RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-075929-25 (P)
Datum vonnis: 25 augustus 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.H. van Bommel, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. M. Adolfs, advocaat in Enschede, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld (primair), dan wel geprobeerd heeft om hem zwaar te mishandelen (subsidiair), dan wel hem heeft mishandeld (meer subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Enschede
aan een ander, te weten [slachtoffer],
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toegebracht
door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een
soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp in/tegen het gezicht/hoofd en/of
in/tegen de (linkers)chouder en/of in/tegen de (linker) arm te slaan en/of te steken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Enschede
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
immers heeft hij
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,
met een mes, althans met een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp
in/tegen het gezicht/hoofd en/of
in/tegen de (linker)schouder en/of
in/tegen de (linker) arm
geslagen en/of gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Enschede
[slachtoffer] heeft mishandeld,
door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een
soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp in/tegen het gezicht/hoofd en/of
in/tegen de (linker)schouder en/of in/tegen de (linker) arm te slaan en/of te steken.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege een geslaagd beroep op noodweer.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 13 juli 2024 heeft verdachte aangebeld bij de woning van [slachtoffer] in [plaats]. Na een woordenwisseling heeft verdachte een zakmes uit zijn zak gepakt, het mes opengeklapt en meermalen slaande en stekende bewegingen gemaakt tegen het hoofd, de schouder en de arm van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft daardoor steek-, snij- en krasletsels opgelopen op zijn hoofd, schouder en arm. Een deel van de wonden is gehecht. De ernst van het letsel is geclassificeerd als licht letsel (AISscore 1).
Vrijspraak primair ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd. Om tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde zware mishandeling te komen, moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Bij de beantwoording van de vraag of het letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, moet volgens jurisprudentie van de Hoge Raad de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel in aanmerking worden genomen. In de beoordeling kan verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert. De rechtbank heeft daarom in het bijzonder gelet op de bij [slachtoffer] geconstateerde restschade, te weten het zichtbare litteken op zijn voorhoofd, het uiterlijk en de ernst van dit litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dit litteken het lichaam ontsiert. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende waarneembaar is dat het litteken het gezicht van [slachtoffer] zodanig ontsiert dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Subsidiair: poging tot zware mishandeling
De rechtbank overweegt ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit, de poging tot zware mishandeling, als volgt. De rechtbank heeft uit het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting niet kunnen afleiden dat sprake is geweest van vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Dit neemt niet weg dat sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier op zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden gekeken naar de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder de naar ervaringsregels aanmerkelijke kans dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Verdachte heeft meermalen met een mes stekende en/of slaande bewegingen gemaakt richting het lichaam van [slachtoffer], waarbij hij het hoofd, de schouder en de arm van [slachtoffer] heeft geraakt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er een worsteling ontstond tussen hem en [slachtoffer] en dat hij niet meer weet hoe vaak en op welke wijze hij [slachtoffer] heeft gestoken met het mes. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd en het bovenlichaam kwetsbare en vitale delen van het menselijk lichaam zijn en dat het steken met een mes in het hoofd en het bovenlichaam ernstige gevolgen kan hebben. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, waarbij hij meermalen ongecontroleerd met een mes slaande en/of stekende bewegingen heeft gemaakt richting het hoofd en het bovenlichaam van [slachtoffer], naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het toebrengen van zwaar letsel aan het hoofd of de organen in het bovenlichaam, dat het niet anders kan dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Van contra-indicaties is niet gebleken. Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 juli 2024 te Enschede
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
immers heeft hij die [slachtoffer] meermalen met een mes
in/tegen het gezicht/hoofd en
in/tegen de (linker)schouder en
in/tegen de (linker) arm
geslagen en/of gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw zich overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer.
De raadsvrouw heeft hiertoe gesteld dat verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, omdat [slachtoffer] een vuurwapen voorhanden had en dat wilde pakken toen verdachte voor de deur stond en er een woordenwisseling ontstond.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegd schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] een vuurwapen voorhanden had.
Het oordeel van de rechtbank
Een beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, Sr kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] met een vuurwapen, gelet op de wisselende verklaringen van verdachte over hoe en waar hij het vuurwapen zou hebben waargenomen bij [slachtoffer] en het feit dat het dossier verder ook geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vuurwapen bevat. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.
Ook voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: poging tot zware mishandeling.
5. De strafbaarheid van verdachte
Het standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweerexces toekomt, omdat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] een vuurwapen voorhanden had.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces moet sprake zijn van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging die het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding. Zoals reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een (dreigende) ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer]. Daarom verwerpt de rechtbank ook het beroep op noodweerexces.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop en het feit dat verdachte sinds het feit niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. De verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat dat ertoe zou leiden dat verdachte zijn baan verliest.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door meermalen met een mes stekende en slaande bewegingen te maken tegen het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft daardoor letsel opgelopen aan zijn hoofd, schouder en arm. Het ongecontroleerde handelen van verdachte had veel ernstigere gevolgen kunnen hebben.
