ECLI:NL:RBOVE:2026:5191

ECLI:NL:RBOVE:2026:5191

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer C/08/334689 / HA ZA 25-193
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Bestuurdersaansprakelijkheid

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

vonnis

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer C/08/334689 / HA ZA 25-193

Vonnis van 19 augustus 2026

in de zaak van

mr. Philippe Edward Marcel Schol q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

Serenotex B.V.,

kantoorhoudende te Enschede,

eiser, hierna te noemen: de curator,

advocaat mr. P. Gorter te Enschede,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat: mr. L. Meijerink te Enschede.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij zijn verschenen de curator, vergezeld van mr. Gorter, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , vergezeld van mr. Meijerink. Partijen hebben na de mondelinge behandeling om aanhouding verzocht. Partijen hebben de rechtbank vervolgens bericht niet tot overeenstemming te zijn gekomen en vonnis gevraagd. Vonnis is na aanhouding bepaald op heden.

2. De feiten

Bij overeenkomst van 23 december 2016 heeft Serenotex B.V. (hierna: Serenotex) op going concern basis per 30 september 2016 de onderneming van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) gekocht tegen een koopprijs van € 1.414.557,-.

[bedrijf 1] , dat werd bestuurd door de vader van [gedaagde 1] , was op dat moment een verlieslatend bedrijf, dat onder bijzonder beheer van haar huisbank stond. [gedaagde 1] was tot 1 oktober 2016 bestuurder van [bedrijf 1] en aandeelhouder in het kapitaal van de aandeelhouder van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] B.V. (hernoemd tot [bedrijf 3] B.V.), met als bestuurder de vader van [gedaagde 1] . Omdat [gedaagde 1] bestuurder van [bedrijf 1] was geweest, staat in de overeenkomst dat haar wetenschap ten aanzien van de onderneming, de activa en de overige omstandigheden die daarmee samenhangen worden toegerekend aan Serenotex.

Bij de overeenkomst zijn onder meer de voorraden, gebaseerd op een balanswaarde van € 1.067.253,-, het klantenbestand, handelsmerken en arbeidsovereenkomsten met het personeel overgedragen. Ter zake van goodwill is een koopsom ad € 250.000,- afgesproken. De debiteuren van [bedrijf 1] zijn niet verkocht aan Serenotex.

Een deel groot € 450.000,- van de totale koopsom is betaald door stortingen van aandeelhouders. Een deel van de koopsom ad € 700.000,- is omgezet in een achtergestelde lening, met een aflossingsverplichting per juli 2017 van € 8.400,- per maand en een rente van 4% per jaar. Een deel ad € 225.000,- van de koopsom is omgezet in een geldlening met een aflossingsverplichting per februari 2017 van € 3.750,- per maand en een rente van 4% per jaar. Het resterende deel van de koopsom (ad € 39.557,-) is in rekening courant geboekt.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] , levenspartners, zijn vanaf de oprichting van Serenotex haar statutair bestuurders. [gedaagde 2] is dat gebleven tot en met 30 april 2022. [gedaagde 1] is bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 4] B.V., [gedaagde 2] is bestuurder en aandeelhouder van Inversion Beheer B.V.

Op 30 juli 2018 heeft [gedaagde 2] de vader van [gedaagde 1] onder meer bericht:

“Kan niet ontkennen dat er problemen zijn maar daar komen we wel overheen. Zo niet, dan trekken wij de stekker er ook uit.

(…)

Wil je er even aan herinneren dat voordat wij tot een overeenkomst kwamen, [bedrijf 1] BV ook al failliet was. (…)

Wellicht dat je ook vergeten bent dat wij de volle waarde voor de voorraden hebben betaald, terwijl, en dat wisten we, er ruim € 550.000 aan artikelen lag waar de doorlooptijd meer dan een jaar was. Daar zitten we deels nog mee. Voorraad heeft zeker geen, of slechts een geringe waarde als het er langer dan een jaar ligt.

(…)

Voor de goede order! Wij hebben in Serenotex als investeerders er ook € 800.000 ingestopt en dat doen we omdat we geloof in de onderneming hebben. Nog steeds.

