RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/336535 / HA ZA 25-247
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiseres] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiser],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. A.D. van Koningsveld,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE OLST-WIJHE,
te Wijhe,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. E.P. Ceulen.
1. Inleiding
[eisers] zijn betrokken bij een langdurig buurtconflict. In deze zaak moet worden beoordeeld of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] . Volgens [eisers] had de gemeente maatregelen moeten nemen om de leefsituatie te verbeteren en had zij zich niet moeten laten meeslepen door ongefundeerde klachten. [eisers] voeren daarbij aan dat de gemeente aansprakelijkheid heeft erkend. De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd en een beroep op verjaring gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat van een erkenning van aansprakelijkheid onvoldoende is gebleken. Hoewel in dit vonnis ten aanzien van één onderdeel wordt geoordeeld dat de gemeente niet zorgvuldig heeft gehandeld, zal de rechtbank de vorderingen afwijzen. Het beroep op verjaring slaagt.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;
- de akte wijziging van eis, dan wel aanvulling van gronden tevens akte overlegging producties 9 tot en met 18;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, de spreekaantekeningen van mr. B.E.C. de Jong en mr. Ceulen en de aantekeningen van de griffier.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[eisers] hebben in 2004 de woning aan de [adres 1] gekocht en zijn deze in 2007 gaan bewonen. Daarna is er een buurtconflict ontstaan, aanvankelijk alleen met de buren van [eisers] aan de [adres 2] en vervolgens ook met andere buren. De gemeente ontving vanaf augustus 2008 meerdere klachten vanuit de buurt over [eisers]
De gemeente heeft [eisers] bij brief van 1 september 2008 onder meer aangesproken op het feit dat de camper op de grens tussen hun eigen grond en het openbare trottoir stond, hetgeen volgens de gemeente een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening opleverde. De brief vermeldt verder dat met [eisers] is afgesproken dat zij de camper na 30 september 2008 niet meer in de tuin zouden plaatsen.
Bij brief van 27 oktober 2008 heeft de gemeente de buurtbewoners uitgenodigd voor een buurtoverleg op 3 november 2008 met betrekking tot de “aanhoudende klachten over de gang van zaken bij de woning van de familie [eisers] ”:
“Om de problemen aan de [straatnaam] zoveel mogelijk te verhelpen beleggen de gemeente en de politie een bijeenkomst waarin we concrete afspraken willen maken over wat aanvaardbaar is en wat niet.
(…)
Bij deze bijeenkomst zullen (…) wijkagent van Olst, en namens de gemeente, [naam 1] (…) aanwezig zijn. Ook de familie [eisers] zal aanwezig zijn. Om breed gedragen afspraken te kunnen maken willen we alle bewoners van de [straatnaam] [nummer 1] t/m [nummer 2] (…) en [nummer 3] t/m [nummer 4] (oneven nummers) die in de huidige situatie overlast ervaren uitnodigen om hierbij aanwezig te zijn. Ook twee betrokkenen die niet aan de [straatnaam] wonen worden uitgenodigd.
De lijst van punten waarover (…) afspraken worden gemaakt zijn bij deze brief bijgevoegd.
(…)
Mocht er naar uw idee nog iets in deze lijst ontbreken dat verzoeken wij u deze alsnog zo snel mogelijk door te bellen (…)
(…)
We hopen op een grote buurtdelegatie zodat de afspraken breed gedragen zullen worden.
(…)
Wij gaan er van uit dat iedereen die overlast ervaart bij dit overleg aanwezig zal zijn.”