Verdachte heeft het feit gepleegd bij de voordeur van de woning van [slachtoffer] en hij is daarna gevlucht, zonder zich te bekommeren om [slachtoffer]. Een dergelijk feit zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, maar ook bij omwonenden. De rechtbank neemt dit alles verdachte kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 29 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 21 april 2026. De reclassering heeft beschreven dat verdachte het feit heeft gepleegd in een periode waarin het niet goed ging met hem; hij had geen werk meer en gebruikte alcohol en harddrugs. Sinds het feit is verdachte gestopt met het gebruik van harddrugs, is zijn alcoholgebruik beperkt en is hij niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Verdachte heeft afstand genomen van zijn negatieve sociale netwerk en heeft weer werk. De reclassering schat het recidiverisico in als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert om de zaak af te doen met een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De strafoplegging
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor zware mishandeling met behulp van een wapen is daarin als oriëntatiepunt, bij middelzwaar letsel, een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden opgenomen. Er wordt dan uitgegaan van een voltooid delict. In dit geval is er sprake van een poging tot zware mishandeling, waarbij de ernst van het letsel relatief gezien beperkt is gebleven.
Gezien de ernst van het gepleegde feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op het tijdsverloop sinds het feit en het reclasseringsadvies waaruit blijkt dat verdachte zijn leven op orde heeft en niet meer met justitie in aanraking is gekomen, zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en een onvoorwaardelijke taakstraf.
Op grond van artikel 22b, lid 1, onderdeel a, Sr kan een (kale) taakstraf niet worden opgelegd in geval van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer (formeel criterium) is gesteld. Daarbij geldt ook de eis dat het misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft gemaakt (materieel criterium). Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verdachte door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer], kan deze inbreuk – zonder daarmee afbreuk te willen doen aan de ernst van het feit – in juridische zin niet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk. De rechtbank stelt vast dat het taakstrafverbod daarom niet van toepassing is.
Alles overwegend, acht de rechtbank een taakstraf van 180 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van een jaar, passend en geboden.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod, zoals door [slachtoffer] is verzocht.
7. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.289,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bedraagt € 289,-- en bestaat uit de post eigen risico zorgverzekering 2026. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.000,-- gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij nietontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wat betreft de materiële schade, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft verzocht om de vergoeding voor de immateriële schade te matigen en vast te stellen op maximaal € 2.500,--.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De verdediging heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500, billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 15 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: poging tot zware mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.500,-- (bestaande uit immateriële schade) en wijst de vordering wat betreft de immateriële schade voor het overige af;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer]: van een bedrag van € 1.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2024);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,--, (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van € 289, (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. P.A.M. Miltenburg en E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024324500. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het procesverbaal van aangifte van [slachtoffer] van 13 juli 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina 15:
Ik ben neergestoken. Ik hoorde twee keer de bel gaan bij mij boven. Ik zag toen die kleine jongen staan en hij begon tegen mij te schreeuwen. Ik zag dat hij uit zijn achterzak van zijn broek iets pakte. Ik zag dat dit een mes was. Het was een klein mes wat hij in zijn rechterhand vast had. Ik zag dat hij op mij in stak. Ik ben gestoken op mijn hoofd en op mijn linkerarm/schouder. Alle wonden zijn gehecht.
2.
Het procesverbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Op 13 juli 2024 ben ik naar de woning van [slachtoffer] in [plaats] gegaan. Er ontstond eerst een woordenwisseling en daarna een worsteling. Ik heb een klein zakmes uit mijn jaszak gepakt, het mes open geklikt en ik heb meerdere prikkende bewegingen gemaakt tegen het lichaam van [slachtoffer] met het mes.
3.
Een schriftelijk bescheid, te weten een forensisch geneeskundige letselbeschrijving van 19 juli 2024, opgemaakt door drs. N.D.J. van Oosten, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina 84 e.v.:
Betrokkene: [slachtoffer]
1. Links op het voorhoofd, boven de linker wenkbrauw, bevindt zich een scherp begrensde omgekeerd L-vormige, gehechte huiddoorbreking.
3. Op de bovenzijde van de linker schouder bevindt zich een scherp begrensde, nagenoeg rechte, genezende lijnvormige huidbeschadiging.
4. Op de bovenzijde van de linker schouder bevindt zich een scherp begrensde, mild gebogen verlopende lijnvormige huiddoorbreking.
5. Op de bovenzijde van de linker schouder bevindt zich een matig scherp begrensde rechte lijnvormige, gehechte huidbeschadiging.
6. Op de buitenzijde van de linker bovenarm bevindt zich een scherp begrensde rechte lijnvormige, gehechte huidbeschadiging.
7. Op de voorzijde van de linker schouder bevindt zich een scherp begrensde rechte lijnvormige huidbeschadiging.
Soort verwonding (beoordeling): Letsel 1, 3, 5 en 6 betreffen huiddoorklievingen. Op basis van de medische gegevens, te weten het uitgevoerde aanvullend onderzoek en ingezette beleid, de ontstane bloeduitstorting en de geplaatste hechtingen, is aannemelijk dat letsel 3 en 5 dieper zijn dan breed en steekletsel betreffen. Op basis van de locatie (en de onderliggende weefsels) en het omliggend waargenomen letsel, is aannemelijk dat letsel 1 en 6 snijletsel betreft. Letsel 4 en 7, en het onderste deel van letsel 6, betreffen krasletsels. Krasletsel ontstaat door het schuren met een matig scherp puntig voorwerp over de huid of vice versa.
Ernst van het letsel: Het letsel resulteert in een AIS 1 (licht).
Genezingsduur en eventuele (blijvende) beperking:
De gehechte huiddoorklievingen genezen doorgaans binnen 3 weken, met achterlating van een litteken. De krasletsels en bloeduitstortingen genezen doorgaans binnen 2 weken zonder (blijvende) beperkingen.