ECLI:NL:RBOVE:2026:520

ECLI:NL:RBOVE:2026:520

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 08.253136.22 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 38-jarige man tot een taakstraf van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten vijf grote en professioneel opgezette hennepkwekerijen geëxploiteerd waarin (in totaal) 2.429 hennepplanten zijn aangetroffen. Ook zijn bij drie hennepkwekerijen resten van geoogste hennepplanten aangetroffen en was bij in ieder geval vier kwekerijen sprake van het illegaal afnemen van stroom.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.253136.22 (P)

Datum vonnis: 3 februari 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres 1].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met anderen beroeps- of bedrijfsmatig in verschillende panden in Deventer hennep heeft geteeld of aanwezig heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 7 juli 2022 en/of 11 oktober 2022 te Deventer, althans in

Nederland, (telkens)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening

van een

beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;

- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844

hennepplanten en/of

delen daarvan en/of

- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610

hennepplanten en/of delen

daarvan en/of

- in een woning gelegen aan de [adres 4], 275 hennepplanten en/of

delen daarvan

en/of

- in een woning gelegen aan de [adres 5], 428 hennepplanten en/of

delen daarvan

en/of

- in een schuur gelegen aan de [adres 6], 272 hennepplanten en/of

delen

daarvan,

althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval

een

hoeveelheid meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid

van artikel 3a van die wet.

3. De procesafspraken

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de verdediging zogeheten

‘procesafspraken’ hebben gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van deze procesafspraken.

Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie aan de rechtbank is voorgelegd, luidt

als volgt:

Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 20 januari 2026 zijn het ten laste gelegde feit en de gemaakte procesafspraken met verdachte besproken. Daarbij was een belangrijk element of verdachte begrijpt wat de gemaakte procesafspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak (kunnen) hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij dit begrijpt. De rechtbank heeft tijdens de bespreking van het ten laste gelegde feit verdachte gevraagd of hij daarover wil verklaren. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. In de aanloop naar en tijdens het maken van de procesafspraken en de bespreking van het afdoeningsvoorstel ter terechtzitting is voortdurend sprake geweest van rechtsbijstand voor verdachte.

4. De bewijsmotivering

Inleiding

Medio april 2022 wordt door de politie een onderzoek naar hennepteelt in Deventer gestart onder de naam ‘Dravik’. Na twee meldingen bij Meld Misdaad Anoniem, een warmtemeting en een netmeting ontstaat het vermoeden dat in een loods op een industrieterrein aan de [adres 2] een hennepkwekerij aanwezig is. Gedurende een korte periode wordt een camera op de loods geplaatst om te onderzoeken welke personen betrokken zijn bij de hennepkwekerij. Op 7 juli 2022 doet de politie instap in het pand aan de [adres 2] en wordt de hennepkwekerij ontmanteld. Er wordt besloten nog geen aanhoudingen te verrichten en de betrokken verdachten onder de tap te zetten. Ook wordt een baken aangebracht in de auto’s die bij de hennepkwekerij zijn gezien. Uit de informatie uit de tapgesprekken en de bakengegevens zijn nog vier hennepkwekerijen op verschillende adressen in Deventer in beeld gekomen. De politie doet op 11 oktober 2022 een instap op deze adressen en treft hennepkwekerijen aan. Vervolgens zijn verdachte en de drie medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangehouden.

De standpunten van partijen

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de gemaakte procesafspraken op het

standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft, in overeenstemming met de gemaakte procesafspraken, geen (bewijs)verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 7 juli 2022 en 11 oktober 2022 te Deventer telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt

- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844 hennepplanten en

- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610 hennepplanten en

- in een woning gelegen aan de [adres 4], 275 hennepplanten en

- in een woning gelegen aan de [adres 5], 428 hennepplanten en

- in een schuur gelegen aan de [adres 6], 272 hennepplanten en

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat

zij hem daarvan zal vrijspreken.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, conform het afdoeningsvoorstel, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen conform het afdoeningsvoorstel.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten vijf grote en professioneel opgezette hennepkwekerijen geëxploiteerd waarin (in totaal) 2.429 hennepplanten zijn aangetroffen. Ook zijn bij drie hennepkwekerijen resten van geoogste hennepplanten aangetroffen en was bij in ieder geval vier kwekerijen sprake van het illegaal afnemen van stroom. Verdachte heeft enkel gehandeld met het oog op financieel gewin en is voorbijgegaan aan het feit dat verdovende middelen zoals hennep schadelijk zijn voor de volksgezondheid en vaak leiden tot verschillende vormen van criminaliteit. Dit rekent de rechtbank hem aan.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 Sr van toepassing is in verband met een eerder opgelegde strafbeschikking (een geldboete).

De straf

De rechtbank stelt voorop dat zij haar eigen afweging maakt bij het bepalen van de op te

leggen straf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken

worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg

Vakinhoud Strafrecht. Daarnaast acht de rechtbank bij de strafoplegging van belang

dat procesafspraken naar hun aard kunnen bijdragen aan het verkorten van de procedure en

het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waarop de afspraken zien. Door het afdoen

van deze strafzaak op de wijze als in de procesafspraken is overeengekomen, wordt de

behandeltijd van de zaak aanzienlijk verkort en kan de zaak efficiënter worden afgedaan.

Gelet op het voorgaande en hetgeen op zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van

oordeel dat de afdoening zoals gevorderd door de officier van justitie, mede in het licht van

de belangen die met de gemaakte procesafspraken gemoeid zijn, in een redelijke verhouding

staat tot de ernst van de zaak en daarbij voldoende recht doet aan de inhoud van de strafzaak

en alle betrokken belangen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank onder andere rekening met de omstandigheid dat het tussen verdachte en de officier van justitie overeengekomen schikkingsbedrag ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel (een bedrag van

€ 217.500,00) reeds geheel is voldaan door verdachte (en zijn medeverdachten).

Alles afwegende acht de rechtbank de voorgestelde straf passend. De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf van 160 uren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 62 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 160 (honderdzestig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor een in verzekering doorgebrachte dag twee uren aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Buiten staat

Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.H. Peper
  • mr. G.H. Meijer
  • mr. R.J. Postma

Griffier

  • mr. L. Kannegieter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?