RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-056448-26 (P)
Datum vonnis: 25 augustus 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1987 in [geboorteplaats 1],
wonende aan de [adres 1],
nu verblijvende in de P.I. [locatie].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. J.S. de Gram, advocaat in Den Haag, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door
mr. V.A. Batelaan, advocaat in Amsterdam (die heeft waargenomen voor haar kantoorgenoot, mr. E.W. Baan, advocaat in Enschede) is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 23 februari 2026 in Enschede haar echtgenoot [slachtoffer] in zijn rug heeft gestoken en daarmee (primair) heeft geprobeerd hem van het leven te beroven, dan wel (subsidiair) hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel (meer subsidiair) heeft geprobeerd om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op of omstreeks 23 februari 2026 te Enschede
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven,
met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of
puntig voorwerp, in de rug, althans in het bovenlichaam heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 23 februari 2026 te Enschede
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (met kracht) met een mes,
althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het
bovenlichaam te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 23 februari 2026 te Enschede
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of
puntig voorwerp, in de rug, althans in het bovenlichaam heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie gaat daarbij uit van vol opzet, omdat verdachte daadwerkelijk de bedoeling had om [slachtoffer] te doden. Voorgaande blijkt uit uitlatingen die verdachte voorafgaand aan het incident heeft gedaan en haar handelen tijdens het incident waarbij ze [slachtoffer] in zijn rug stak. Dergelijk handelen is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het doden van [slachtoffer] dat het niet anders kan dan dat de wil van verdachte daarop was gericht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood. Ook van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling moet verdachte worden vrijgesproken, omdat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 23 februari 2026 waren [slachtoffer] en verdachte, echtgenoten, samen in hun woning in [woonplaats]. Verdachte was boos op [slachtoffer] omdat een deel van haar Wajong-uitkering was ingehouden, wegens advocaatkosten die [slachtoffer] had gemaakt. Toen [slachtoffer] die middag thuiskwam, was verdachte nog steeds boos op hem. Verdachte liep op enig moment naar de keuken. Nadat verdachte weer uit de keuken kwam gelopen, ontstond tussen verdachte en [slachtoffer] een worsteling. In die worsteling – of kort na de worsteling – heeft verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn rug gestoken. [slachtoffer] is daarna via de achterzijde van de woning naar buiten gelopen. Tijdens het verlaten van de woning voelde [slachtoffer] het bloed langs zijn benen naar beneden glijden. [slachtoffer] heeft kort daarna zelf 112 gebeld. [slachtoffer] is door de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij later die dag is geopereerd aan zijn verwonding. In een tweetal rugspieren werden enkele bloedingen behandeld. De spieren, het onderhuids weefsel en de huid werden gehecht en [slachtoffer] werd ter observatie opgenomen in het ziekenhuis. Een dag later, op 24 februari 2026, mocht [slachtoffer] weer naar huis.
Door forensisch artsen is een letselrapportage opgesteld. Het letsel van [slachtoffer] wordt beschreven als een huiddoorklieving van ongeveer vier centimeter op de linkerzijde van de rug ter hoogte van de punt van het linkerschouderblad. Een huiddoorklieving ontstaat door een scherprandig voorwerp. Er was sprake van een actief, pulserend bloedende wond. Het pulsatiel bloedverlies wijst op een doorklieving van in ieder geval één slagader. Een slagaderlijke bloeding is per definitie levensbedreigend. Zonder medisch ingrijpen overlijdt een persoon aan een slagaderlijke bloeding.
Overwegingen en oordeel
Poging tot doodslag
De rechtbank stelt op grond van voornoemde feiten en omstandigheden vast dat verdachte met kracht een mes in de (boven)rug van [slachtoffer] heeft gestoken. Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].