Een e-mail van 28 oktober 2008 van [naam 1] , medewerker Vergunningen en Handhaving van de gemeente, aan een buurtbewoner, de heer [naam 2] , vermeldt onder meer:
“Het plan wordt toch iets anders. Ik heb vanochtend nog met [eisers] en een intermediator gesproken. Deze intermediator gaf aan dat een gesprek met veel tegen weinig niet zo’n goed idee is. Dat geeft over het algemeen weinig resultaat. Volgens haar konden we beter met een buurtdelegatie van 2 mensen en het echtpaar [eisers] en dan deze intermediator in gesprek gaan. De bedoeling is dan dat deze twee afspraken met [eisers] maken onder leiding van de intermediator. Nou heb ik de heer [naam 3] al bereid gevonden om 1 van deze 2 buurtmensen te zijn. (…) [naam 3] heeft vooral last van zijn geluiden en jij kijkt de hele tijd op zijn rommel. Dus jullie lijken mij de aangewezen personen hiervoor (…) ”
Op 3 november 2008 heeft het buurtoverleg plaatsgevonden. In weerwil van de e-mail van 28 oktober 2008 (en het advies van de mediator) waren bij die bijeenkomst circa 20 buurtbewoners aanwezig.
In het najaar van 2008 heeft de gemeente klachten ontvangen over een verkeerd geparkeerde aanhanger. Onder verwijzing naar de APV en de eerdere problemen met de camper heeft de gemeente een last onder dwangsom aangekondigd. De gemeente heeft [eisers] bij brief van 4 december 2008 meegedeeld dat zij afziet van het opleggen van een preventieve last onder dwangsom omdat zij geen overtreding van de APV meer constateerde en [eisers] hadden aangegeven dat de oprit bij de woning vrijwel gereed was zodat het niet meer nodig was de aanhanger op de openbare weg te laten staan.
In maart 2009 heeft de gemeente aan [eisers] meegedeeld dat was gebleken dat [eisers] vanuit zijn woning bedrijfsmatige activiteiten verrichtte in strijd met het bestemmingsplan. Na een aankondiging op 30 juni 2009 en na het indienen van een zienswijze door [eisers] heeft de gemeente bij brief van 18 augustus 2009 aan [eisers] een last onder dwangsom opgelegd.
Vervolgens ontving de gemeente nieuwe klachten over onder meer een schutting en een camper. Na verdere oplopende spanningen en een verzoek tot uitstel van betaling heeft de gemeente de last onder dwangsom opgeschort totdat een melding van [eisers] over een bedrijf van een buurman was beoordeeld. De gemeente heeft mediation en buurtbemiddeling ingezet.
[eisers] heeft op 10 januari 2010 een ontheffingsaanvraag ingediend. Op 12 februari 2010 heeft de gemeente het voornemen meegedeeld om onder voorwaarden een ontheffing te verlenen. Dit voornemen leidde tot het indienen van acht verschillende zienswijzen van twintig buurtbewoners. Na een buurtbijeenkomst heeft de gemeente de ontheffing verleend met aanvullende en strengere voorwaarden.
Na een bezwaarprocedure heeft [eisers] , net als enkele buurtbewoners, beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Bij uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector bestuursrecht, van 7 november 2011, heeft de rechtbank – samengevat – geoordeeld dat de gemeente zich terecht op het standpunt had gesteld dat de door [eisers] verrichte activiteiten in de woning een bedrijfsmatig karakter hadden en dat dit in strijd was met het destijds geldende bestemmingsplan. Het beroep van de buurtbewoners tegen de ontheffing werd, voor zover deze zag op het deel van het perceel met bestemming tuin, gegrond verklaard. De gemeente heeft vervolgens een nieuw besluit genomen met inachtneming van deze uitspraak.
In maart 2012 liepen de spanningen tussen [eisers] en de buurtbewoners opnieuw op. Er werd een “time-out” afgesproken en de buurtbemiddelaar had in die periode wekelijks contact met [eisers]
De gemeente heeft in maart 2013 geconstateerd dat de bedrijfswagen inclusief aanhanger op de openbare weg was geparkeerd en heeft [eisers] gewaarschuwd dat zij zich moeten houden aan de voorwaarden van de ontheffing.
[eisers] hebben de gemeente bij brief van 6 april 2013 onder meer meegedeeld:
“Het is inmiddels vijf jaar dat wij in de clinch liggen met de gemeente over onterecht handhaven en met de buurt die door enkele bewoners tegen ons wordt opgestookt. Het heeft ons heel veel van onze financiële en psychische reserves gekost. Zoals u weet waren wij vanaf 7 december 2012 met de gemeente (de heer [naam 4] ) in gesprek, om te zien of wij schuldenvrij konden vertrekken uit de [straatnaam] .
(…)
Wij stellen mediation voor om alsnog het geschil tussen ons en gemeente tot een eindoordeel te laten komen. Zowel van [naam 4] als van burgemeester [naam 5] horen wij opmerkingen als dat er onterecht is gehandhaafd, of dat er voor situaties als die van ons geen vergunning voor een bedrijf aan huis nodig is. Toch heeft u daar de afgelopen jaren wel op gestuurd en daarbij naar ons oordeel gekozen voor de “belangen” van de buurt, i.p.v. een neutrale positie in te nemen.
(…)
Voor ons is er teveel gebeurd om nog in deze straat te kunnen blijven wonen. Tegelijk zijn we zo door onze financiële en psychische reserves heen, dat wij geen kans zien op eigen kracht uit de straat te vertrekken.”
[eisers] hebben de woning aan de [straatnaam] medio 2013 verlaten. De gemeente heeft [eisers] een woning te huur aangeboden aan de [adres 3] tegen een symbolische huur van € 10,- per maand.
In 2021 heeft de gemeente aangekondigd dat [eisers] de woning aan de [adres 3] moesten verlaten vanwege herontwikkeling. De datum van ontruiming is vervolgens uitgesteld tot 1 januari 2023.
In mei 2022 hebben [eisers] aan de gemeente laten weten dat zij de woning aan de [straatnaam] tegen marktwaarde aan de gemeente wilde verkopen. De gemeente heeft daarop een taxatie laten uitvoeren. Onderhandelingen hebben niet tot overeenstemming geleid.
Bij e-mail van 9 december 2022 heeft de gemeente aan [eisers] bericht dat voor enige schadeloosstelling geen grondslag bestaat.
Na een ontruimingsprocedure, die is geëindigd in een vaststellingsovereenkomst, zijn [eisers] eind december 2023 verhuisd naar hun woning aan de [adres 4] .
Op 23 april 2024, 22 mei 2024 en 5 juni 20224 hebben besprekingen tussen [eisers] en de burgemeester van de gemeente plaatsgevonden. Die gesprekken zijn door [eisers] opgenomen.
De gemeente heeft [eisers] bij e-mail van 26 juni 2024 aangeboden om de woning aan de [adres 5] aan te kopen. Deze e-mail vermeldt onder meer:
“Omdat [naam 6] (de burgemeester van Olst-Wijhe, toevoeging rechtbank) gezegd heeft dat we eruit willen komen met elkaar, ook wat betreft de kosten die jullie gemaakt hebben voor de advocaat etc. en een streep willen zetten achter alles wat gebeurd is, hebben we gekeken op welke manier we meer dan de taxatiewaarde van € 350.000 voor jullie woning zouden kunnen bieden. Dat bleek een aankoop waarde advies, waarmee er met een bandbreedte gewerkt mag worden van een minimale prijs en een maximale prijs. Daarbij zijn wij uitgegaan van de maximale prijs. Daar kwam het bedrag uit van € 430.000,-, dus € 80.000,- meer dan de hoogste taxatiewaarde. Dit bod van € 430.000,- voor de woning inclusief advocatenkosten etc.
Vanwege de lange en ongebruikelijke voorgeschiedenis zijn we daarnaast bereid om jullie een extra tegemoetkoming te doen van € 10.000,-.”
Tot overeenstemming tussen partijen omtrent deze aankoop is het echter niet gekomen. Uiteindelijk zijn [eisers] medio 2025 terugverhuisd naar de woning aan de [straatnaam] . De woning aan de [adres 4] is door [eisers] verkocht.
De advocaat van [eisers] heeft de gemeente bij e-mail van maart 2025 aansprakelijk gesteld voor door [eisers] geleden materiële- en immateriële schade.
4. Het geschil
[eisers] vorderen – na wijziging van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat de gemeente Olst-Wijhe onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;
II. de gemeente te veroordelen om aan [eisers] de door [eisers] geleden en nog te lijden schade te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. de gemeente te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 10.000,00, althans een in goede justitie te bepalen voorschot;
IV. de gemeente in de proceskosten te veroordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening.
De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
[eisers] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door onrechtmatige besluiten tot handhaving jegens [eisers] te nemen. Volgens [eisers] heeft de gemeente, in plaats van zich als onpartijdig bestuursorgaan te gedragen, zich te veel laten leiden door de klachten die buren over het gedrag van [eisers] bij de gemeente indienden.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] toegelicht dat de onrechtmatigheid volgens hen meer specifiek gelegen is in a) de discussie rond het plaatsen van de camper bij de woning in de [straatnaam] , b) de uitnodiging voor de buurtbijeenkomst van 27 oktober 2008, c) het besluit om de heer [naam 2] als buurtvertegenwoordiger aan te stellen en d) de wijze van handhaving door de gemeente met betrekking tot het feit dat [eisers] een bedrijf aan huis had gevestigd. De rechtbank zal deze onderdelen hierna bespreken. [eisers] hebben zich echter ten eerste op het standpunt gesteld dat de gemeente aansprakelijkheid heeft erkend.
Erkenning van aansprakelijkheid?
Volgens [eisers] heeft de burgemeester in de gesprekken op 22 mei 2024, 23 april 2024 en 5 juni 2024 erkend dat de gemeente jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Dat blijkt volgens hen uit het feit dat de burgemeester haar excuses heeft aangeboden voor hetgeen in het verleden is voorgevallen en daarnaast een bedrag van € 10.000,00 aan schadevergoeding heeft aangeboden. [eisers] stellen dat zij op grond daarvan er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat sprake is van een erkenning van aansprakelijkheid door de gemeente. De gemeente heeft dat gemotiveerd weersproken.
Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [eisers] de volgende citaten van de burgemeester aangehaald. Uit het gesprek van 23 april 2024:
“Ten derde, dat wilde ik ook nog even vertellen, en dat is, ik wil ook een manier zien te vinden, misschien moet ik het ook wel gewoon zo doen, om in de basis onze excuses aan jullie aan te bieden, wat er gebeurd is.
(…)
Je moet als overheid heel zorgvuldig zijn met, hoe pas ik mijn rechtsmiddel toe. Dus ik vind het ja, dat dat hier die balans was, weg.
(…)
Wat ik óók ga doen, is kijken in hoeverre financiële tegemoetkoming op basis van geleden emotionele schade mogelijk is. Dat zal lastig zijn, want daar is in Nederland weinig grondslag voor, maar dat wil niet zeggen dat het onmogelijk is.
(…)
Nee dat snap ik nou. Ik vind het wel goed om dit te horen, want dit zou mij wellicht een basis kunnen geven om toch nog aan financiële tegemoetkoming te doen. Ik zal mijn best daarvoor doen om daar creatief mee om te gaan, want ik merk dat dit heel wat is geweest.”
Uit het gesprek van 22 mei 2024:
“Ik wil het graag over de schadevergoeding in geld hebben met jullie en even het tijdspad doornemen.
(…)
Dat is het tweede punt waar we het over moeten hebben, de schadevergoeding. Wat ik zojuist zei, want ik vind dat en dat heb ik jullie vorige keer verteld. Ik heb mijn excuses daar ook voor aangeboden.