(…)”

Serenotex heeft de belastingdienst op 13 augustus 2018 om uitstel van betaling en een betalingsregeling verzocht. In de toelichting op het verzoek staat:

“(…) In het najaar van 2017 heeft dit geresulteerd in een order van EUR 710.000 van Zeeman Textiel Supers. (…) is besloten om ca. 50% van inkoopwaarde van deze order bij een tussenpersoon onder te brengen, dit mede omdat voor dit deelpakket bij Serenotex ook niet juiste producenten beschikbaar waren. Achteraf een foute beslissing, omdat juist dit deel de huidige liquiditeits problemen tot oorzaak heeft. Zowel de kwaliteit als de levertijd voldeden niet aan de verwachtingen van de klant. Na uitlevering en verkregen bevoorschotting van Rabo factoring verzocht Zeeman om retourzending van de goederen en legde de onderneming daarnaast, overigens zeer begrijpelijk, een claim van EUR 50.000 op. De directe financiële schade hierdoor is te becijferen op ca. EUR 250.000.

(…)

Naast de verkregen betalingsregelingen met de grootste crediteuren is ook met de verstrekker van de (achtergestelde) lening overeenstemming bereikt dat het aflossingsgedeelte over de resterende maanden tot jaareinde kan worden opgeschort. (…)”

[gedaagde 2] heeft de aandeelhouders van Serenotex op 14 januari 2019 onder meer geschreven dat de onderneming ondanks het verstrekken van extra werkkapitaal nog steeds rode cijfers schrijft, dat er nauwelijks tot geen controle op de supply chain is, dat de controle op de inkoopketen en producten zorgelijk te noemen is en dat er nauwelijks cohesie is tussen de afdelingen sales, buying en finance. Verder is vermeld:

“In overleg met [gedaagde 1] [lees: [gedaagde 1] ] en de accountant is besloten om de vergoeding voor [bedrijf 4] BV tijdelijk te verlagen naar EUR 7.000 (…)

Dat betekent dat [bedrijf 4] BV over de jaren 2017 en 2018, op grond van de gemaakte afspraken, nog een vordering op Serenotex BV heeft van EUR 72.000, welke niet in de jaarstukken over 2017 en de tussentijdse cijfers over 2018, is meegenomen. (…)”

Op 8 april 2019 heeft Serenotex de voorraden verpand aan [bedrijf 3] B.V. tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit de geldleningen van € 700.000,- en

€ 225.000,-.

[gedaagde 2] heeft de belastingdienst op 11 oktober 2019 onder meer geschreven:

“(…) Het probleem is het vertrouwen te verkrijgen om te investeren in een onderneming welke in zwaar weer zit en gebukt gaat onder een te grote schuldenlast.

(…)

Indien [bedrijf 3] B.V. overgaat tot gedeeltelijke uitwinning van het pandrecht zou dit gaan over dat gedeelte van de voorraden welke nog stammen uit de [bedrijf 1] B.V. tijd. Op dit moment wordt dit becijferd op een bedrag van rond de EURO 250k.

(…)

Met bovenstaande te nemen en genomen maatregelen hoop ik de belastingdienst te kunnen overtuigen dat Serenotex B.V. er alles aan gelegen is een faillissement of beslaglegging te voorkomen. Overeenstemming te bereiken tot het treffen van een betalingsregeling m.b.t. de nu openstaande belastingschuld van ca. EURO 68k.

(…) Ik verzoek u uitstel van betaling te verlenen tot 1 januari 2020 voor de nu achterstallige bedragen (…)”

Op 16 januari 2020 heeft [gedaagde 2] de vader van [gedaagde 1] naar aanleiding van diens bericht “Mocht de voorraad wederom een verlaging vertonen (interen op vermogen van fam [gedaagde 1] ) hoe lang moet ik dit nog accepteren” onder meer bericht:

“(…)

Verkoopwaarde bij liquidatie dekt de schulden van de familie [gedaagde 1] , degene die echt in de problemen zitten, zijn dan [gedaagde 1] [lees: [gedaagde 1] ] en ik. (…) Wat kan ik anders, dan zeggen dat het een verkeerd besluit is geweest de voorraden etc te hebben overgenomen. (…)”

Op 8 juli 2021 heeft Mobeta B.V. (toen minderheidsaandeelhouder van Serenotex) aan Serenotex een bedrag van USD 140.000,- geleend, tegen een rente van 8% per jaar.

De lening had een looptijd van drie maanden en diende te zijn afgelost op 8 oktober 2021. De lening is niet (tijdig) afgelost.

