ECLI:NL:RBOVE:2026:5186

ECLI:NL:RBOVE:2026:5186

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer C/08/346345 / HA RK 26-38
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Beschikking inzake verzoek 194 en 195 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer / rekestnummer: C/08/346345 / HA RK 26-38

Beschikking van 25 augustus 2026

in de zaak van

PROTESTANTSE THEOLOGISCHE UNIVERSITEIT,

te Utrecht,

verzoekende partij,

hierna te noemen: PThU,

advocaat: mr. H.C.W. Geffroy,

tegen

NACHTZON MEDIA B.V.,

te Zwolle,

verwerende partij,

hierna te noemen: Nachtzon,

advocaat: mr. M.C. Coops.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 juni 2026.

De beschikking is, na aanhouding, bepaald op vandaag.

2. De feiten

PThU is een theologische universiteit gevestigd te Utrecht. Zij verzorgt bachelor- en masteropleidingen Theologie. De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuursvoorzitter van de PThU.

Mevrouw prof. dr. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam als hoogleraar bij de PThU.

[naam 2] is benoemd tot [titel] voor het jaar [jaar] .

Nachtzon is een marketing- en mediabedrijf en houdt zich veelal bezig met religieuze mediaproducties. De heer [naam 3] is aandeelhouder en bestuurder van Nachtzon.

[naam 2] heeft met [naam 3] gesproken over een samenwerking met betrekking tot de invulling van de titel van [titel] en eventuele fondsenwerving hiervoor door Nachtzon.

De samenwerking tussen [naam 3] en [naam 2] heeft uiteindelijk geen concrete uitvoering gekregen.

Op 2 oktober 2025 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en Nachtzon.

3. Het verzoek en het verweer

Op 26 maart 2026 heeft de rechtbank een verzoekschrift ontvangen van PThU. Zij verzoekt de rechtbank om op grond van het bepaalde in artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Nachtzon Media te bevelen tot het verstrekken van inzage en afschrift van gegevens waarover Nachtzon Media beschikt. PThU verzoekt inzage te krijgen in en afschrift te verkrijgen van:

alle correspondentie in al dan niet digitale vorm en daarmee samenhangende gegevens die betrekking heeft/hebben op alle (rechts)personen, waaronder kerkgenootschappen, die door Nachtzon zijn benaderd of, al dan niet via de digitale weg, zijn aangeschreven in het kader van een (mogelijke) fondsenwerving, een en ander in de ruimste zin van het woord met betrekking tot uit te voeren projecten met [naam 2] als [titel] (of [titel] );

alle gegevens die verband houden met het hiervoor bepaalde , waaronder (betalings)toezeggingen en bankoverschrijvingen van betalingen die in dat verband door sponsoren aan Nachtzon Media zijn gedaan.

Aan het verzoek heeft PThU het volgende ten grondslag gelegd. De samenwerking tussen partijen is niet van de grond gekomen zoals dat de bedoeling was. PThU is van mening dat door de inzet van [naam 2] de projecten alsnog zijn doorgegaan, terwijl Nachtzon daarvoor geen inspanningen heeft geleverd en ook niet (meer) bereikbaar was. PThU vermoed dat er door diverse fondsen aan Nachtzon betalingen zijn gedaan, of betalingen zijn toegezegd, maar Nachtzon heeft hierover geen rekening en verantwoording afgelegd aan PThU. PThU heeft echter wel kosten gemaakt die samenhangen met de samenwerking.

PThU heeft belang bij het verzochte, nu partijen beoogden hun samenwerking te financieren met bijdragen van sponsoren. Tijdens het gesprek van 2 oktober 2025 heeft Nachtzon bovendien volgens PThU toegezegd de door haar gevraagde gegevens met betrekking tot de fondsenwerving te verstrekken. PThU wil aan de hand van deze gegevens nagaan of de toegezegde gelden alsnog door PThU kunnen worden verkregen, zodat daarmee de kosten van het project (deels) kunnen worden gedekt.