De rechtbank oordeelt, anders dan door de officier is aangevoerd, dat bij verdachte geen sprake is geweest van vol opzet op de dood van [slachtoffer]. In het dossier bevindt zich een aantal berichten en gedragingen van verdachte die mogelijk wijzen op de intentie om [slachtoffer] van het leven te brengen. De rechtbank is van oordeel dat – vanwege de turbulente relatie tussen verdachte en [slachtoffer] waarin dit soort uitlatingen klaarblijkelijk vaker werd gedaan – aan voorgaande geen gewicht kan worden toegekend. De rechtbank ziet in de overige inhoud van het dossier onvoldoende aanwijzingen dat verdachte de intentie had om [slachtoffer] om het leven te brengen. De rechtbank betrekt bij dat oordeel het feit dat verdachte [slachtoffer] in of kort na een worsteling en dus in een chaotische situatie met het mes in zijn rug heeft gestoken. Ook om die reden acht de rechtbank ‘vol opzet’ op de dood van [slachtoffer] niet bewezen.
De vervolgvraag is of sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van [slachtoffer], is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, waarbij zij met kracht een mes in de (boven)rug van [slachtoffer] heeft gestoken, naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer oplevert. Uit de letselrapportage volgt dat bij verdachte sprake was van een slagaderlijke bloeding, wat per definitie levensbedreigend is. Zonder medisch ingrijpen was [slachtoffer] aan deze bloeding overleden. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich rondom de (boven)rug kwetsbare lichaamsdelen bevinden die door een mes zodanig beschadigd kunnen worden, dat dit kan leiden tot levensbedreigende situaties. Het voorgaande wordt onderschreven door de forensisch medische letselrapportage van de deskundigen T. Gelderman en G. Reijnen. Gelet op de algemene ervaringsregel moet verdachte ook de wetenschap hebben gehad van die aanmerkelijke kans. De rechtbank acht daarom, anders dan door de raadsman van verdachte is bepleit, bewezen dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer]. Van contra-indicaties, waaruit blijkt dat verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, is niet gebleken.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag zoals tenlastegelegd onder 1 primair.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 23 februari 2026 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer] met kracht met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: poging tot doodslag.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld en dat deze bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op haar echtgenoot, [slachtoffer], in hun woning. Verdachte heeft [slachtoffer] in de woning met kracht met een mes in zijn rug gestoken. [slachtoffer] heeft hierdoor blijvend letsel, in de vorm van een zichtbaar litteken, opgelopen, maar de gevolgen hadden vele malen erger kunnen zijn. Verdachte heeft door haar handelen het risico genomen dat [slachtoffer] zou komen te overlijden en een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat het feit veel impact op het leven van [slachtoffer] heeft gehad en nog steeds heeft, op zowel fysiek als psychisch vlak. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 23 juni 2026, waaruit volgt dat zij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 18 mei 2026 en wat verdachte op de zitting over haar persoonlijke omstandigheden heeft verteld.
Uit het reclasseringsrapport volgt onder meer dat verdachte wegens lichamelijke problemen niet in staat is om te werken en een Wajong-uitkering ontvangt. Verdachte verklaart dat al jaren sprake is van relationele problemen tussen [slachtoffer] en haar. Er is lange tijd sprake geweest van bewindvoering door schulden. Ruzies waarbij verdachte tegen haar partner schreeuwde en zinnen als “ik maak je kapot” gebruikte waren hierbij geen uitzondering. Verdachte heeft bij de reclassering kenbaar gemaakt psychisch te lijden in detentie en het niet vol te kunnen houden. Ook ter zitting heeft verdachte verklaard het zwaar te hebben in detentie en een kwetsbaar persoon te zijn. De casemanager van verdachte heeft bevestigd dat verdachte zich in detentie moeilijk kan aanpassen en verschillende disciplinaire straffen heeft gekregen. De reclassering heeft, gelet op de ontkennende houding van verdachte, geen inschatting kunnen maken van het recidiverisico. De reclassering constateert wel dat verdachte intensieve ondersteuning en begeleiding nodig heeft om haar leven op te bouwen. Een instelling voor begeleid wonen, zoals Stichting TRAI, zou daarvoor geschikt zijn. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod (met elektronisch toezicht) rondom de woning van verdachte en [slachtoffer] in [woonplaats].
De strafoplegging
De rechtbank houdt bij bet bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet daarop, en gezien de ernst van het gepleegde feit, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur hiervan weegt de rechtbank ook de volgende omstandigheden mee.