Op 14 juli 2021 heeft Serenotex aan Flocus Holding B.V. (hierna: Flocus) een geldlening verstrekt van USD 87.000,-, met als doel Flocus te voorzien in haar tijdelijke financieringsbehoefte in afwachting van de storting van de investeerder. De rente bedroeg 1% per maand en de lening diende op 31 maart 2022 te zijn afgelost. De lening is door Flocus afgelost na datum faillissement. [gedaagde 2] was medebestuurder van de aandeelhouder van Flocus.

[gedaagde 2] heeft [gedaagde 1] op 1 september 2021 geschreven:

“Ik ga even op de advies stoel zitten en op basis van de koude cijfers (…) kom ik tot onderstaande conclusies:

Onze schulden zijn aanmerkelijk hoger dan de vorderingen, hetgeen betekent dat wij geen liquiditeit hebben om te kunnen inkopen. (…)

Er wordt, mede door de dramatische maanden april en augustus weer een verlies gemaakt en dat is nu al sinds het begin

We zijn niet in staat de aflossings- en rente verplichtingen op de leningen te voldoen enz

Voorraden zijn veel te hoog op basis van de omzet (…)”

TWA Taxaties en Advies heeft op 2 augustus 2022 de marktwaarde van de voorraad van Serenotex op € 435.000 getaxeerd en de liquidatiewaarde op € 185.000,-. Zij heeft 27% van de voorraad aangemerkt als courant (verkoopbaar binnen een jaar), 13% als minder courant (verkoopbaar binnen een tot twee jaar) en 61% als incourant.

In augustus 2022 heeft [bedrijf 3] B.V. de voorraad van Serenotex in vuistpand genomen ter executie van haar pandrecht.

Op 7 september 2022 is Serenotex door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, op eigen aangifte failliet verklaard, met aanstelling van mr. Schol als curator.

In het rapport van de belastingdienst van 17 juli 2023 naar aanleiding van een onderzoek bij Serenotex staat onder meer:

“Reeds voor overname op 1 oktober 2016 was de onderneming [lees: [bedrijf 1] ] al jaren verlieslijdend:

Fiscale winstberekening 2014 € 18.218 verlies

Fiscale winstberekening 2015 € 40.935 verlies

Wij zijn van mening dat de onderneming bij overname op 1 oktober 2016 al niet levensvatbaar was (…). Tevens is er geen due diligence-onderzoek ingesteld naar de juiste waarde van de onderneming (klanten en voorraden van [bedrijf 1] B.V.) bij overname, hetgeen wel te doen gebruikelijk is (Saldo fiscale winstberekening 2015 [bedrijf 1] B.V. € 733.505 verlies). Verder is het opmerkelijk, dat ten tijde van de overname voor een incourante voorraad met een geringe waarde, de volle waarde van € 550.000 is betaald.

Het gebrek aan liquide middelen, door de aflossingsverplichting van de langlopende schulden (…), had een verlammende werking op het hele bedrijfsgebeuren.

(…)

In zijn mail op 1 september 2021 aan mevrouw [gedaagde 1] (…) geeft de heer [gedaagde 2] het volgende aan:

“Onze schulden zijn aanmerkelijk hoger dan de vorderingen, hetgeen betekent dat wij geen liquiditeit hebben om te kunnen inkopen. Voorraden zijn veel te hoog op basis van de omzet.

(…)

Uit de jaarstukken, kasstroomoverzicht (…) en auditfiles blijkt het volgende:

Fiscale winstberekening 2016 (conform jaarstukken) € 66.086 verlies

Fiscale winstberekening 2017 (conform jaarstukken) € 86.626 verlies

Fiscale winstberekening 2018 (conform jaarstukken) € 460.927 verlies

Fiscale winstberekening 2019 (conform jaarstukken) € 362.735 verlies

Fiscale winstberekening 2020 (conform jaarstukken) € 57.716 verlies

Fiscale winstberekening 2021 (conform auditfiles) € 15.698 winst

Fiscale winstberekening 2022 (conform auditfiles) € 163.266 verlies

Solvabiliteit (…) 2016 0,12

Solvabiliteit (…) 2017 0,10

Solvabiliteit (…) 2018 -0,14

Solvabiliteit (…) 2019 -0,49

Solvabiliteit (…) 2020 -0,51

Solvabiliteit (…) 2021 -0,35

Solvabiliteit (…) 2022 -0,50

Als de uitkomst bij de solvabiliteit lager is dan 1, dan geeft dit aan dat er meer schulden in de onderneming zitten, dan dat er bezittingen aanwezig zijn.