Nachtzon verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Volgens Nachtzon is het plan dat zij en [naam 2] voor ogen hadden nooit nader geconcretiseerd. Zo is het gebruikelijk om bij een dergelijke samenwerking bijvoorbeeld met een concept-productieovereenkomst te werken, maar een dergelijke overeenkomst is niet opgesteld. Niettemin is Nachtzon op enig moment wel begonnen met het richten van haar werkzaamheden op de vervaardiging van een aantal mediaproducties voor [naam 2] . Voor deze producties was op dat moment geen financiering beschikbaar. Het was de bedoeling om, indien mogelijk, in een later stadium financiering via fondsenwerving te verkrijgen. De door Nachtzon ingediende aanvragen voor fondsen ten behoeve van het project met [naam 2] hebben echter niet tot financiering geleid. Derden bleken geen belangstelling te hebben om de beoogde mediaproducties te financieren.

Nachtzon voert aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 194 lid 1 Rv. Naar de mening van Nachtzon heeft PThU het bestaan van een rechtsbetrekking tussen haar en Nachtzon onvoldoende aannemelijk gemaakt. Nachtzon stelt dat zij uitsluitend afspraken met [naam 2] heeft gemaakt en dat van een rechtsbetrekking met PThU geen sprake is. De omstandigheid dat [naam 2] in dienst is van PThU, maakt PThU volgens Nachtzon niet zonder meer partij bij de tussen [naam 2] en Nachtzon gemaakte afspraken. Ook heeft PThU volgens Nachtzon onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een rechtmatig belang heeft bij de door haar gevraagde inzage. Het door PThU gestelde belang berust volgens Nachtzon niet op concrete feiten, maar voornamelijk op aannames en stellingen. Daarnaast acht Nachtzon het verzoek disproportioneel van aard. PThU verzoekt immers niet om inzage in één concreet en afgebakend document, maar om inzage in brede categorieën van informatie, waaronder informatie over fondsen, communicatie, toezeggingen, gestelde betalingen en alle daarmee verband houdende gegevens. Tot slot betoogt Nachtzon dat gewichtige redenen zich verzetten tegen de gevraagde inzage. Verstrekking van de gevraagde gegevens geeft inzage in het netwerk van Nachtzon en dat levert PThU een onredelijk concurrentievoordeel op. Bovendien verzet de AVG zich tegen afgifte van de correspondentie. Nachtzon concludeert dan ook dat het verzoek van PThU dient te worden afgewezen, nu volgens haar niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 194 lid 1 Rv.

4. De beoordeling

Op grond van artikel 194 lid 1 Rv kan degene die daarbij een rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel verlangen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is. Voor toewijzing van een dergelijk verzoek is onder meer vereist dat voldoende aannemelijk is dat tussen partijen een rechtsbetrekking bestaat. Daarbij is niet vereist dat reeds vaststaat welke rechtsverhouding partijen precies tot elkaar hebben of dat sprake is van een schriftelijke overeenkomst.

Nachtzon heeft aangevoerd dat tussen haar en PThU geen rechtsbetrekking bestaat, omdat zij uitsluitend afspraken met [naam 2] heeft gemaakt en niet met PThU. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en op grond van de stukken in het dossier echter niet worden vastgesteld dat tussen PThU en Nachtzon geen rechtsbetrekking bestaat. Uit de stellingen van partijen volgt dat Nachtzon gedurende enige tijd betrokken is geweest bij de totstandkoming en uitvoering van plannen voor mediaproducties, waarbij ook personen die aan PThU zijn verbonden betrokken waren. Bovendien heeft het gesprek op 2 oktober 2025, waarbij onder andere is gesproken over de fondsenwerving, plaatsgevonden met [naam 1] in zijn functie van bestuursvoorzitter van PThU. Op geen moment heeft Nachtzon daarbij aangegeven dat PThU voor haar geen gesprekspartner was omdat er geen rechtsbetrekking tussen partijen zou bestaan.

Dat tussen PThU en Nachtzon geen overeenkomst is gesloten, zoals Nachtzon stelt, betekent evenmin dat reeds daarom geen sprake kan zijn van een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 194 lid 1 Rv. Een rechtsbetrekking kan immers ook op andere grond ontstaan dan door het sluiten van een overeenkomst. Of tussen PThU en Nachtzon daadwerkelijk een rechtsbetrekking bestaat en, zo ja, wat de aard en omvang daarvan is, kan op basis van de thans beschikbare informatie niet zonder meer worden vastgesteld. Het bestaan en de inhoud van die rechtsbetrekking kunnen onderwerp zijn van een eventuele bodemprocedure.

Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee niet vast dat aan het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking tussen partijen, niet is voldaan.

PThU heeft gesteld dat zij een rechtmatig belang heeft bij het verzoek, omdat zij wil kunnen vaststellen welke afspraken Nachtzon met derden heeft gemaakt en welke financiële toezeggingen en middelen in het kader van de voorgenomen samenwerking beschikbaar zijn gesteld of konden worden verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft PThU daarmee voldoende toegelicht welk belang zij bij inzage in de gevraagde bescheiden heeft.

Dat, zoals Nachtzon heeft aangevoerd, het door PThU gestelde belang mede berust op nog niet vaststaande feiten en dat zij betwist dat bindende afspraken zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Juist de gevraagde bescheiden kunnen van belang zijn om duidelijkheid te verkrijgen over hetgeen tussen de betrokken partijen is besproken en afgesproken. Het belang van PThU is daarmee voldoende concreet en rechtmatig. Dat de precieze omvang of inhoud van de rechtsbetrekking nog niet vaststaat, staat aan het aannemen van een rechtmatig belang niet in de weg.

Vervolgens ligt de vraag voor of het verzoek betrekking heeft op bepaalde bescheiden als bedoeld in artikel 194 lid 1 Rv. PThU heeft verzocht om inzage in verschillende categorieën van documenten en gegevens die betrekking hebben op de voorgenomen samenwerking met Nachtzon, waaronder informatie over fondsen, communicatie, toezeggingen en betalingen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek in de huidige vorm te ruim geformuleerd. Artikel 194 lid 1 Rv biedt geen grondslag voor een verzoek tot het verstrekken van documenten of informatie die slechts in algemene zin verband houden met een bepaalde samenwerking. Het moet voldoende duidelijk zijn op welke concrete bescheiden het verzoek betrekking heeft. De verzoeker dient daarbij de bescheiden waarop het verzoek ziet voldoende specifiek te identificeren.

In dit geval heeft PThU onvoldoende concreet gemaakt welke specifieke bescheiden zij van Nachtzon verlangt. De gevraagde informatie over onder meer fondsen, communicatie, toezeggingen en betalingen omvat een brede en niet afgebakende hoeveelheid mogelijk aanwezige documenten. Daarmee is onvoldoende bepaald welke bescheiden door Nachtzon moeten worden verstrekt.

Dit leidt ertoe dat het verzoek niet in volle omvang kan worden toegewezen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding het verzoek te beperken tot de personen en organisaties die PThU in productie 4 bij het verzoekschrift met naam heeft genoemd.

Voor zover Nachtzon beschikt over bescheiden die betrekking hebben op de in productie 4 genoemde personen en organisaties en die zien op de fondsenwerving voor de mediaproductie ten behoeve van [naam 2] , is daarmee voldoende concreet afgebakend op welke bescheiden het verzoek betrekking heeft. Het gaat daarbij om bescheiden betreffende:

[organisatie 1] ;

[organisatie 2] ;

[organisatie 3] ;

[organisatie 4] ;

[organisatie 5] ;

[naam 4] ;

[organisatie 6] ;

[organisatie 7] ;

[organisatie 8] ;

[naam 5] ; en

[organisatie 9] .

De verzochte inzage zal daarom worden beperkt tot de bescheiden die betrekking hebben op deze personen en organisaties en die zien op de fondsenwerving voor de mediaproductie ten behoeve van [naam 2] als [titel] [jaar] .

Nu het verzoek op deze wijze wordt beperkt volgt de rechtbank Nachtzon ook niet in haar verweer dat gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten. De lijst met hiervoor genoemde personen en organisaties is immers in een eerder stadium door Nachtzon zelf met [naam 2] en PThU gedeeld. Van ongewenste inzage in een netwerk is derhalve geen sprake. Bovendien behelst het verzoek geen inzage in persoonsgegevens van deze partijen, maar slechts correspondentie met betrekking tot de werving van fondsen.

De rechtbank zal de gevorderde dwangsom toewijzen, nu Nachtzon tot op heden niet vrijwillig is overgegaan tot het verstrekken van enige informatie. De rechtbank zal de dwangsom matigen zoals hierna volgt.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Nachtzon om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan PThU afschriften te verstrekken van alle correspondentie, al dan niet in digitale vorm, met de in rechtsoverweging 4.10 genoemde (rechts)personen, waaronder (betalings)toezeggingen en bankoverschrijvingen waaruit betalingen blijken, voor zover deze betrekking hebben op de fondsenwerving ten behoeve van de mediaproductie voor [naam 2] als [titel] [jaar] ;

Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Nachtzon niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.000,00;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand