RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12342820 \ CV EXPL 26-1554
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. M.H.J. Booijink, advocaat te Almelo.
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. Z. Alkan, advocaat te Almelo.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10, en de in aanvulling daarop overgelegde productie 11,- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties,
- de mondelinge behandeling van 14 augustus 2026, waar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht, waarbij gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
Van de zijde van [partij A] zijn op 13 augustus 2026 omstreeks 18.00 uur de producties 12 tot en met 14 bij de griffie ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter beslist dat deze producties niet bij de beoordeling worden betrokken omdat deze buiten de in het procesreglement vermelde termijn zijn ingediend.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2. Samenvatting
[partij A] is in dienst bij [partij B] . Tussen partijen is in geschil of [partij B] [partij A] toestemming heeft verleend om van 30 juni tot (en met) 17 juli 2026 werkzaamheden te verrichten op Aruba. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet komen vast te staan dat [partij B] aan [partij A] deze toestemming heeft verleend. Dit geldt ook voor het uitvoeren van werkzaamheden op Aruba in de nabije toekomst. Dat betekent dat de vorderingen van [partij A] worden afgewezen. Het door [partij B] gevorderde wordt eveneens afgewezen. De voorzieningenrechter licht haar oordeel hierna toe.
3. De feiten
[partij A] is vanaf 2013 werkzaam voor [partij B] als monteur met een loon van laatstelijk € 4.399,99 bruto per maand op basis van een 38-urige werkweek. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Techniek van toepassing. In de arbeidsovereen-komst is in artikel 16 een verbod van nevenwerkzaamheden opgenomen. Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:
De werknemer onthoudt zich van het verrichten van werkzaamheden voor derden gelijk aan of vergelijkbar met de voor de werkgever te verrichten werkzaamheden, van het doen van zaken voor eigen rekening gelijk aan of vergelijkbaar met die zaken van werkgever, alsmede van elke directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij dergelijke werkzaamheden of zaken, een en andere behoudens de uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever. (…)
De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) was directeur van [partij B] . In
[datum] 2025 is hij overleden. [naam 1] was getrouwd met mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is hun zoon.
Na het overlijden van [naam 1] hebben er gesprekken plaatsgevonden met [partij A] en [naam 4] (hierna: [naam 4] ) om samen [partij B] over te nemen. Tot een overname is het niet gekomen.
In de periode van 26 mei tot en met 11 juni 2026 heeft [partij A] samen met
[naam 4] op Aruba werkzaamheden uitgevoerd voor [bedrijf] .
Op 29 juni 2026 was er een bijeenkomst bij de accountant van [partij B] , de heer
[naam 5] (hierna: [naam 5] ). Daarbij waren ook aanwezig [partij A] , [naam 4] , [naam 2] en [naam 3] .
Op 29 juni 2026 heeft [naam 2] [partij A] een WhatsAppbericht gestuurd met de volgende inhoud:
“Hedenmiddag bij [naam 5] heb je aangegeven je ontslag vandaag in te dienen. Onder die voorwaarde zou ik de verkering [bedoeld is: verzekering, toevoeging voorzieningenrechter] door laten lopen naar Aruba. Als dit niet gebeurt zal ik morgen jou uitsluiten voor de periode die je voor [naam 4] werkt in Aruba. Kortom je bent bij ons onverzekerd.”
Op 30 juni 2026 heeft [naam 2] [partij A] een WhatsAppbericht gestuurd met de volgende inhoud:
“Je bent hedenmorgen niet op het werk verschenen, en ik begrijp dat je zonder toestemming een andere klus gaat uitvoeren. Ik verzoek je alsnog binnen een half uur op het werk te verschijnen. Zoniet zal ik mij laten beraden.”
Op 30 juni 2026 is [partij A] opnieuw vertrokken naar Aruba om daar tot (en met) 17 juli 2026 werkzaamheden te verrichten.
Bij e-mailbericht van 2 juli 2026 heeft [partij B] [partij A] (onder meer) meegedeeld dat er sprake is van ongeoorloofd verzuim en dat hij daarom geen aanspraak kan maken op loon.
Op het over juli 2026 verschuldigde salaris heeft [partij B] 106,4 uren (als “Ongeoorloofd verzuim Uren”) in mindering gebracht.
4. Het geschil in conventie en in reconventie
[partij A] vordert in conventie betaling van (1) een bedrag van € 2.831,54 bruto aan achterstallig loon alsmede de wettelijke verhoging daarover en bij niet tijdige betaling de wettelijke rente over deze bedragen, en (2) een bedrag van € 493,87 aan buitengerechtelijke incassokosten en (3) de proceskosten. Daarnaast wordt gevorderd om het verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden te schorsen voor de periode van 22 augustus tot en met 11 september 2026, althans vervangende toestemming te verlenen om in voornoemde periode werkzaamheden te verrichten op Aruba.
[partij B] vordert in reconventie (kort gezegd) om [partij A] (1) te veroordelen om haar een bedrag van € 11.000,- aan verbeurde boetes te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, (2) te verbieden gebruik te (blijven) maken van vertrouwelijke informatie en/of bedrijfsgeheimen, (3) te gebieden de vertrouwelijke informatie en/of bedrijfsgeheimen die hij of een derde in bezit heeft, al dan niet in het bijzijn van een door [partij B] aan te wijzen onafhankelijke deskundige te vernietigen, en (4) te veroordelen in de proceskosten.