Quick ratio (…) 2016 0,92

Quick ratio (…) 2017 0,69

Quick ratio (…) 2018 0,65

Quick ratio (…) 2019 0,43

Quick ratio (…) 2020 0,43

Quick ratio (…) 2021 0,36

Quick ratio (…) 2022 0,26

Bij een liquiditeitscijfer (Quick ratio) lager dan 1 kan de ondernemer niet aan zijn verplichtingen op korte termijn voldoen en zal hij, als dat nog mogelijk is, zijn langlopende kredieten moeten verhogen.

Interest-coverage ratio (…) 2016 -2,15

Interest-coverage ratio (…) 2017 0,04

Interest-coverage ratio (…) 2018 -4,05

Interest-coverage ratio (…) 2019 -3,09

Interest-coverage ratio (…) 2020 0,35

Interest-coverage ratio (…) 2021 1,28

Interest-coverage ratio (…) 2022 -9,69

Kern is dat de onderneming uit de kasstroom voor belasting de rentelasten kan dragen. Bij een ratio lager dan 1 is dat niet het geval.

Gezien bovenstaande concluderen wij dat Serenotex B.V. al vanaf de start in 2016 niet levensvatbaar is, en derhalve niet coronagerelateerd.

(…)

Gezien bovenstaande is een groot gedeelte van de overgenomen voorraad door Serenotex B.V. gefinancierd met langlopende schulden en dus niet met kortlopende schulden.

(…)

Voorraad 31-12-2016 € 1.178.061 (Conform jaarstukken 2016)

Voorraad 31-12-2017 € 1.255.115 (…)

Voorraad 31-12-2018 € 1.023.156 (…)

Voorraad 31-12-2019 € 784.616 (…)

Voorraad 31-12-2020 € 786.756 (…)

Voorraad 31-12-2021 € 1.002.298 (…)

Voorraad 31-12-2022 € 984.535 (…)

Voorraad 1-1-2022 € 1.002.298 (…)

Kostprijs verkopen 2022 € 503.298 (…)

Eindvoorraad 2022 € 984.535 (…)

Inkoop voorraad 2022 € 485.535

Belastingschuld per 15 september 2022 € 483.764 (…).

De heer [gedaagde 2] geeft in zijn mail van 1 september 2021 aan, dat er geen liquiditeit meer is om te kunnen inkopen. Desondanks wordt er in 2022 voor € 485.535 voorraad ingekocht en de belastingschulden van € 483.764 (…) worden dientengevolge niet voldaan. Hierdoor bleef het pandrecht van de heer [naam] ( [bedrijf 3] B.V.) zijn waarde behouden.

(…)”

Bij brief van 20 mei 2024 heeft de curator [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ex artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW), artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement van Serenotex, begroot op € 1.400.000,-. Tot zekerheid van verhaal voor zijn vordering heeft hij conservatoir beslag laten leggen op het woonhuis van [gedaagde 1] en op de aandelen van [gedaagde 2] in Inversion Beheer B.V.

3. Het geschil

De curator heeft gevorderd, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van Serenotex onbehoorlijk hebben vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement;

II. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover Serenotex en de gezamenlijke schuldeisers van Serenotex;

III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt

primair, tot betaling van het faillissementstekort van Serenotex, zoals dit zal blijken te zijn na de te houden verificatievergadering, te vermeerderen met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator en diens overige kosten, zulks binnen zeven dagen nadat de curator een afschrift van het proces-verbaal van de verificatievergadering en een concept (eind)salarisbeschikking aan hen kenbaar heeft gemaakt, waarbij een voorschot aan hem dient te worden voldaan van € 700.000,- binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;

subsidiair, tot betaling binnen zeven dagen na betekening van het vonnis van een schade-vergoeding ad € 1.396.898,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het faillissement tot de dag der algehele voldoening;

meer subsidiair, tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de proces- en nakosten, waaronder de beslagkosten ad € 765,53.

