RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.237680.22 (P)
Datum vonnis: 3 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 mei 2024, 30 september 2025, 3 oktober 2025 en 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman, mr. M.C. Jonge Vos, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in maart 2021 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een levensgevaarlijke vorm van mensensmokkel.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij (op nader te noemen tijdstip(pen)) in of omstreeks de maand maart 2021 te Zutphen en/of Rijswijk en/althans (elders) in Nederland en/of in België en/of Italië en/of Kroatië en/of Hongarije en/althans elders,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/althans alleen
(telkens) een of meer nader te noemen perso(o)n(en) (met nader te noemen nationaliteit), en wel:
- op of omstreeks 17 maart 2021, 24, althans een of meer perso(o)n(en) van Turkse
en/of Bengalese(inwoners uit Bangladesh) nationaliteit (zaakdossier "Mensensmokkel
[medeverdachte 1]/[medeverdachte 2]”),
* behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door, en/of
* uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, Ijsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,
en/of die bovengenoemde(e) (gesmokkelde) perso(o)n(en) (telkens) daartoe
gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door (meermalen):
- een bestelbus/voertuig (voor telkens het vervoer/transport van voornoemde gesmokkelde personen) te huren/regelen/organiseren, en/of
- de chauffeur(s) voor die/dat bestelbus/voertuig te regelen/organiseren, en/of
- voornoemde (gesmokkelde) perso(o)n(en) te (laten) vervoeren en/of te (laten) begeleiden en/of het vervoer/transport van die perso(o)n(en) (telkens) te regelen en/of te organiseren, en/of
- de betaling(en)/financiering met betrekking tot die (smokkel)reis/zen te doen en/of te regelen en/of te incasseren en/of daartoe een of meer van verdachtes bankrekening(en) ter beschikking te stellen,
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorrei(s)z(en) en/of dat verblijf wederrechtelijk was, en/of
terwijl door die/dat feit(en) (telkens) levensgevaar voor een of meer van de
voornoemde (gesmokkelde) personen te duchten was,
door die perso(o)n(en) (telkens) te (laten) vervoeren en/of op te (laten) sluiten in een (zeer) beperkt(e) ruimte/compartiment in/van een voertuig/bestelbus/auto, welk(e) ruimte/compartiment:
+ als zodanig niet voor het vervoer van personen bestemd/ingericht/geschikt was, en/of
+ geen, althans (een) zeer beperkt(e) faciliteit(en) voor een goede zuurstof toevoer en/of ventilatie en/of verwarming en/of verkoeling had,
+ niet was voorzien van stoelen en/of veiligheidsgordei(s) en/of een dakconstructie en/of een veiligheidsframe en/of een goed sluitende deur, en/of door (meermalen) die/dat voertuig/bestelbus/auto te laten besturen door een persoon die niet in het bezit was van het voor dat voertuig/die bestelbus/auto vereiste rijbewijs en/of die persoon/bestuurder een verslavingsproblematiek had.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte heeft bekend en door de verdediging geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Die bewijsmiddelen zijn:
het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 1540A, pagina 29 tot en met 34;
het proces-verbaal van bevindingen met procesverbaalnummer 1565, pagina 89 tot en met 105;
pagina 4 van het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzittingen op 30 september 2025 en 3 oktober 2025.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank is op basis van deze bewijsmiddelen van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], ook wel te duiden als de chauffeur en bijrijder, die de migranten feitelijk hebben vervoerd, zelfstandig de delictsomschrijving van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vervullen.
Verdachte heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als chauffeurs geronseld en hen geholpen een bestelbus te huren. Verdachte heeft verklaard dat zij geld zou krijgen voor het regelen van de chauffeurs. Ook uit de specifiek voor deze smokkel aangemaakte groepschat, waarin instructies werden gegeven en locaties werden gedeeld, volgt dat verdachte er bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (net als medeverdachte [medeverdachte 3]) sterk op aandrong om door te gaan met de smokkel en daarmee de doorreis van de 24 migranten heeft bevorderd en aldus behulpzaam is geweest bij de mensensmokkel. De vier genoemde personen, waaronder verdachte, hebben dat in nauwe en bewuste samenwerking gedaan.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er door het vervoeren van 24 personen in de laadruimte van een niet voor personenvervoer geschikte bestelbus, onder de omstandigheden en op de wijze zoals hiervoor geschetst in het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 1540A, er daadwerkelijk sprake is geweest van te duchten levensgevaar voor die migranten. Dit gevaar was voor verdachte ten tijde van het (doen) huren van de bestelbus en het vervoeren van de migranten naar algemene ervaringsregels ook voorzienbaar, nu zij – ook gezien de inhoud van de chatberichten – wist dat gebruik werd gemaakt van een voor personenvervoer ongeschikte bestelbus. En daarnaast dat het om lange buitenlandse ritten zou gaan waarbij veel personen tegelijk zouden worden vervoerd, onder vaak moeilijke en onveilige omstandigheden, terwijl het doorgang laten vinden van het vervoer prioriteit had boven veiligheid, gelet op de financiële belangen die ermee gemoeid waren.
De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de maand maart 2021 in Nederland en Kroatië,
tezamen en in vereniging met anderen,
nader te noemen personen met nader te noemen nationaliteit, en wel:
- op 17 maart 2021 24 personen van Turkse of Bengalese nationaliteit ,
* behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van doorreis door, een andere lidstaat van de Europese Unie,
en die bovengenoemde gesmokkelde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door:
- een bestelbus voor het vervoer/transport van voornoemde gesmokkelde personen te huren/regelen/organiseren, en
- de chauffeur(s) voor die bestelbus te regelen/organiseren, en
- voornoemde gesmokkelde personen te (laten) vervoeren en te (laten) begeleiden en het vervoer/transport van die personen te regelen en te organiseren, en/of
- de betaling(en)/financiering met betrekking tot die smokkelreis te doen en/of daartoe verdachtes bankrekening(en) ter beschikking te stellen,
terwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten dat die doorreis wederrechtelijk was, en
terwijl door dat feit levensgevaar voor de voornoemde gesmokkelde personen te duchten was,
door die personen te vervoeren en/of op te (laten) sluiten in een beperkte ruimte van een bestelbus, welke ruimte:
+ als zodanig niet voor het vervoer van personen bestemd/ingericht/geschikt was, en
+ geen, althans zeer beperkte faciliteiten voor een goede zuurstoftoevoer en/of ventilatie en/of verwarming en/of verkoeling had,
+ niet was voorzien van stoelen en/of veiligheidsgordels en/of een dakconstructie en/of een veiligheidsframe en/of een goed sluitende deur.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 197a Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
het misdrijf: mensensmokkel, in vereniging begaan door meerdere personen terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de strafeis fors is in vergelijking met de straffen die aan de medeverdachten in onderzoek ‘Toltol’ zijn opgelegd. In een andere strafzaak is aan verdachte reclasseringstoezicht opgelegd, en dat verloopt positief. Er is sprake van een positieve omslag. Daarom geeft de raadsman in overweging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een maximale taakstraf.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel van 24 personen. Bij mensensmokkel wordt misbruik gebruik gemaakt van de afhankelijkheid van de migranten, door voor het transport uit winstbejag veel geld te vragen. De internationale georganiseerde smokkel van mensen is een fenomeen dat afbreuk doet aan de waardigheid van de mens omdat de mens daarbij slechts als handelswaar wordt gezien, waarmee geld te verdienen valt. Het vervoer vindt vaak plaats onder mensonterende en gevaarlijke omstandigheden, zoals ook in dit geval. Door mensensmokkel wordt bovendien het overheidsbeleid inzake de bestrijding van illegaal verblijf in een land en de illegale toegang tot Nederland of andere landen van de Europese Unie doorkruist. De handelwijze van verdachte ondermijnt dit beleid en veroorzaakt onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook leiden dit soort feiten makkelijk tot vormen van uitbuiting en misbruik van kwetsbare personen. De rechtbank verwijt verdachte dat zij niet heeft stilgestaan bij het ontwrichtende karakter van mensensmokkel en evenmin bij de levensgevaarlijke risico’s die de migranten tijdens het vervoer liepen.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 november 2025. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte recent is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar voor medeplichtigheid aan diefstal met geweld. Aan het voorwaardelijk strafdeel is een behandelverplichting gekoppeld. . De rechtbank zal rekening houden met het bepaalde in artikel 63 Sr vanwege een recente strafoplegging.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gegeven per gesmokkelde persoon. Bij meerdere gesmokkelden volgt in beginsel een lineaire verhoging, dus wordt het oriëntatiepunt vermenigvuldigd met het aantal gesmokkelden. Dit impliceert dat in dit geval, bij de smokkel van 24 personen, als uitgangspunt heeft te gelden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 72 maanden. Bij dit uitgangspunt zijn dan nog niet betrokken de strafverzwarende gronden dat het feit in vereniging is begaan en dat er levensgevaar was te duchten. Verder heeft de rechtbank nadrukkelijk meegewogen welke straffen in het onderzoek ‘Toltol’ aan de medeverdachten zijn opgelegd.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 11 oktober 2022, op het moment van de inverzekeringstelling van verdachte. Gelet op dit vonnis van 3 februari 2026 is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Deze bedraagt ruim vijftien maanden. De rechtbank heeft deze overschrijding in het voordeel van verdachte meegewogen bij het bepalen van de op te leggen straf.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Maar alles afwegende, en artikel 63 Sr toepassend, maar ook gezien de positieve stappen die verdachte inmiddels heeft gezet (zoals ook blijkt uit het voortgangsverslag van de reclassering van 16 januari 2026), is de rechtbank van oordeel dat een hernieuwde detentie achterwege kan blijven, met name omdat dit volgens de reclassering averechts zou werken. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het grootste deel van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en daarenboven de maximale taakstraf van 240 uren.
In het kader van executie overweegt de rechtbank nog dat zij heeft geconstateerd dat verdachte zes maanden en tien dagen in voorarrest heeft doorgebracht. Vanwege het bepaalde in artikel 9, vierde lid, Sr zal de rechtbank niet bepalen dat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan het voorarrest, maar bepalen dat van de op te leggen gevangenisstraf een gedeelte van zes maanden onvoorwaardelijk is. Dat betekent dat de tijd die verdachte langer dan zes maanden in voorarrest heeft doorgebracht in mindering dient te worden gebracht op de onvoorwaardelijke taakstraf (vgl ECLI:NL:HR:2025:1872).
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
mensensmokkel, in vereniging begaan door meerdere personen terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (die resteert na aftrek van deze tijd op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf), bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat twee uren per dag aftrek plaatsvindt;
- beveelt, voor het geval verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 (vier) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. ter Haar, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. L.M. de Zeeuw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Mr. R. ter Haar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.