar [plaats 1] te verhuizen af te wijzen. De beslissing over de zorgregeling adviseert de raad aan te houden in afwachting van het voorgenomen hulpverleningstraject. Volgens de raad heeft het de voorkeur om dit traject via de gemeentelijke toegang te laten lopen. De rechtbank en de raad zullen dan worden geïnformeerd over de uitkomst van het traject.
De raad licht zijn adviezen als volgt toe. De raad geeft allereerst aan dat hij er moeite mee heeft hoe het nu is gelopen. De moeder heeft plannen voor [plaats 1] en [minderjarige 2] weet hier al van en gaat er zelfs een beetje van uit dat die plannen doorgaan. De belangen van [minderjarige 2] botsen hier met de belangen van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft in [woonplaats 2] dagelijks contact met de beide ouders. Dit is in zijn belang. Het Nederlands Jeugdinstituut adviseert dat een jong kind minimaal twee dagen per week omgang heeft met beide ouders. De door moeder voorgestelde omgang vanuit [plaats 1] van een keer per tien dagen voldoet daar niet aan. Ook zorgt deze omgang voor een te lange reistijd voor [minderjarige 1] . Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij goed contact houdt met de beide ouders. Het is daarom in zijn belang dat wordt onderzocht of de moeder in het huis in [woonplaats 2] kan blijven wonen. Mogelijk kan de gemeente hierbij bemiddelen. De vader hoeft ook niet direct te vertrekken bij zijn moeder. Het is het beste als de situatie voorlopig blijft zoals hij is en dat vanuit die situatie wordt gewerkt aan een definitieve oplossing en aan de problemen tussen de ouders. In [woonplaats 2] is daarvoor al veel geregeld. Er kan ambulante hulp voor de opvoedingssituatie en systeemtherapie voor de communicatie tussen ouders worden geboden. Tijdens het traject kunnen de ouders afspraken maken over de zorgregeling. De raad vindt deze hulpverlening voor [minderjarige 1] belangrijk.6. De beoordeling
De vervangende toestemming voor de voorgenomen verhuizing 6.1. De ouders zijn samen belast met het gezag over [minderjarige 1] . Dit brengt mee dat de moeder voor een verhuizing met [minderjarige 1] van [woonplaats 2] naar [plaats 1] toestemming van de vader nodig heeft. Nu de vader deze toestemming niet heeft gegeven, kan de rechtbank beslissen op het verzoek van de moeder om aan haar vervangende toestemming te geven voor de verhuizing met [minderjarige 1] (artikel 1:253a BW).
De rechtbank moet een belangenafweging maken om te bepalen of er vervangende toestemming voor de verhuizing van de moeder met [minderjarige 1] verleend kan worden. Daarbij staat het belang van [minderjarige 1] voor de rechtbank voorop, maar ook alle andere omstandigheden en belangen van het geval moeten worden meegenomen en afgewogen (Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901, NJ 2008/414). De volgende omstandigheden en belangen kunnen een rol spelen en worden meegewogen:
het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;
de noodzaak om te verhuizen;
de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
e door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;
de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
de leeftijd van de minderjarige, zijn/haar mening en de mate waarin hij/zij geworteld is in zijn/haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;
of de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing geheel of deels worden gecompenseerd door de verhuizende ouder.
De rechtbank heeft de argumenten van de ouders afgewogen. De uitkomst van deze afweging is dat de moeder niet met [minderjarige 1] mag verhuizen. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij deze beslissing heeft genomen.
De rechtbank stelt voorop dat de moeder na de scheiding de vrijheid heeft om haar leven opnieuw in te richten. Maar de rechtbank vindt niet dat de moeder aannemelijk heeft gemaakt dat dit buiten [woonplaats 2] moet. Zij heeft gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader haar stellingen dat zij in [woonplaats 2] in angst heeft geleefd en dat de vader haar controleerde en nog steeds controleert niet voldoende onderbouwd. De rechtbank vindt verder dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat er voor haar een noodzaak is om met [minderjarige 1] naar [plaats 1] te verhuizen. De vader wil eraan meewerken dat de moeder de huurder wordt van de woning in [woonplaats 2] waar zij op dit met moment met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] woont. De moeder kan dan in [woonplaats 2] blijven wonen. Dat de verhuurder er niet mee akkoord gaat dat de moeder de huurder van de woning wordt, zoals de moeder heeft gesteld, is niet gebleken. Zo zijn er geen stukken van de verhuurder naar de rechtbank opgestuurd. De moeder heeft nog aangevoerd dat de woning in [woonplaats 2] te klein is en achterstallig onderhoud heeft, maar ook dat is niet gebleken. De woning in [woonplaats 2] is 76 m² groot en heeft drie slaapkamers. Dit is groot genoeg om met een gezin van drie personen in te wonen. Van achterstallig onderhoud in de woning heeft de moeder niets laten zien. Zij had dat als ouder die wil verhuizen wel moeten doen, omdat de vader ontkent dat van achterstallig onderhoud sprake is. Overigens is de rechtbank van oordeel dat als er achterstallig onderhoud aan de woning in [woonplaats 2] zou zijn dit een onvoldoende te respecteren belang is voor een verhuizing van de moeder en [minderjarige 1] naar de woning in [plaats 1] .