Volgens de curator hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van Serenotex onbehoorlijk vervuld. Al ten tijde van de aankoop van de onderneming was die niet levensvatbaar en zij hebben nagelaten de nodige maatregelen te nemen om Serenotex wel levensvatbaar te maken.

Serenotex heeft, gelet op het feit dat [bedrijf 1] technisch failliet was en over grotendeels niet courante voorraden beschikte, ten onrechte € 250.000,- betaald voor goodwill en een veel te hoog bedrag voor de voorraden. Zij heeft geen due diligence-onderzoek uitgevoerd. Zij heeft daardoor van aanvang af achter de feiten aangelopen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn er nimmer in geslaagd om de onderneming winstgevend te krijgen. Uit de diverse, in het rapport van de belastingdienst genoemde ratio’s blijkt dat de onderneming in feite altijd technisch failliet is gebleven. Serenotex heeft tweemaal uitstel van betaling bij de belastingdienst moeten vragen, is in 2019 door de bank ondergebracht bij bijzonder beheer en heeft steeds geld moeten lenen, dan wel schulden (zoals bijvoorbeeld omzetbelasting) niet afbetaald om inkopen te kunnen doen. Gelet hierop is het opvallend dat Serenotex op 14 juli 2021 geld heeft geleend aan Flocus (gelieerd aan [gedaagde 2] ), terwijl [gedaagde 2] in september 2021 schrijft dat de liquiditeit ontbreekt om inkopen te kunnen doen. Verder valt op dat de voorraadpositie ongewoon hoog is gehouden. De curator vermoedt dat hiermee is getracht de waarde van het pandrecht van [bedrijf 3] B.V. op peil te houden. In het kader van de bedrijfsvoering had de voorraad echter flink verlaagd moeten worden.

Tot slot geven de jaarrekeningen en de administratie van Serenotex een onjuist, onvolledig en misleidend beeld van haar rechten en verplichtingen en is de jaarrekening over 2019 niet tijdig (namelijk pas op 20 mei 2021) gedeponeerd. De voorraad is, nu een groot deel ervan incourant was, in de balans steeds opgenomen voor een veel te hoog bedrag. Ter zake had een voorziening getroffen moeten worden. Omdat er in feite geen sprake was van goodwill, had die niet, althans niet volledig mogen worden geactiveerd op de balans. De vordering van [bedrijf 4] B.V. van € 72.000,- wegens onbetaalde managementvergoeding staat niet in de jaarstukken en administratie. De lening van [bedrijf 3] B.V. ad € 700.000,- is in de jaarrekeningen ten onrechte verwerkt als achtergestelde lening. Die lening was immers niet achtergesteld (enkel in het geval van faillissement) en er is ook gewoon op afgelost. Hierdoor is de financiële toestand van Serenotex rooskleuriger voorgespiegeld dan die in feite was. De crediteuren zijn hierdoor misleid.

Nu gelet op de te late deponering van de jaarrekening over 2019 niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 2:394, eerste lid BW en door de gebreken in de administratie niet is voldaan aan artikel 2:10, eerste lid BW, geldt rechtens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van Serenotex onbehoorlijk hebben vervuld en dat wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Zij zijn er niet in geslaagd dit vermoeden te ontzenuwen. Daarom zijn zij op grond van artikel 2:248 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort. (Meer) subsidiair heeft de curator artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gemotiveerd betwist dat zij hun taak als bestuurder van Serenotex onbehoorlijk hebben vervuld en dat zij aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Voor zover nodig zal de rechtbank hierna concreet op hun verweer ingaan.

4. De beoordeling van het geschil

De curator heeft primair aangevoerd dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:248 BW. De rechtbank overweegt ter zake als volgt.

Ingevolge artikel 2:248, eerste lid BW is in geval van faillissement van de vennootschap elke bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze gehandeld zou hebben. Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld (een onweerlegbaar vermoeden) en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (een weerlegbaar vermoeden). Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen (tweede lid). Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (derde lid). Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt een staat wordt opgemaakt (vijfde lid). De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. Een aan de bestuurder verleende kwijting (décharge) staat aan het instellen van de vordering niet in de weg (zesde lid).