De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte op de rechtbank een kwetsbare indruk maakt. Deze constatering vindt steun in de omstandigheid dat verdachte een Wajong-uitkering ontvangt en het rapport van de reclassering, waarin ook de betrokkenheid van de William Schrikker Groep, al voor de geboorte van de dochter van verdachte en [slachtoffer] wordt vermeld. Ook weegt de rechtbank mee dat het strafbare feit is gepleegd tegen de achtergrond van jarenlange relationele problematiek tussen verdachte en het slachtoffer, waarin het slachtoffer ook een aandeel heeft gehad. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte in grote mate (psychisch) lijdt in detentie. Vanuit het oogpunt van speciale preventie ziet de rechtbank vooral noodzaak in intensieve ondersteuning en begeleiding voor verdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 15 voorwaardelijk, passend en geboden. Dit met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd wordt vastgesteld op 3 jaren. De rechtbank zal hierbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. Omdat er een echtscheidingsprocedure tussen verdachte en [slachtoffer] loopt, zal de rechtbank ten aanzien van het contactverbod bepalen dat noodzakelijk contact met betrekking tot die procedure plaats dient te vinden via de advocaten van verdachte en [slachtoffer].
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal verder bevelen dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er - gelet op de persoon van verdachte en de aard van het bewezenverklaarde feit, zoals hiervoor is uiteengezet - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
De voorlopige hechtenis
De raadsman van verdachte heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dit verzoek af, gelet op de bewezenverklaring, de overige inhoud van dit vonnis en de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf.
7. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 9.052,58, bestaande uit een bedrag van € 552,58 aan materiële schade en een bedrag van
€ 8.500,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- winterjas € 50, --;
- trui € 24,99;
- trainingsbroek € 44,99;
- wit T-shirt € 12,99;
- boxer € 6,67;
- sokken € 5,59;
- schoenen € 44,99;
- eigen risico € 362,36.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade heeft de raadsman bepleit dat de kleding die als schadepost in de vordering is opgenomen, niet kan worden aangemerkt als schadepost voor de benadeelde partij, omdat verdachte deze kleding aan de benadeelde partij heeft gegeven. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman de rechtbank verzocht om dit bedrag toe te wijzen tot een bedrag van circa € 1.500,--.
Het oordeel van de rechtbank
Hiervoor heeft de rechtbank reeds overwogen dat het strafbare feit is begaan tegen de achtergrond van jarenlange relationele problematiek tussen verdachte en de benadeelde partij, waarin de benadeelde partij ook een aandeel heeft gehad. Gelet op artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek kan de schadevergoedingsverplichting van verdachte worden verminderd als sprake is van medeschuld (of eigen schuld) van de benadeelde partij. Als sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, kan de schade worden verdeeld over de benadeelde partij en de verdachte, evenredig aan de mate waarin zij hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade.
De mate van medeschuld van de benadeelde partij is tevens een omstandigheid die van belang is bij het naar billijkheid vaststellen van de immateriële schade.
Voor het bepalen van de totale schade is de mate van medeschuld dus om in ieder geval twee redenen van belang.
De rechtbank kan op grond van het procesdossier en het onderzoek op de zitting op dit moment niet beoordelen in hoeverre de benadeelde partij een aandeel heeft gehad in het strafbare feit. Om dit te kunnen beoordelen is een uitgebreide nadere behandeling en standpuntuitwisseling tussen de benadeelde partij en verdachte nodig. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van het strafproces. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: poging tot doodslag.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 15 (vijftien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres: [adres 2], [telefoonnummer];
- meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door een forensisch polikliniek of
een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering
de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
- verblijft bij TRAI of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2]. Noodzakelijk contact verband houdende met de lopende echtscheidingsprocedure tussen verdachte en [slachtoffer] dient plaats te vinden via de daarbij betrokken advocaten van verdachte en [slachtoffer];
- zich niet bevindt in het verboden gebied (zoals afgebeeld in de bijlage van het reclasseringsrapport van 18 mei 2026), zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
- voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het
elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
Verdachte dient mee te werken aan de aansluiting van het elektronische monitoringmiddel dat kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal dan plaatsvinden in de Penitentiaire Inrichting.