De moeder heeft bovendien onvoldoende moeite gedaan om een andere woning in of in de directe omgeving van [woonplaats 2] te vinden. Zij heeft slechts laten zien dat zij op twee woningen in de directe omgeving van [woonplaats 2] heeft gereageerd. De rechtbank vindt dit onvoldoende.
Verder oordeelt de rechtbank dat de moeder de verhuizing onvoldoende heeft doordacht en voorbereid. De moeder is toevallig uitgekomen bij een woning in [plaats 1] . Zij heeft geen netwerk in [plaats 1] of op een andere manier een band met deze plaats. De huurovereenkomst voor de woning in [plaats 1] heeft de moeder ondertekend zonder daar eerst met de vader over te overleggen. Dit had zij niet mogen doen, aangezien de verhuizing grote gevolgen heeft voor het contact tussen [minderjarige 1] en de vader. Ook deze gevolgen die hierna worden besproken, weegt de rechtbank mee.
Als de moeder met [minderjarige 1] naar [plaats 1] verhuist, dan wordt hierdoor het contact tussen [minderjarige 1] en de vader belemmerd. Dit vanwege de afstand tussen [woonplaats 2] en [plaats 1] (ongeveer 48 kilometer) en de daardoor veroorzaakte reistijd (ongeveer 48 minuten voor een enkele reis per auto en ruim twee uur met het openbaar vervoer). De rechtbank is het met de raad eens dat dit niet in het belang van [minderjarige 1] is. [minderjarige 1] is een jong kind van anderhalf jaar oud. Voor hem is het belangrijk om veel contact met de beide ouders te hebben, zodat hij leert dat hij op hen beiden kan vertrouwen en zich aan hen beiden kan hechten. Frequent contact is in zijn belang zoals de raad aangeeft. [minderjarige 1] woont bij de moeder en ziet de vader nu dagelijks. Na de verhuizing is het voor [minderjarige 1] niet meer mogelijk om zoveel contact met de vader te hebben.
Bovendien zou het contact vanuit [plaats 1] onnodig belastend zijn voor [minderjarige 1] . De moeder heeft verklaard dat zij [minderjarige 1] vanuit [plaats 1] met het openbaar vervoer naar [plaats 2] kan brengen. De vader kan hem daar ophalen, met de auto meenemen naar [woonplaats 2] en aan het einde van de middag vanuit [woonplaats 2] weer terugbrengen naar [plaats 1] . Als dit voorstel van de moeder wordt uitgevoerd dan zal [minderjarige 1] op een dag meer dan drie uur moeten reizen om omgang met de vader te hebben. Dit is niet in zijn belang. De kans is groot dat [minderjarige 1] erg moe wordt van de lange reis en dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de omgang met de vader. De vader zal op zijn beurt ook ruim twee uur moeten reizen om een dag omgang met [minderjarige 1] te hebben. Dit kan niet van de vader worden verwacht, temeer nu hij op dit moment op tien minuten loopafstand van [minderjarige 1] woont.
De rechtbank neemt ook in haar overwegingen mee dat de communicatie tussen de ouders stroef gaat. De ouders hebben verschillende ideeën over onder andere het opvoeden van kinderen. Dit heeft in het verleden tot ruzies tussen hen geleid. Een van deze ruzies is zo uit de hand gelopen dat er een melding bij Veilig Thuis is gedaan. Ook nu nog zijn er spanningen tussen de ouders. De ouders hebben afgesproken dat zij met hulpverlening vanuit Perspektiev aan de communicatie tussen hen gaan werken om te leren de ruzies op een gepaste manier op te lossen. Het is belangrijk dat deze hulpverlening wordt ingezet om ervoor te zorgen dat er rust in de opvoedsituatie van [minderjarige 1] is. In [woonplaats 2] kan de hulpverlening op korte termijn starten. Het eerste gesprek is daarvoor al gepland. Niet gebleken is dat de hulpverlening ook vanuit [plaats 1] kan worden geboden. De moeder veronderstelt dat dit mogelijk is, maar zij heeft dit niet uitgezocht. Hierdoor bestaat het risico dat de hulpverlening bij een verhuizing naar [plaats 1] niet op gang komt. De communicatie tussen de ouders zal dan niet verbeteren. Als de ouders ver uit elkaar wonen, is het juist belangrijk dat zij goed met elkaar kunnen overleggen.
Gelet op wat er hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de moeder om in [plaats 1] een nieuwe start te maken niet opweegt tegen de andere omstandigheden en belangen die een rol spelen. De rechtbank begrijpt dat de moeder graag in een andere woning wil wonen dan in de huidige huurwoning, maar bij haar zoektocht naar een andere woning moet zij wel voldoende rekening houden met het belang van [minderjarige 1] . Dat heeft zij nu nog onvoldoende gedaan. Dat [minderjarige 2] zich mogelijk al op de verhuizing naar [plaats 1] heeft verheugd, leidt niet tot een ander oordeel. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij en de moeder [minderjarige 2] hebben ingeschreven op een middelbare school in [woonplaats 2] . De omstandigheid dat [minderjarige 2] in [plaats 3] naar school wil, weegt niet op tegen het belang van [minderjarige 1] om in [woonplaats 2] te wonen.
De conclusie is dat de rechtbank het verzoek van de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] naar [plaats 1] te verhuizen zal afwijzen. De hiervoor onder 3.1 vermelde verzoeken van de vader om de moeder te verbieden te verhuizen of verplichten terug te verhuizen (sub I en II) zal de rechtbank toewijzen. De dwangsom 6.12. De rechtbank zal aan het verbod om te verhuizen en de verplichting om terug te verhuizen een dwangsom verbinden. De moeder heeft door de huurovereenkomst voor de woning in [plaats 1] te ondertekenen concrete stappen gezet om met [minderjarige 1] te verhuizen zonder dat de vader of de rechtbank voor deze verhuizing (vervangende) toestemming aan haar had gegeven. De moeder had op grond van de wet voor een verhuizing met [minderjarige 1] wel toestemming van de vader of de rechtbank nodig. De rechtbank schat gelet op deze handelswijze van de moeder in dat er een kans is dat de moeder de beslissing van de rechtbank om haar geen vervangende toestemming voor de verhuizing te verlenen naast zich neer zal leggen. Dit vindt de rechtbank niet in het belang van [minderjarige 1] . Een dwangsom van € 250,- per (gedeeltelijk) overtreding van het verbod/gebod met een maximum van € 10.000,- is passend.
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] 6.13. De vader is ermee akkoord dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder wordt bepaald als de moeder niet mag verhuizen naar [plaats 1] . De rechtbank zal daarom de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder bepalen.
De zorgregeling 6.14. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling op advies van de raad afgesproken om het hulpverleningstraject via de gemeente te gaan volgen. De rechtbank heeft het aanmeldformulier van de ouders aan de gemeente toegestuurd.
Het doel van het hulpverleningstraject is dat:- er een goed lopende omgangsregeling en goed contact tussen de vader en de moeder met [minderjarige 1] is;
- ouders goed met elkaar communiceren;
- ouders het bestaande patroon dat hun samenwerking belemmert doorbreken en
- ouders goed met elkaar over de opvoeding overleggen.
De rechtbank wil door de gemeente worden geïnformeerd over het verloop en de uitkomst van het hulpverleningstraject voordat zij een beslissing over de zorgregeling neemt. De zaak wordt daarvoor zes maanden aangehouden.
Na ontvangst van de eindrapportage zal de rechtbank de advocaten van de ouders in de gelegenheid stellen om hierop schriftelijk te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.
De voorlopige zorgregeling 6.18. Voor de komende maanden waarin de rechtbank in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject nog geen definitieve beslissing over de zorgregeling neemt, bepaalt de rechtbank dat de omgang blijft zoals de ouders in het ondersteuningsplan onder regie van Samen Doen met elkaar hebben afgesproken. Dit betekent dat de vader eens per dag naar de woning van de moeder gaat om [minderjarige 1] te zien, waarbij de ouders samen afspreken wanneer de vader dit zal doen. De moeder laat [minderjarige 1] dan alleen met de vader, zodat er geen ruzie tussen de ouders ontstaat. De rechtbank gaat daarbij niet mee in het standpunt van de moeder dat Samen Doen vooral naar het belang van de vader kijkt. Samen Doen is een professionele organisatie waarvan de onpartijdigheid voor de rechtbank niet ter discussie staat.
7. De beslissing
De rechtbank:
verbiedt de moeder om met [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats 1] of buiten [woonplaats 2] ;
bepaalt dat de moeder als zij in strijd met dat verbod toch met [minderjarige 1] verhuist dan wel reeds is verhuisd, verplicht is om binnen 48 uur na betekening van deze beschikking met [minderjarige 1] terug te verhuizen naar [woonplaats 2] en [minderjarige 1] daar opnieuw in te schrijven in de Basisregistratie Personen, althans zijn gewone verblijfplaats daar te herstellen;
bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij handelt in strijd met de hiervoor onder 7.1en 7.2 vermelde beslissingen, met een maximum van € 10.000,-;
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder is;
verzoekt de gemeente uiterlijk op 18 februari 2027 of zoveel eerder als mogelijk, de eindrapportage over het verloop van het hulpverleningstraject aan de rechtbank en de raad toe te sturen;
stelt partijen in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure;
7.7. bepaalt dat de zorgregeling voorlopig, zolang de rechtbank daarover nog niet definitief heeft beslist, plaatsvindt op de manier die de ouders in het ondersteuningsplan onder regie van Samen Doen zijn overeengekomen;
7.8. houdt iedere verdere beslissing aan.Deze beschikking is gegeven door mr. A. Mul (voorzitter), mr. M. van Bruggen en mr. K. Van Leeuwen, (kinder)rechters, in aanwezigheid van A.H. Wiersma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
a. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
.