RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/349376 / KG ZA 26-159
Vonnis in kort geding van 20 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A.G. Baan,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van [eiser].
Tijdens de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026 is [eiser] verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. A.G. Baan. [gedaagde] is niet verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
Partijen zijn gescheiden. Ze zijn samen eigenaar van een woning in [plaats]. Partijen hebben in een vaststellingsovereenkomst afspraken gemaakt waarbij [gedaagde] een onherroepelijke machtiging heeft verleend aan [eiser] om de verkoop en levering van de woning te bewerkstelligen. [eiser] stelt dat [gedaagde] de verkoop feitelijk onmogelijk maakt. In deze procedure vraagt [eiser] de voorzieningenrechter o.a. om [gedaagde] te veroordelen de woning te ontruimen. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. De vorderingen komen de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en worden daarom grotendeels toegewezen.
3. De feiten
Partijen zijn op 6 juli 2000 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 10 september 2024 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Partijen zijn eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats].
Partijen hebben de verdeling van de huwelijksgemeenschap laten vastleggen in een echtscheidingsconvenant. Partijen zijn in artikel 4 van het echtscheidingsconvenant overeengekomen dat de woning aan [gedaagde] zou worden toebedeeld onder de opschortende voorwaarde dat [eiser] uit zijn hoofdelijke hypotheekverplichting zou worden ontslagen. [gedaagde] had tot uiterlijk 15 november 2024 de tijd om een hypothecaire financiering rond te krijgen.
[eiser] heeft vervolgens aan [gedaagde] tot 1 september 2025 de gelegenheid gegeven om de financiering alsnog rond de krijgen.
[gedaagde] heeft de financiering niet rond gekregen.
Partijen hebben daarna via hun advocaten met elkaar gecommuniceerd over het opstellen van een vaststellingsovereenkomst. [eiser] heeft de vaststellingsovereenkomst op 18 november 2025 getekend. [gedaagde] heeft deze op 8 december 2025 getekend. In de vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..)
Voor het geval de man niet uiterlijk 1 maart 2026 uit zijn hoofdelijke verplichtingen ten aanzien van de hypothecaire geldlening is ontslagen en het overbedelingsbedrag heeft ontvangen, zijn partijen uitdrukkelijk overeengekomen dat de Echtelijke Woning zo spoedig mogelijk na 1 maart 2026 dient te worden verkocht middels inschakeling van een door de man aan te wijzen makelaar wiens (verkoop)adviezen bindend zullen zijn. De vrouw verplicht zich in dat kader alle handelingen te verrichten die daarvoor noodzakelijk of wenselijk zijn, waaronder – maar niet beperkt tot – het ondertekenen van verkoopopdrachten, het beschikbaar stellen van de woning voor bezichtigingen en het meewerken aan de juridische levering aan de koper.
Gezien de laatste kans die de man bereid is de vrouw middels ondertekening van deze Overeenkomst te geven, wil hij voorkomen dat hij na 1 maart 2026 opnieuw met de vrouw in een discussie belandt over het al dan niet verkopen (en op welke termijn en tegen welke voorwaarden) van de woning. De man is bereid de vrouw voornoemde kans te geven, onder de voorwaarde dat, mocht uitkoop ingevolge artikel 1 van deze Overeenkomst niet slagen, hij verkoop kan bewerkstelligen zonder medewerking van de vrouw. De vrouw machtigt de man dan ook middels ondertekening van deze Overeenkomst om namens haar (feitelijk hen beiden) in breedste zin van het woord de verkoop van de Echtelijke Woning en levering aan een derde eigenmachtig te bewerkstelligen. (..)
Op 23 februari 2026 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat het niet was gelukt om [eiser] uiterlijk 1 maart 2026 uit zijn hoofdelijke hypotheekverplichtingen te ontslaan. [gedaagde] heeft daarbij verzocht de termijn met zes maanden te verlengen tot 1 september 2026, met een verhoogde woningwaarde van € 680.000,- als compensatie. [eiser] heeft dit voorstel van de hand gewezen.
Begin maart 2026 heeft de makelaar foto’s van de woning genomen. Op 28 mei 2026 stond een bezichtiging gepland. [gedaagde] was aanwezig en de makelaar is vroegtijdig vertrokken.
De makelaar heeft per e-mail van 2 juni 2026 aangegeven dat zij onder de gegeven omstandigheden haar werkzaamheden niet op professionele en verantwoorde wijze kan uitvoeren. Verder heeft de makelaar medegedeeld slechts bereid te zijn tot het voorzetten van de verkoop onder de voorwaarde dat de bezichtigingen op de gebruikelijke manier kunnen worden uitgevoerd en er duidelijke afspraken zijn gemaakt over toegang tot de woning.
De woning is tot op heden niet verkocht.
4. Het geschil
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair: [gedaagde] te veroordelen om de woning binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen, met al haar personen en zaken, en deze woning leeg en ontruimd, met afgifte van de sleutels, ten behoeve van de verkoop ter beschikking te stellen aan [eiser], met bepaling dat [eiser], indien [gedaagde] in gebreke blijft, gerechtigd is de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie of justitie op kosten van [gedaagde];
Subsidiair: te bepalen dat [gedaagde], indien en zodra zij niet (meer) volledig en daadwerkelijk meewerkt aan de verkoop van de woning in de ruimste zin van het woord, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend wordt verstaan:
- Niet aanwezig zijn bij bezichtigingen die door de makelaar zijn ingepland;
- Het netjes opgeruimd hebben van de woning tijdens de ingeplande bezichtigingen;
- Geen contact leggen met de makelaar of potentiële kopers;
- Gehoor geven aan redelijke verzoeken van de makelaar.
gehouden is de woning binnen één week na mededeling van de verkopend makelaar dat de verkoop door [gedaagde] is tegengewerkt, te ontruimen, met bepaling dat [eiser], indien [gedaagde] in gebreke blijft, gerechtigd is de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie of justitie op kosten van [gedaagde];
Meer subsidiair: [gedaagde] te veroordelen om haar volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning in de ruimste zin van het woord, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, wordt verstaan:
- Niet aanwezig zijn bij bezichtigingen die door de makelaar zijn ingepland;
- Het netjes opgeruimd hebben van de woning tijdens de ingeplande bezichtigingen;
- Geen contact leggen met de makelaar of potentiële kopers;
- Gehoor geven aan redelijke verzoeken van de makelaar,
Zulks op straffe van een dwangsom.
II. Te bepalen dat, voor zover voor de juridische levering de notaris daartoe een rechterlijke titel verlangt, het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de voor de juridische levering aan de koper noodzakelijke wilsverklaring/handtekening van [gedaagde];
III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagde] is niet ter zitting verschenen.
5. De beoordeling
Verstek
[gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij het betekenen van de dagvaarding de wettelijke vereisten zijn nageleefd en dat de voorgeschreven termijnen en overige formaliteiten in acht zijn genomen. De voorzieningenrechter zal daarom verstek verlenen tegen [gedaagde].
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van [eiser] reeds in voldoende mate voortvloeit uit zijn stellingen en de aard van het gevorderde. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] inhoudelijk beoordeeld kunnen worden.
Toetsingskader in kort geding
Voor toewijzing van de voorlopige voorziening zoals die door [eiser] wordt gevorderd, moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodeprocedure zal worden toegewezen.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de voorzieningenrechter in geval van verstek de vorderingen van [eiser] toe te wijzen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De vorderingen komen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen met uitzondering van het volgende.
De ontruiming
In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de woning zo spoedig mogelijk na 1 maart 2026 wordt verkocht via een door [eiser] aan te wijzen makelaar, wiens verkoopadvies bindend is. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] de verkoop van de woning traineert. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie met de makelaar volgt eveneens dat de makelaar onder de huidige omstandigheden haar werk niet kan uitvoeren. Gelet op de gehele voorgeschiedenis, en het ontbreken van enige uitlating die erop kan duiden dat [gedaagde] nu wel haar medewerking gaat verlenen, is het aannemelijk dat het voor de verkoop van de woning noodzakelijk is dat [gedaagde] de woning verlaat. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming wordt toegewezen. De gevorderde termijn waarbinnen [gedaagde] de woning moet verlaten acht de voorzieningenrechter evenwel te kort. De termijn wordt op vier weken na betekening van dit vonnis gesteld.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, nu de deurwaarder zo nodig zelf gerechtigd is die hulp in te schakelen bij een ontruiming (artikel 557 jo. 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Proceskosten
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtelieden is dat de proceskosten worden gecompenseerd Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om de woning te [adres] binnen vier weken na betekening van het vonnis te ontruimen, met al haar personen en zaken, en deze woning leeg en ontruimd, met afgifte van de sleutels, ten behoeve van de verkoop ter beschikking te stellen aan [eiser];
bepaalt dat, voor zover voor de juridische levering de notaris daartoe een rechterlijke titel verlangt, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de juridische levering aan de koper noodzakelijke wilsverklaring/handtekening van [gedaagde];
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.