In geval van schending van artikel 2:10 en/of 2:394 BW dient de bestuurder aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt hem door de curator verweten dat hij heeft nagelaten om het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder tevens feiten en/of omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dat nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Naast van buiten komende oorzaken kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert - en waarvan dus niet gezegd kan worden dat een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld - voldoende zijn voor ontzenuwing van het in artikel 2:248, tweede lid BW bedoelde vermoeden. Dat wordt niet anders doordat artikel 2:248, tweede lid BW bepaalt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld als het niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit artikel 2:10 BW en/of artikel 2:394 BW (Hoge Raad 9 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099).

Niet ter discussie staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanaf de oprichting van Serenotex haar statutaire bestuurders waren. [gedaagde 2] heeft tot en met 30 april 2022 als zodanig gefungeerd.

De curator kan de vordering ex artikel 2:248 BW alleen instellen op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaar voor het faillissement, in dit geval dus de periode van 7 september 2019 tot 7 september 2022. Dit betekent dat de aankoop van de onderneming van [bedrijf 1] in 2016 en de voorwaarden waaronder dat is gebeurd, niet aan de gestelde onbehoorlijke taakvervulling ten grondslag kunnen worden gelegd.

de administratieplicht

Ingevolge artikel 2:10, eerste lid BW rust op het bestuur van een vennootschap de verplichting om op zodanige wijze administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend. De boekhouding moet een voldoende inzicht geven in de schulden en vorderingen van de vennootschap en ook welke middelen de vennootschap heeft om aan haar (lopende en toekomstige) verplichtingen te kunnen voldoen. Uit de informatie moet een eenduidig en getrouw beeld volgen van de rechten en verplichtingen van de vennootschap.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de administratieplicht hebben geschonden.

Uit de stukken blijkt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich heel goed realiseerden dat de voorraad aanzienlijk minder waard was dan het bedrag waarvoor deze in de boeken stond. Zo heeft [gedaagde 2] op 11 oktober 2019 in zijn brief aan de belastingdienst geschreven dat er op dat moment nog € 250.000,- aan voorraad lag uit 2016 (zie 2.9.), wat betekent dat een substantieel deel al circa drie jaar onverkocht was gebleven en als incourant moest worden beschouwd. Desalniettemin stond in de jaarrekening 2019 dat er geen aanleiding werd gezien ten aanzien van de voorraad een voorziening te treffen. Verder blijkt uit het rapport van TWA dat de marktwaarde van de voorraad in augustus 2002 op € 435.000,- gesteld kon worden (zie 2.14.), terwijl de waarde van de voorraad eind 2022 volgens de auditfiles € 984.535,- zou bedragen (zie 2.17.). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in de jaarstukken, ook in de hier relevante periode, de voorraad steeds voor een veel te hoog bedrag in de balans is opgenomen en dat ter zake ten onrechte geen voorziening wegens incourantheid is getroffen. Aldus is een misleidende voorstelling gegeven van de waarde van de activa en, daarmee, van het eigen vermogen van Serenotex.

Voorts is de lening van [bedrijf 3] B.V. ad € 700.000,- in de jaarrekeningen van 2019, 2020 en 2021 ten onrechte in de balans opgenomen als achtergestelde lening. Deze lening zou immers pas achtergesteld zijn in geval van faillissement van Serenotex, en daarvan was in die jaren geen sprake. Weliswaar valt uit de jaarrekeningen op te maken dat op de lening werd afgelost en dat er rente werd betaald, maar dit blijkt niet eenduidig uit de balans. Gelet hierop geven in elk geval de balansen in de diverse jaarrekeningen geen correct beeld van de omvang van het vreemd vermogen en het garantievermogen. Dat de accountant deze fout zou hebben gemaakt, althans niet op deze fout gewezen zou hebben, disculpeert [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders niet. Zij blijven immers verantwoordelijk.

Tot slot is in de jaarstukken over 2019 en later ten onrechte geen voorziening getroffen voor de (latente) vordering van [bedrijf 4] B.V. van € 72.000,- wegens achterstallige managementvergoeding, terwijl gesteld noch gebleken is hiervan ooit afstand is gedaan (zie 2.7.). Ook hiermee is geen juist beeld geschetst van de verplichtingen van Serenotex.

De beslissing om een bedrag aan goodwill te betalen is genomen in 2016 en valt dus buiten de referentieperiode van 7 september 2019 tot 7 september 2022. Nu goodwill was betaald, kan het bestuur niet worden verweten die te hebben geactiveerd op de balans. Bovendien is consequent afgeschreven op deze post.

de deponeringsplicht

De rechtbank is ook van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de deponerings-plicht hebben geschonden.