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. de Bie, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en
mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. van Leeuwen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ON2R026014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 augustus 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Op 23 februari 2026 was ik met mijn man, [slachtoffer] , in onze woning in [woonplaats]. Die ochtend ontdekte ik dat een deel van mijn Wajong-uitkering was ingehouden. Ik was boos op [slachtoffer], omdat dit was veroorzaakt door advocaatkosten die hij had gemaakt. Er is die middag tussen mij en [slachtoffer] een worsteling geweest. Er was ook een mes. Het kan kloppen dat ik [slachtoffer] gestoken heb.
het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 24 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina’s 49 tot en met 52:
Op 23 februari 2026 waren ik en mijn vrouw, [verdachte] , in onze woning in [woonplaats].
’s Ochtends zag [verdachte] dat er ruim vierhonderd euro van haar Wajong-inkomen was ingehouden. [verdachte] werd heel boos. Toen ik ’s middags thuiskwam rond iets over 13.00 uur, had [verdachte] nog duidelijk last van spanning en woede. Ik zag [verdachte] naar de keuken lopen. Na ongeveer één minuut kwam ze uit de keuken lopen. Daarna stond [verdachte] ineens voor mij, op ongeveer 1,5 meter. Ik zag dat ze iets in haar hand had. Toen heb ik geprobeerd om het voorwerp vast te pakken. Dat lukte niet, [verdachte] heeft namelijk heel veel kracht. Toen het niet lukte om het voorwerp uit haar hand te pakken, draaide ik mij om en wilde ik de woning verlaten via de achterzijde. Toen voelde ik iets in mijn rug. Tijdens het verlaten van de woning voelde ik vocht langs mijn benen naar beneden glijden. Toen ik naar beneden keek, zag ik dat er langzaam bloed naar beneden druppelde op mijn schoen. Toen besefte ik mij dat [verdachte] mij met een mes in de rug moest hebben gestoken en dat het een mes is wat zij in de hand had gehad. Het kan niks anders geweest zijn. Toen heb ik 112 gebeld. Ik ben in de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Ik ben daar geopereerd om de bloeding te stoppen en de wond dicht te maken. Vanmorgen, 24 februari 2026, mocht ik weer naar huis.
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), betreffende de forensische medische letselrapportage met benoeming, opgemaakt door forensisch artsen T. Gelderman en G. Reijnen, van 26 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina’s 148 tot en met 157:
Betrokkene: [slachtoffer]
Op 23-02-2026 werd betrokkene met de ambulance naar de spoedeisende hulp van het [ziekenhuis] te [plaats] gebracht. Bij lichamelijk onderzoek in het ziekenhuis was sprake van een ‘steekverwonding’ links op de rug ter hoogte van de punt van het schouderblad dat actief bloedde. Betrokkene werd overgebracht naar de operatiekamer. Alhier werd een actief, pulserend bloedende wond gezien ter hoogte van het schouderbladpunt links. In een tweetal rugspieren werden enkele bloedingen behandeld. De spieren, het onderhuids weefsel en de huid werden gehecht en betrokkene werd ter observatie opgenomen.
Het huidletsel bestaat uit een doorklieving van geschat 4 cm. Een huiddoorklieving ontstaat door een scherprandig voorwerp.
Het letsel bevindt zich tot in de spieren en tot aan het doornuitsteeksel van de 6e borstwervel. Nabijgelegen structuren zijn de organen in de borstholte (met name de longen en de grote borstslagader), het middenrif, de ontspringende zenuwen uit het ruggenmerk en het ruggenmerg zelf. Het raken van de longen leidt tot een bloeding en een (spannings)klaplong. Een spanningsklaplong is een levensbedreigende situatie dat zonder medisch handelen leidt tot overlijden. Het raken van de grote borstslagader leidt tot een zeer kritieke acute bloeding dat zonder medisch handelen per definitie leidt tot overlijden.
Het pulsatiel bloedverlies wijst op een doorklieving van in ieder geval één slagader. Een slagaderlijke bloeding is per definitie levensbedreigend. Ondanks het dichtdrukken van het letsel was het pulsatiel bloedverlies tijdens de operatie nog aanwezig. Dit betekent dat het bloeden vanaf het moment van ontstaan tot aan de operatie niet uit zichzelf is gestopt door stolling. Zonder medisch ingrijpen overlijdt een persoon aan een slagaderlijke bloeding.