(…)
En daarom zit ik zo in de wedstrijd en ik zie ook dat in het verleden de gemeente Olst Wijhe steken heeft laten vallen. Moreel juridisch intermenselijk en ik vind, dat kan je niet in een taxatie frommelen, want dat doet een beëdigd taxateur ook niet. We leven hier niet in Rusland. Maar wat je wél kan doen als gemeente is, zeggen daarnaast hebben jullie ook nog recht op schadevergoeding. Nou daar wil ik het ook over hebben en dat raakt dus ook op wat jij zegt [eiser] , maar hoe is dit nou eigenlijk gekomen? En daar zit dan ook een haakje om jullie tegemoet te komen in schade.
(…)
Ik zit te denken aan een schadevergoeding van ongeveer € 10.000,- buiten dus het geld voor het huis om.
(…)
En uit het gesprek van 5 juni 2024:
En ik weet ook. Dat grote overheden zeker de provincie Friesland, maar ook natuurlijk de gemeente Wijhe Olst dan ook wel eens een geschiedenis kan hebben en niet altijd even handig is omgesprongen met die mensen dus.
(…)
Dit wist ik al, een onrechtmatige daad”.
De rechtbank stelt voorop dat het maken van excuses in het algemeen niet zonder meer leidt tot erkenning van aansprakelijkheid. Bij de vraag of er sprake is van een erkenning is de wilsvertrouwenleer van toepassing (artikelen 3:33 en 3:35 BW). Van belang is wat er is verklaard en wat [eisers] daaruit gerechtvaardigd mochten begrijpen. Daarbij is onder meer relevant welke bewoordingen zijn gebruikt en in welke context de verklaringen zijn afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is voor het aannemen van erkenning van aansprakelijkheid vereist dat voldoende duidelijk was voor welke gedraging(en) en/of juridische fout(en) de excuses werden aangeboden. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de transcriptie van de gesprekken, waaronder de hiervoor geciteerde uitspraken van de burgemeester, kan niet worden afgeleid dat de burgemeester aansprakelijkheid van de gemeente uitdrukkelijk heeft erkend. Wel kan hieruit worden opgemaakt dat de burgemeester haar medeleven heeft betoond aan [eisers] Zij benadrukt in het gesprek dat [eisers] een zware tijd hebben gehad door het langdurig slepende buurtconflict en de aanzienlijke emotionele gevolgen die dit voor [eisers] heeft meegebracht. Als kern van de zaak benoemt de burgemeester dat [eisers] veel stress hebben gehad. Zij heeft in algemene bewoordingen excuses aangeboden voor “voor alles wat er in het verleden is gebeurd”. Anders dan [eisers] betogen kan uit de gespreksverslagen niet worden afgeleid dat zij voor één of meerdere specifieke gebeurtenissen excuses aanbiedt en evenmin dat zij meent dat er sprake is van juridisch verwijtbare gedragingen van de gemeente. Uit de verslagen blijkt ook niet dat zij schadevergoeding aanbiedt voor een bepaalde handelwijze.
Met de door [eisers] aangehaalde zin over het inzetten door de gemeente van haar machtsmiddel en dat de burgemeester meent dat de balans zoek was, lijkt de burgemeester te duiden op het strikt toepassen van regels, mede gezien de omstandigheid dat de betrokkenen bij elkaar in de straat wonen. Het strikt toepassen van regels levert echter nog geen onrechtmatige daad op en uit het gesprek blijkt niet dat de burgemeester dit wel zo heeft gekwalificeerd. Zij benoemt in datzelfde gesprek namelijk ook dat zij op zoek zal gaan naar een grondslag om [eisers] tegemoet te komen. Daaruit kan worden afgeleid dat de burgemeester bij het maken van de excuses niet doelt op een onrechtmatige daad van de gemeente. In dat geval zou de grondslag immers al gegeven zijn. Dat de burgemeester anderhalve maand later het woord onrechtmatige daad gebruikt als zij (actief) luistert naar [eisers] die spreekt over “onrechtmatige handhaving” met betrekking tot zijn bedrijf aan huis, maakt dat niet anders. Daaruit volgt niet dat de aansprakelijkheid van de gemeente wordt erkend. Dit geldt temeer nu in 2010 door de rechtbank al was vastgesteld dat er in die situatie geen sprake was van onrechtmatige handhaving, zoals hierna ook in r.o. 5.15 aan de orde zal komen.
Dat de burgemeester zich vanuit de publieke taak van de gemeente moreel verantwoordelijk heeft betoond voor de langdurige periode dat het buurtconflict heeft voortgeduurd en het feit dat het de gemeente niet is gelukt om dit buurtconflict vroegtijdig op te lossen, kan niet worden aangemerkt als een erkenning van de aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad.
Daar komt bij dat de gesprekken plaatsvonden in de context van het zoeken naar een oplossing voor de situatie aan de [straatnaam] , net zoals daarover in 2012-2013 en 2022 is gesproken. De verklaringen van de burgemeester moeten in dat licht worden bezien. Dat er geen sprake is van een erkenning van aansprakelijkheid strookt ook met de verklaring van de heer [naam 7], die bij de besprekingen tussen de burgemeester en [eisers] aanwezig was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat de gemeente graag een oplossing wilde vinden voor de woning aan de [straatnaam] . Naar zijn mening heeft de burgemeester bedoeld aan te geven dat als er zaken beter hadden gekund zij daar een streep onder wilde zetten. Hij heeft ook verklaard dat de burgemeester niet heeft gedoeld op specifieke gedragingen van de gemeente. [eisers] hebben niet concreet kunnen maken waarom zij de verklaring van de burgemeester anders mochten begrijpen en daarvoor kunnen ook in de gespreksverslagen onvoldoende aanknopingspunten worden gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is met name onvoldoende duidelijk geworden voor welke specifieke gedragingen de gemeente aansprakelijkheid zou hebben erkend. Dat [eisers] gerechtvaardigd mochten vertrouwen dat sprake was van een erkenning is al met al onvoldoende gebleken.
Verzoek om akte te mogen nemen
Indien en voor zover de rechtbank mocht oordelen dat geen sprake is van erkenning van aansprakelijkheid, hebben [eisers] verzocht om in dat geval een akte te kunnen nemen om de gestelde onrechtmatige daad van de gemeente nader te onderbouwen. De gemeente heeft tegen dat verzoek bezwaar gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek van [eisers] af, nu zij voldoende in de gelegenheid zijn geweest om hun stellingen nader te onderbouwen. Het bij akte in het geding brengen van een nadere onderbouwing acht de rechtbank in dit stadium van de procedure in strijd met het beginsel van een goede procesorde.
Beoordeling van de gestelde onrechtmatige daad
Ad a: De discussie rond de camper
Het feit dat de gemeente [eisers] heeft aangesproken op de camper die in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) was geparkeerd, acht de rechtbank op zich niet onrechtmatig. Tussen partijen staat vast dat [eisers] de camper hebben verplaatst en dat dit feit voor [eisers] verder geen (juridische) gevolgen heeft gehad. In het bijzonder is niet gebleken dat de gemeente handhavend heeft opgetreden.
Dat de gemeente zich destijds ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een overtreding van de APV is door [eisers] daarnaast onvoldoende onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling dat de gemeente in 2011 zou hebben erkend dat zij in 2008 in strijd heeft gehandeld met de APV. Na de betwisting door de gemeente hebben [eisers] dit niet concreet gemaakt aan de hand van feiten en omstandigheden.
Ad b: De uitnodiging van 27 oktober 2008 voor de bijenkomst op 3 november 2008
[eisers] acht het verzenden van de uitnodiging van 27 oktober 2008 onrechtmatig omdat de gemeente daarin alle omwonenden heeft opgeroepen voor de bijeenkomst, terwijl de mediator juist had geadviseerd om de bijeenkomst klein te houden. De gemeente heeft aangevoerd dat zij zo heeft gehandeld om een zo groot mogelijk draagvlak te creëren voor de in die bijeenkomst te maken afspraken.
De rechtbank is van oordeel dat de gemeente op dit punt niet zorgvuldig jegens [eisers] heeft gehandeld. Redengevend voor dat oordeel is dat de gemeente niet heeft betwist dat de klachten in feite afkomstig waren van twee specifieke buren, namelijk de buren van de [straatnaam] nummers [nummer 5] en [nummer 6] . Het had dan ook, in lijn met het advies van de mediator, voor de hand gelegen om alleen deze klagers en [eisers] uit te nodigen voor het gesprek. Door daarentegen alle bewoners van de [straatnaam] in persoon de uitnodiging te sturen, zoals deze in r.o. 3.3 is opgenomen, heeft de gemeente het risico genomen dat de bijeenkomst een katalyserende werking zou hebben, in die zin dat veel meer bewoners van die straat bij het burenconflict betrokken zouden raken. Aannemelijk is dat de inhoud van de uitnodiging, het feit dat deze aan alle buurtbewoners is toegezonden en de omvang van bijeenkomst voor [eisers] kwetsend moet zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan de gemeente worden verweten dat zij bij de verzending van de uitnodiging daarvoor onvoldoende oog heeft gehad en de bijeenkomst, ondanks de genoemde bezwaren, toch door heeft laten gaan. Het belang van de gemeente om een groot draagvlak te creëren voor te maken afspraken, weegt daar onvoldoende tegenop.
Het gevolg van het oordeel dat de gemeente op dit punt niet zorgvuldig heeft gehandeld zal hierna worden besproken in r.o. 5.17.
Ad c: Het besluit om de heer [naam 2] als buurtvertegenwoordiger aan te stellen
[eisers] verwijten de gemeente vervolgens dat zij, althans de heer [naam 1] , de heer [naam 2] , die volgens [eisers] juist één van de aanjagers van de klachten was, heeft aangesteld als buurtvertegenwoordiger. De gemeente heeft op de mondelinge behandeling betwist dat zij [naam 2] heeft aangesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door [eisers] in het geding gebrachte e-mail van 28 oktober 2008, zoals aangehaald in r.o. 3.4 van de vaststaande feiten, niet dat de gemeente [naam 2] heeft gevraagd om als buurtvertegenwoordiger op te treden. Uit dat bericht blijkt dat de gemeente [naam 2] heeft verzocht om samen met een andere buurtbewoner namens de buurt afspraken met [eisers] te maken in het kader van de gesprekken die in klein comité met een mediator zouden plaatsvinden. Deze gesprekken hebben echter niet plaatsgevonden omdat de eerder al aangekondigde bijeenkomst met de hele buurt op 3 november 2008 toch is doorgegaan. Dat [naam 2] is aangesteld als buurtvertegenwoordiger blijkt hieruit niet. [eisers] hebben hun standpunt voor het overige niet onderbouwd zodat dit door de rechtbank wordt gepasseerd.
Ad d: De wijze van handhaving door de gemeente met betrekking tot het feit dat [eisers] een bedrijf aan huis had gevestigd
[eisers] stellen daarnaast dat de gemeente op onrechtmatige wijze heeft gehandhaafd omdat [eisers] in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening bedrijfsactiviteiten op zijn perceel zou verrichten.
De rechtbank is van oordeel dat de gemeente op dit punt niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Dat volgt uit de uitspraak van de bestuursrechter die deze zaak heeft beoordeeld. Daarin is de gemeente in het gelijk gesteld wat betreft haar standpunt dat het handelen van [eisers] in strijd was met het bestemmingsplan (zie ook hiervoor in r.o. 3.10). Daaruit volgt al dat er geen sprake was van een onrechtmatig handhaven door de gemeente. Gesteld noch gebleken is dat deze uitspraak nadien in hoger beroep is vernietigd zodat de rechtbank er van uitgaat dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. [eisers] voeren ook aan dat de gemeente zou hebben gesproken met een van de grootste klanten van [eisers] , te weten Meko, waarna deze de lopende contracten met [eisers] zou hebben beëindigd. Dit wordt door de gemeente bij gebrek aan wetenschap betwist en is door [eisers] vervolgens niet verder onderbouwd. Aangezien [eisers] hierover geen concrete feiten en omstandigheden hebben aangevoerd, wordt deze stelling gepasseerd.
Overige verwijten
[eisers] hebben tijdens de mondelinge behandeling verder nog aangevoerd dat dat zij in hun eigen huis voortdurend werden geconfronteerd met (ongegrond) gemeentelijk optreden, waardoor sprake is van een inbreuk op hun recht op privacy en een schending van artikel 8 EVRM. Daarnaast stellen zij dat artikel 1.6 jo 2.1 van de Omgevingswet is geschonden omdat de gemeente haar plicht om voor een leefbare woonomgeving te zorgen heeft verzaakt. De rechtbank c.s. volgt [eisers] niet in dit verweer. Als een gemeente klachten ontvangt van buurtbewoners is zij op grond van haar publieke taak gehouden onderzoek naar die klachten te doen en zo nodig handhavend op te treden. Daarbij dient zij de belangen van [eisers] én van de individuele buurtbewoners in acht te nemen, alsmede de belangen van een leefbare woonomgeving en de openbare orde. Dat de gemeente met inachtneming van alle belangen heeft getracht het conflict op te lossen kan onder meer worden afgeleid uit het inzetten van mediation en buurtbemiddeling, het aanbieden van alternatieve woonruimte tegen een symbolische huur en de gesprekken over een mogelijke oplossing die met [eisers] in de loop van de jaren zijn gevoerd. Dat gemeente in strijd heeft gehandeld met artikel 8 EVRM en/of haar verplichtingen uit de Omgevingswet heeft veronachtzaamd, is bij gebrek aan onderbouwing van die stellingen niet komen vast te staan.
Het beroep op verjaring
Het voorgaande leidt ertoe dat het grootste deel van de verwijten aan het adres van de gemeente niet is komen vast te staan. Dat is anders ten aanzien van het punt van het buurtoverleg, waarbij de gemeente niet zorgvuldig heeft gehandeld. Dat laatste leidt echter niet tot een toewijzing van de vorderingen van [eisers]
De gemeente heeft een beroep op verjaring gedaan en dit beroep slaagt. Uit de hiervoor onder r.o. 3.13 van de vaststaande feiten geciteerde brief van [eisers] aan de gemeente van 6 april 2013 volgt immers dat zij op die datum al bekend waren met het handelen van de gemeente en de schade die zij als gevolg daarvan stellen te hebben geleden. Dat betekent dat de verjaringstermijn van vijf jaren op dat moment is aangevangen. [eisers] hebben niet aangevoerd dat zij de verjaring hebben gestuit en daarvan is ook anderszins niet gebleken. Verder is geen sprake van een voortdurend onrechtmatig handelen, aangezien enkel het organiseren van de buurtbijeenkomst als onzorgvuldig wordt aangemerkt. Het gevolg is dat de vordering op 6 april 2018 is verjaard.
Slotsom
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat [eisers] langdurig te maken hebben gehad met een slepend buurtconflict. Invoelbaar is dat zij daaronder hebben geleden en daar emotioneel nog steeds last van ondervinden. De conclusie in dit vonnis luidt dat de gemeente daarin een beperkte rol heeft gespeeld door een grote buurtbijeenkomst te organiseren in plaats van een overleg tussen de direct betrokkenen. Voor het overige kan niet worden vastgesteld dat de gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld. Van onrechtmatige besluiten tot handhaving is niet gebleken en evenmin is komen vast te staan dat de gemeente nalatig is geweest bij het uitvoeren van haar publieke taak. Voor zover de gemeente een verwijt kan worden gemaakt, is de vordering van [eisers] verjaard. De vorderingen van [eisers] worden afgewezen.
[eisers] wordt als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 1.306,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II) en € 189,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), in totaal € 1.495,00.
6. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisers] af,
veroordeelt [eisers] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 1.495,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na heden. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.