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Op de stellingen en de verweren van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan
5. De beoordeling in conventie en in reconventie
In conventie
Achterstallig loon
De voorzieningenrechter passeert het verweer van [partij B] dat [partij A] geen spoedeisend belang heeft bij zijn loonvordering. Het is vaste rechtspraak dat, in beginsel en ook in deze zaak, een loonvordering naar zijn aard een spoedeisend karakter draagt.
In deze procedure moet worden beoordeeld of de loonvordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De voorzieningenrechter baseert de beslissing dan ook op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.
De vraag is of [partij A] over de hiervoor onder 3.8 vermelde periode recht heeft op loon.
Artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een werkgever verplicht is het loon te (blijven) voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten van arbeid geheel of gedeeltelijk in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.
Volgens [partij A] heeft hij, hoewel door zijn verblijf op Aruba niet beschikbaar voor de bedongen werkzaamheden, toch recht op loon, omdat [partij B] toestemming heeft gegeven voor “de klus” op Aruba. [partij B] heeft de gestelde toestemming betwist.
Om te kunnen beoordelen of [partij B] toestemming heeft gegeven (een zelfstandig verweer van [partij A] , waarvan stelplicht en bewijslast op hem rusten), is nadere
bewijslevering nodig waarvoor in kort geding geen plaats is. Weliswaar stelt [partij A] terecht dat [naam 2] in het hiervoor onder 3.6 vermelde WhatsAppbericht niet vermeldt dat zij geen toestemming heeft gegeven, maar daarmee is nog niet gegeven dat zij wél toestemming heeft gegeven. Tegenover de schriftelijke verklaring van [naam 4] dat in goed overleg met [naam 2] is afgesproken dat [partij A] kon worden ingezet op Aruba, (ook) voor de periode van 30 juni tot en met 17 juli 2026, staan de schriftelijke verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 5] , die allen verklaren dat [partij A] deze toestemming niet had. De stelling van [partij A] (ter zitting) dat hij in voormelde periode niet was ingepland voor werkzaamheden bij [partij B] – waaruit dan de toestemming van [naam 2] zou moeten worden afgeleid – slaagt niet, nu [partij B] (onbetwist) heeft aangevoerd dat [naam 4] verantwoordelijk was voor de planning.
Dit betekent dat in deze procedure niet van de gestelde toestemming kan worden uitgegaan en daarmee dat de loonvordering (en de daarmee samenhangende vorderingen) van [partij A] moeten worden afgewezen.
Schorsing van het verbod op nevenwerkzaamheden/verlenen van vervangende toestemming
Volgens [partij A] wordt hij in de periode van 22 augustus tot en met
11 september 2026 verwacht op Aruba en heeft [partij B] hem daarvoor al toestemming gegeven, althans heeft zij geen enkele gegronde reden om hem dit niet toe te staan. [partij B] heeft daarop aangevoerd dat zij momenteel meerdere opdrachten heeft die moeten worden uitgevoerd, waarbij de inzet van [partij A] hard nodig is.
Zoals hiervoor al is overwogen, is de gestelde toestemming niet komen vast te staan. Dat het belang van [partij B] bij het kunnen inzetten van haar werknemer zou moeten wijken voor het belang van [partij A] bij vertrek naar Aruba valt niet in te zien. De vordering wordt dan ook afgewezen (waarbij in het navolgende nog wordt ingegaan op de vraag of het in casu wel gaat om nevenwerkzaamheden).
In reconventie
Gevorderde verbeurde contractuele boetes
[partij B] maakt aanspraak op een bedrag van € 11.000,- in verband met het overtreden van het verbod op nevenwerkzaamheden. Deze vordering wordt afgewezen. Nog daargelaten de vraag of het voor toewijzing van deze vordering noodzakelijke spoedeisend belang aanwezig is, geldt dat het in casu niet gaat om nevenwerkzaamheden (werkzaamheden die een werknemer buiten de tijdstippen waarop de bedongen arbeid moet worden verricht voor anderen uitvoert, ernaast dus), maar om ongeoorloofd verzuim, waarbij in plaats van de bedongen arbeid werkzaamheden voor anderen worden uitgevoerd.
Vernietiging in bezit zijnde vertrouwelijke informatie/bedrijfsgeheimen en verbod om daarvan gebruik te (blijven) maken
Volgens [partij B] heeft [partij A] de (concept)jaarrekeningen 2024 en 2025 aan zijn schoonvader verstrekt, hetgeen hem niet vrijstond. Zij wil dan ook dat [partij A] wordt geboden haar vertrouwelijke informatie te retourneren dan wel te (laten) vernietigen en dat hij wordt veroordeeld zich aan zijn geheimhoudingsplicht te houden, met een aan beide veroordelingen te verbinden dwangsom.
Nu [partij A] heeft betwist voormelde stukken met zijn schoonvader te hebben gedeeld en ook heeft betwist daarvan (nog) gebruik te maken, is een en ander niet komen vast te staan. Er is dan ook geen aanleiding het gevorderde toe te wijzen (hetgeen – uiteraard – onverlet laat dat [partij A] gebonden blijft aan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding).
Proceskosten in conventie en in reconventie
Hoewel ter zake een aparte veroordeling zou moeten volgen voor de proceskosten in conventie en die in reconventie, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten van partijen te compenseren. In conventie zou [partij A] immers worden veroordeeld in de proceskosten van [partij B] , in reconventie zou [partij B] worden veroordeeld in de proceskosten van [partij A] , waarbij zij aan elkaar eenzelfde forfaitaire vergoeding zouden moeten voldoen (“vestzak-broekzak”).
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
wijst het gevorderde af,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door mr. H. Bottenberg - van Ommeren op 21 augustus 2026.