Ingevolge artikel 2:394, eerste lid BW is een rechtspersoon verplicht tot openbaarmaking van de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling. Uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar (de hier relevante termijn) moet de rechtspersoon de jaarrekening op de voorgeschreven wijze openbaar hebben gemaakt (derde lid).

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betwist dat de jaarrekening over 2019 niet tijdig is gedeponeerd. Deze jaarrekening had weliswaar uiterlijk op 31 december 2020 gedeponeerd moeten worden en is pas op 20 mei 2021 gedeponeerd, maar zij beroepen zich op artikel 22 van de Tijdelijke wet Covid-19 Justitie en Veiligheid. Dit artikel bepaalt dat een verzuim om te voldoen aan tijdige publicatie van de jaarrekening niet in aanmerking wordt genomen, indien dat verzuim te wijten is aan de uitbraak van Covid-19. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben echter naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd dat het niet tijdig deponeren van de jaarrekening over 2019 enig verband houdt met de uitbraak van Covid-19. Verder is gesteld noch gebleken dat hier sprake is van een onbelangrijk verzuim (artikel 2:248, tweede lid BW). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deponeringsplicht is geschonden.

kennelijk onbehoorlijk bestuur

4.6,1. Gelet op de schending van de administratieplicht en de deponeringsplicht, in samenhang met artikel 2:248, tweede lid BW, staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van Serenotex onbehoorlijk hebben vervuld en wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het is dan aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement.

Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is het faillissement van Serenotex te wijten aan de volgende gebeurtenissen en omstandigheden:

- in 2018 is een order van € 710.000,- van Zeeman Textiel Supers binnengehaald, die echter in verband met onvoldoende kwaliteit van de geleverde goederen heeft geleid tot een retourzending en een financiële schade van circa € 250.000,-;

- in 2020 brak de Covid 19-pandemie uit, die heeft geleid tot een forse stijging van de prijzen van grondstoffen (zoals katoen) en van de vrachtkosten, alsook (in samenhang met het stranden van vrachtschip Ever Given in het Suez-kanaal in 2021) tot een enorme toename van de levertijden;

- door sluiting van fysieke winkels tijdens de lock down en vanwege dalend vertrouwen van consumenten in de economie namen de verkopen sterk af. De verwachting dat de verkoop in 2022 weer zou aantrekken kwam niet uit, als gevolg van de oorlog in Oekraïne;

- de uitwinning eind augustus 2022 door [bedrijf 3] B.V. van het pandrecht op de voorraad vormde de nekslag voor Serenotex.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het nodige ondernomen om het tij te doen keren. Er is met hulp van Pazzie een nieuwe strategische koers uitgezet, voor de uitvoering waarvan twee ervaren commerciële krachten zijn aangetrokken. De managementvergoedingen van de directie zijn verlaagd. Verder heeft Inversion Beheer B.V. een extra lening van € 350.000,- verstrekt en is het personeelsbestand ingekrompen.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de in 4.6.2. genoemde feiten en omstandigheden hebben geleid tot het faillissement van Serenotex. Zij overweegt in dat kader als volgt.

Uit de door de belastingdienst op basis van de jaarstukken en auditfiles van Serenotex opgestelde ratio’s, waarvan de juistheid niet is betwist, blijkt dat de onderneming vanaf het begin meer schulden dan bezittingen had, niet aan haar kortlopende verplichtingen kon voldoen en de rentelasten niet kon voldoen uit de kasstroom voor belasting. Dit is beaamd door [gedaagde 2] in zijn mail van 1 september 2021 (zie 2.13.). Verder is Serenotex steeds verlieslatend geweest en is het eigen vermogen elk jaar (flink) afgenomen. De enige opleving heeft plaatsgevonden in 2021, dat is het tweede jaar van de Covid 19-pandemie en de lock down en het jaar waarin de Ever Given was gestrand in het Suez-kanaal. Waar enerzijds onvoldoende concreet is onderbouwd welke directe gevolgen de pandemie en de stranding van de Ever Given voor Serenotex hebben gehad (alleen de algemene gevolgen voor de handel zijn beschreven), geldt anderzijds dat de cijfers over 2021 niet slechter zijn dan voorheen. Dat de oorlog in Oekraïne enig direct gevolg heeft gehad voor de handel van Serenotex is in het geheel niet toegelicht.

Daar staat tegenover dat uit de in de loop der jaren door [gedaagde 2] verzonden berichten volgt dat het bestuur van Serenotex de bedrijfsvoering na de overname van het technisch failliete [bedrijf 1] niet zodanig heeft gewijzigd dat (voldoende gewaarborgd was dat) het bedrijf niet langer verliesgevend zou zijn en in die tijd enkele onbegrijpelijke beslissingen genomen heeft. Zo is in 2016 veel te veel voor de voorraad en goodwill van [bedrijf 1] betaald, wat door [gedaagde 2] in feite ook is erkend. Een due diligence-onderzoek is niet uitgevoerd. Als gevolg hiervan heeft Serenotex in feite van aanvang af in acute nood verkeerd, welke nood ondanks diverse investeringen (vreemd vermogen) altijd is blijven bestaan. Bezien in het licht van het constant ontbreken van liquiditeit bij Serenotex om rente en aflossing op de schulden te betalen en zelfs om in te kunnen kopen (zie 2.13.), is het onbegrijpelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in juli 2021 hebben besloten om USD 87.000,- uit te lenen aan Flocus in plaats van dit bedrag te gebruiken voor de eigen bedrijfsvoering. Bovendien is, zo volgt uit het rapport van de belastingdienst, de inkoop van voorraden in 2021/2022 in feite betaald met geld dat aan de belastingdienst betaald had moeten worden ter zake van onder meer omzetbelasting. Een redelijk denkend bestuurder had in deze omstandigheden anders gehandeld.

Dat de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesteld ondernomen acties hebben geleid tot een verbetering van het resultaat van de onderneming, blijkt nergens uit. Sterker, gelet op het bericht van [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] van 1 september 2021, waarin staat dat er geen liquiditeit is om in te kopen, de rente en aflossing op de leningen niet betaald kan worden en de voorraden veel te hoog zijn op basis van de omzet (zie 2.13.), had wellicht beter op dat moment de stekker al uit de onderneming getrokken kunnen worden.

Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van Serenotex kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW. Zij zijn aldus hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in het faillissement voor zover dat niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, welk tekort bij/na de verificatievergadering dient te worden vastgesteld, te vermeerderen met de boedelschulden.

voorschot

De curator vordert de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een voorschot op het nog vast te stellen boedeltekort ad € 700.000,-. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de omvang van het gestelde boedeltekort (circa € 1.100.000,- exclusief voorlopig betwiste vorderingen) niet betwist en niet verzocht om matiging van het aan voorschot te betalen bedrag. De vordering van de curator zal gelet hierop worden toegewezen.

conclusie

De vorderingen van de curator als vermeld onder 3.1.1., I. en III. primair zullen worden toegewezen. Aan bespreking van het onder 3.1.1., II (gebaseerd op de artikelen 2:9 en/of 6:162 BW) en III (meer) subsidiair gevorderde komt de rechtbank niet toe, gelet op de toewijzing van het onder 3.1.1., III. primair gevorderde.

Als in het ongelijk gestelde partijen zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de curator tot op dit vonnis begroot op € 2.723,- aan griffierecht en € 11.169,- aan salaris van de advocaat. Wat betreft de kosten van beslaglegging zullen zij elk hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 765,53. Tot slot zullen zij hoofdelijk worden veroordeeld in de nakosten, begroot op € 189,- zonder betekening dan wel € 287,- ingeval van betekening van deze uitspraak.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] haar/zijn taak als bestuurder van Serenotex kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Serenotex;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaald hebbend de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de curator te betalen het faillissementstekort van Serenotex voor zover de schulden niet kunnen worden voldaan uit het boedelactief, zoals dit zal blijken te zijn na een te houden verificatievergadering, te vermeerderen met de boedel-schulden, waaronder begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaald hebbend de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van een voorschot van

€ 700.000,-, te voldoen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaald hebbend de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de curator begroot op € 2.723,- aan griffierecht en € 11.169,- aan salaris van de advocaat, in de beslagkosten ad € 765,53 en in de nakosten ad € 189,-, dan wel € 287,- ingeval van betekening van deze uitspraak;

verklaart de onderdelen 5.2. tot en met 5.4. uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op

19 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand