ECLI:NL:RBOVE:2026:5206

ECLI:NL:RBOVE:2026:5206

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer C/08/335827 / HA ZA 25-234
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Eiser heeft gedaagde ingeschakeld om hem juridisch bij te staan in een burengeschil. Volgens eiser heeft gedaagde beroepsfouten gemaakt als gevolg waarvan hij schade van (afgerond) € 150.000 heeft geleden, voornamelijk bestaande uit verbeurde dwangsommen en juridische kosten, die gedaagde moet vergoeden. Gedaagde betwist iedere aansprakelijkheid. De rechtbank volgt het verweer van gedaagde en wijst de vorderingen van eiser daarom af.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/335827 / HA ZA 25-234

Vonnis van 29 juli 2026

in de zaak van

1. [eiser] ,

te [woonplaats 1] ,2. VVE [adres 1] EN [adres 2] EN [adres 3],

te [woonplaats 2] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. H.C. Bijleveld,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te [woonplaats 3] ,2. [gedaagde 2] B.V., (mede in de hoedanigheid van maat in de maatschap [maatschap] ),

te [vestigingsplaats 1] ,3. [gedaagde 3] B.V., (in de hoedanigheid van maat in de maatschap [maatschap] ),

te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] ,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

1. De zaak in het kort

[eiser] heeft advocaat [gedaagde 1] ingeschakeld om hem juridisch bij te staan in een burengeschil. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] beroepsfouten gemaakt als gevolg waarvan hij schade van (afgerond) € 150.000 heeft geleden, voornamelijk bestaande uit verbeurde dwangsommen en juridische kosten, die [gedaagde 1] moet vergoeden. [gedaagde 1] betwist iedere aansprakelijkheid.

De rechtbank volgt het verweer van [gedaagde 1] . De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2025 met 44 producties;- de conclusie van antwoord met 4 producties;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de brief van [eiser] van 27 februari 2026 met producties 45 en 46;

- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, ter gelegenheid waarvan partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[gedaagde 1] is (familierecht)advocaat en oefent zijn praktijk uit via [gedaagde 2] B.V., waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. [gedaagde 2] B.V. en [gedaagde 3] B.V. zijn de beide maten van de maatschap [maatschap] , een samenwerkingsverband van zelfstandige advocatenpraktijken.

In 2015 is [eiser] eigenaar geworden van een (welstandsvrije) bouwkavel in het project [adres 4] . Op deze kavel zouden aanvankelijk drie woningen worden gerealiseerd, één woning aan de [adres 1] en twee woningen aan de [adres 2] ( [adres 2] en [adres 3] ). Uiteindelijk is de woning aan de [adres 3] gesplitst in appartementen voor de verhuur, waarvoor de VvE (eiseres sub 2) is opgericht. [eiser] is het enige lid en tevens voorzitter van de VvE. De naastgelegen kavel is in eigendom van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] c.s.).

In 2020 is een geschil ontstaan tussen [eiser] en [naam 2] c.s. over de erfafscheiding op/tussen hun aangrenzende dakterrassen. Aan [eiser] was een hekwerk vergund, terwijl [naam 2] c.s. voorkeur had voor betonnen plantenbakken met een groenvoorziening. [eiser] heeft zich voor juridisch advies en bijstand gewend tot [maatschap] , nadat hij een sommatiebrief met daarbij gevoegd een concept dagvaarding (kort geding) van (de voormalige advocaat van) [naam 2] c.s. had ontvangen. Bij brief van 14 oktober 2020 heeft mr. I.E. Nauta de opdracht bevestigd. De opdracht is feitelijk vrijwel geheel uitgevoerd door [gedaagde 1] .

Mr. Nauta heeft schriftelijk op de (betekende) dagvaarding gereageerd. [eiser] heeft deze schriftelijke reactie aan de rechtbank Amsterdam toegezonden, waarna hij zonder advocaat ter zitting is verschenen.

Bij vonnis in kort geding van 25 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam als volgt op de vorderingen van [naam 2] c.s. beslist (hierna: het vonnis van 2020):

“5.1 veroordeelt de heer [eiser] en de VvE hoofdelijk om binnen drie maanden na betekening van het vonnis:

- op de rand van het terras daaraan duurzaam verbonden, aaneengesloten betonnen plantenbakken te (laten) installeren van 73 cm breed en 75 cm hoog, die bakken te voorzien van ondoorzichtig groene beplanting en het geheel in stand te houden;

- het loop-/zitgedeelte van het terras terug te brengen tot 200 cm van de erfgrens met [naam 2] c.s.;

veroordeelt de heer [eiser] en de VvE om aan [naam 2] c.s. een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,

veroordeelt [eiser] en de VvE hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [naam 2] c.s. tot op heden begroot op € 1.384,89,

veroordeelt de heer [eiser] en de VvE hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.”

Op 30 november 2020 heeft [naam 2] c.s. het vonnis van 2020 aan [eiser] laten betekenen.

Bij dagvaarding tevens inhoudende een incidentele vordering tot een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv van 23 december 2020 heeft ( [gedaagde 1] namens) [eiser] een bodemzaak tegen [naam 2] c.s. aangespannen. [eiser] heeft onder meer gevorderd verklaringen voor recht dat (1) tussen [eiser] (rechtstreeks of minnelijk) en [naam 2] c.s. geen rechtens afdwingbare afspraken zijn gemaakt betreffende de afscheiding op het litigieuze terras en de afstand van het dakterras tot twee meter van de erfgrens van [naam 2] c.s. en dat (2) [eiser] aan het burenrecht voldoet jegens [naam 2] c.s. met de plaatsing van een schutting van 180 cm hoog aan de korte zijde van het terras. Gelijktijdig heeft [eiser] als voorlopige voorziening gevorderd het verbod van [naam 2] c.s. om het vonnis van 2020 te (doen) executeren, op straffe van een dwangsom. [naam 2] c.s. heeft tegenvorderingen ingediend.

Bij vonnis in incident van 17 februari 2021 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij e-mail van 2 maart 2021 met als onderwerp “Ten uitvoerlegging vonnis” heeft de advocaat van [naam 2] c.s. aan [gedaagde 1] meegedeeld dat uit hoofde van het vonnis van 2020 per 2 maart 2021 dwangsommen tot een maximum van € 20.000,00 zijn verschuldigd als [eiser] niet voldoet aan de daarin opgenomen veroordelingen.

Bij vonnis van 13 oktober 2021, verbeterd bij vonnis van 19 januari 2022, heeft de rechtbank Amsterdam als volgt op de (tegen)vorderingen van [eiser] en [naam 2] c.s. beslist (hierna: het vonnis van 2021):

“in conventie

wijst de vorderingen van [eiser] c.s. af,

veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [naam 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.260,00 inclusief eventueel verschuldigde btw,

in reconventie

verklaart voor recht dat tussen [eiser] en [naam 1] c.s. de overeenkomst tot stand is gekomen houdende dat [eiser] verplicht is om betonnen plantenbakken op de rand van het betreffende dak op de begane grond-verdieping van de achterwoning van [eiser] , te plaatsen (van 73 cm. breed en 75 cm. hoog), en die tot 180 cm. te voorzien van ondoorzichtig groen - en dit te onderhouden - en om het loop-/zitgedeelte van het dak(terras) tot 200 cm. afstand van de erfgrens met [naam 1] c.s. terug te brengen;

veroordeelt [eiser] € 2.405,11 (…) te betalen aan [naam 1] c.s. binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,

verklaart voor recht dat [eiser] c.s. hoofdelijk is verschuldigd te betalen aan [naam 1] c.s. het maximale bedrag aan reeds verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis in kort geding van 25 november 2020, ter hoogte van € 20.000,00,

veroordeelt [eiser] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, € 20.000,00 (…) te betalen aan [naam 1] c.s. binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan verbeurde dwangsommen,

veroordeelt [eiser] tot plaatsing van betonnen plantenbakken op de rand van het dak van de achterwoning van [eiser] (van 73 cm breed en 75 cm hoog), en die tot 180 cm te voorzien van ondoorzichtig groen, en om het loop-/zitgedeelte van het dak(terras) tot 200 cm afstand van de erfgrens met eisers terug te brengen, binnen uiterlijk drie maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie nader te bepalen termijn, zulks op straffe van een dwangsom van € 300,00, voor iedere dag dat gedaagde na de betekening van het in deze te wijzen vonnis, in strijd met voormeld op te leggen gebod handelt met een maximum van € 60.000,00,

veroordeelt [eiser] tot de instandhouding (onderhoud) van de "groene" en "ondoorzichtige" afscheiding in de betonnen plantenbakken op het dakterras van de achterwoning, zulks op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag dat gedaagde na de betekening van het in deze te wijzen vonnis, in strijd met voormeld op te leggen gebod handelt nadat is voldaan aan de veroordeling onder 5.7., met een maximum van € 20.000,00,

gebiedt de VvE om, voor zover vereist, haar medewerking niet te weigeren, aan de prestaties waartoe [eiser] ter zake het dakterras onder 5.7 en 5.8 wordt veroordeeld,

veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [naam 1] c.s. tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 721,00,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en reconventie

veroordeelt [eiser] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [naam 1] c.s., begroot op € 255,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.”

Tegen het vonnis van 2021 heeft ( [gedaagde 1] namens) [eiser] hoger beroep ingesteld. De memorie van grieven tevens wijziging en vermeerdering van eis is ingediend door mr. E.I. Speelman van JPR Advocaten als opvolgende advocaat van [eiser] .

Op 19 oktober 2021 heeft [naam 2] c.s. het vonnis van 2021 aan [eiser] laten betekenen.

Bij e-mail van 23 oktober 2021 schreef [gedaagde 1] onder meer het volgende aan [eiser] :

“U vraagt om een advies over hoe te handelen op dit moment. Ik denk dat het belangrijk is dat u aan de gemeente vraagt om een zgn. 'last onder dwangsom' dat u de balustrade niet mag weghalen en daarvoor in de plaats de 'betonnen plantenbakken op de rand van het betreffende dak en die tot 180 cm te voorzien van ondoorzichtig groen; gaat plaatsen.

Het terugbrengen van het loop- zitgedeelte van het (dak-)terras tot 200 cm afstand van de erfgrens met [naam 1] c.s. terug te brengen.', kan natuurlijk u al wél worden gerealiseerd! Daar hebben de bewoners van uw appartementen nu geen last van.

Met die last onder dwangsom – een verbod om niet de betonnen bakken te plaatsen etc., kan in een executie kort geding aan de voorzieningenrechter worden gevraagd om [naam 1] c.s. te verbieden het vonnis van 13 oktober 2021 ten uitvoer te leggen voor zover u in reconventie op p. 18-19 veroordeeld bent tot nakoming. Dit ook weer op straffe van dwangsommen, die hoger zijn dan toegewezen zijn aan [naam 1] én tot een hoger maximum.

Dit kort geding zal op een termijn van 4 weken plaats hebben, wanneer de rechtbank meewerkt.

Dan het hoger beroep tegen het vonnis van 13 oktober. Dat wordt ingeleid met een appeldagvaarding, zonder motivering, gevolgd door een memorie van grieven, waarin wij per onderdeel moeten zeggen waar wij het niet eens mee zijn en waarom niet (in de toelichting op iedere grief). Dat gaat meer tijd kosten. Bovendien mag [naam 1] c.s. daarop reageren met een memorie van antwoord en daarin ook incidenteel appel voeren. Is dat laatste het geval dan morgen wij daarop reageren. Daarna komt er een zitting bij het gerechtshof (een comparitie van partijen) en een uitspraak. Die procedure gaat snel een jaar kosten in tijd.

Ik neem aan dat het bovenstaande helder is en dat u als eerste bij de gemeente aan de slag zou moeten gaan. Mag ik van u horen?”

Op 16 november 2021 heeft [naam 2] c.s. ten laste van [eiser] executoriaal beslag laten leggen op het appartementsrecht staande en gelegen te [woonplaats 2] aan de [adres 1] .

Bij e-mail van 28 november 2021 is [gedaagde 1] nader ingegaan op een aantal procedurele opties. Hij sloot zijn mail als volgt af: “Ik overleg graag over de inhoud met u.”

[eiser] heeft zich vervolgens gewend tot mr. Speelman voor een second opinion. Op 7 december 2021 heeft mr. Speelman een notitie opgesteld waarin zij als volgt heeft geconcludeerd:

“Aan de hand van de ontvangen stukken kom ik tot de conclusie dat er nu nog twee mogelijke procedures resteren. Ten aanzien van de verbeurde dwangsommen, die zijn opgelegd door de voorzieningenrechter, bestaat enkel nog de mogelijkheid een executiegeschil te starten in verband met onmogelijkheid tot nakoming van het vonnis. Hoger beroep is niet meer mogelijk. Ik beschik nu over onvoldoende informatie om de haalbaarheid van een dergelijke vordering concreet te beoordelen. Op basis van de stukken die ik wel heb ontvangen, is mijn eerste inschatting dat een dergelijke vordering weinig kansrijk is.

Ten aanzien van het vonnis van de bodemrechter kan nog in hoger beroep worden gegaan. De termijn van hoger beroep bedraagt 3 maanden na wijzen vonnis. In hoger beroep wordt het volledige geschil opnieuw beoordeeld. Ook ten aanzien van de procedure in hoger beroep geldt dat ik niet over alle stukken beschik zodat ik ook ten aanzien van deze procedure geen concrete inschatting kan maken van de kansen in hoger beroep. In ieder geval geldt dat in de bodemprocedure in totaal voor € 80.000,- aan dwangsommen is opgelegd. Het is dus van belang om uitvoering te geven aan het vonnis of rechtsmiddelen (executiegeschil) in te zetten om in ieder geval de looptijd van de dwangsom op te schorten zodat niet opnieuw dwangsommen worden verbeurd.”

Op 10 januari 2022 heeft ( [gedaagde 1] namens) [eiser] [naam 2] c.s. in kort geding gedagvaard tot (1) opheffing van het executoriale beslag op het appartementsrecht [adres 1] en (2) oplegging van een verbod aan [naam 2] c.s. tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 2020 en 2021. [naam 2] c.s. heeft tegenvorderingen ingediend. Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden ten behoeve van minnelijk overleg. Dit overleg heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil tussen partijen.

Bij vonnis in kort geding van 10 november 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam als volgt op de (tegen)vorderingen van [eiser] en [naam 2] c.s. beslist (hierna: het vonnis van 2022):

in conventie

weigert de gevraagde voorzieningen,

veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [naam 2] c.s. tot op heden begroot op € 1.838,00,

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

veroordeelt [eiser] c.s. hoofdelijk om aan [naam 2] c.s. te betalen een bedrag van

€ 16.453,70 (…),

veroordeelt [eiser] c.s. hoofdelijk tot volledige nakoming van het kortgedingvonnis en het bodemvonnis, met dien verstande dat de termijn voor nakoming van onderdeel 5.7 van het dictum van het bodemvonnis thans wordt gesteld op 1 (één) maand na betekening van het vonnis van vandaag, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 300,00 per dag, met een maximum van € 60.000,00,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [naam 2] c.s. begroot op nihil,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met ene bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.”

Tegen het vonnis van 2022 heeft (mr. Speelman namens) [eiser] hoger beroep ingesteld.

Op 28 november 2022 heeft [naam 2] c.s. bij deurwaardersexploot aan [eiser] bevel gedaan tot betaling van het bedrag van € 114.332,00. [eiser] heeft dit bedrag betaald. Als “tegenprestatie” heeft [naam 2] c.s. het executoriale beslag op het appartementsrecht [adres 1] opgeheven.

Bij brief van 23 februari 2023 heeft [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [maatschap] , AIG Europe S.A., heeft deze aansprakelijkstelling bij e-mail van 1 juni 2023 afgewezen.

Tijdens de mondelinge behandeling van 26 november 2024 van de (gevoegde) hoger beroepen van [eiser] tegen het vonnis van 2021 en 2022 bij het gerechtshof Amsterdam hebben [eiser] en [naam 2] c.s. een schikking bereikt die in een vaststellingsovereenkomst is neergelegd. Daarbij zijn zij onder meer het volgende overeengekomen:

“1. Partijen zullen gezamenlijk een in onderling overleg te kiezen notaris opdracht geven om op een wijze die voor partijen en hun rechtsopvolgers bindend is, een verplichting vast te leggen om de volgende situatie wat betreft de vormgeving van de betonnen plantenbakken en wat betreft de daarin aanwezige beplanting, nu en in de toekomst tot stand te brengen en in stand te laten:

de betonnen plantenbakken zoals die nu geplaatst zijn, inclusief de afmetingen daarvan;

vanaf de grond van het dak gemeten zal de beplanting inclusief de betonnen bloembakken waarin deze geplaatst is, minimaal 180 cm zijn;

de beplanting moet zo dicht zijn dat inkijk wordt voorkomen.

Deze verplichting dient te worden vastgelegd door de notaris, zo mogelijk in de vorm van een erfdienstbaarheid of in een andere door de notaris te adviseren vorm.

2. (…).

3. Na vastlegging door de notaris van bovenstaande afspraken zullen [naam 2] c.s. aan [eiser] c.s. een bedrag van € 17.500,- betalen.

(…).”

[eiser] en [naam 2] c.s. hebben vervolgens uitvoering aan de vaststellingsovereenkomst gegeven.

4. Het geschil

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(A) [gedaagde 1] hoofdelijk zal veroordelen een bedrag van € 150.154,52 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

(B) [gedaagde 1] hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten, te bepalen volgens de toepasselijke staffel;

(C) [gedaagde 1] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de nakosten.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] , samengevat, ten grondslag dat [gedaagde 1] hem onjuist, onvolledig en niet stellig genoeg heeft geadviseerd over de gevolgen van de opeenvolgende rechterlijke uitspraken en heeft hij zijn informatieplicht met betrekking tot (de gevolgen van) de dwangsommen geschonden. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] beroepsfouten heeft gemaakt, te weten:

(i) het geven van onjuiste adviezen en schenden van de informatieplicht;

(ii) het herhaaldelijk kiezen van de verkeerde rechtsingang;

(iii) het geven van het onjuiste advies aan [eiser] om zonder bijstand van een advocaat naar het eerste kort geding te gaan;

(iv) het nalaten een belangrijk inhoudelijk verweer te voeren namens [eiser] .

[eiser] beroept zich op de artikelen 6:162 BW en 7:407 lid 2 BW.

[gedaagde 1] betwist primair dat hij de gestelde beroepsfouten heeft gemaakt. Subsidiair betwist [gedaagde 1] dat de gevorderde schade het gevolg is van de gestelde fouten. Volgens [gedaagde 1] ontbreekt het causaal verband. Meer subsidiair betwist [gedaagde 1] de omvang van de schade.

[gedaagde 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.

5. De beoordeling

Aansprakelijkheid gedaagden

De rechtbank stelt vast dat [eiser] ter zitting heeft bevestigd dat hij de vorderingen tegen [gedaagde 3] B.V. (gedaagde sub 3) heeft ingetrokken. Op deze vorderingen zal de rechtbank dus niet meer beslissen.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] als feitelijk opdrachtnemer op grond van artikel 6:162 BW jegens hem aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de beroepsfouten die [gedaagde 1] heeft gemaakt. Daartoe verwijst [eiser] naar het arrest Breeweg/Wijnkamp. Daarnaast volgt de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van [gedaagde 1] uit artikel 7:407 lid 2 BW, aldus [eiser] . Voorts stelt [eiser] dat de praktijkvennootschap van [gedaagde 1] ( [gedaagde 2] B.V.) (mede)opdrachtnemer is, omdat die vennootschap aanspraak heeft gemaakt op betaling door [eiser] van facturen vanwege de dienstverlening van [gedaagde 1] . Volgens [eiser] is dat een belangrijke aanwijzing dat er een contract en dus een opdrachtrelatie tot stand is gekomen tussen [eiser] en [gedaagde 2] B.V. Voor zover nodig beroept [eiser] zich ook ten aanzien van [gedaagde 2] B.V. op artikel 7:407 lid 2 BW. Tot slot stelt [eiser] dat de maatschap [maatschap] ook als (mede)opdrachtnemer geldt en dat dit betekent dat haar beide maten, waaronder [gedaagde 2] B.V., (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door de maatschap geleverde wanprestatie. [eiser] beroept zich daarbij op het arrest Biek Holding/X. c.s.

[gedaagde 1] betwist dat zijn praktijkvennootschap ( [gedaagde 2] B.V.) opdrachtnemer en/of feitelijk uitvoerder van de opdracht was. Volgens [gedaagde 1] kan zijn praktijk slechts worden aangesproken als de opdracht is gesloten door de maatschap, maar daarvan is in dit geval evident geen sprake. De contractuele wederpartij en daarmee (enig) opdrachtnemer van [eiser] was mr. Nauta. Voor de vorderingen tegen [gedaagde 2] B.V. ontbreekt een wettelijke grondslag, zodat die vorderingen reeds daarom moeten worden afgewezen, aldus [gedaagde 1] .

De rechtbank stelt vast dat in de schriftelijke opdrachtbevestiging van mr. Nauta van 14 oktober 2020 onder meer het volgende is opgenomen:

De opdracht is tot stand gekomen tussen jullie als opdrachtgever [ [eiser] , toevoeging rechtbank] en de ondertekenende advocaat [mr. Nauta, toevoeging rechtbank] als opdrachtnemer. Er is geen hoofdelijke of gezamenlijke aansprakelijkheid van andere advocaten binnen [maatschap].”

Hieruit volgt dat [eiser] met mr. Nauta heeft gecontracteerd. Vast staat evenwel dat de werkzaamheden van mr. Nauta beperkt zijn gebleven tot de schriftelijke reactie op de dagvaarding van [naam 2] c.s. die tot het vonnis van 2020 heeft geleid (zie hiervoor onder 3.4.) en dat [gedaagde 1] daarna de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd en dus (in ieder geval) vanaf dat moment feitelijk opdrachtnemer was.

Uitgangspunt is dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt onder meer mee dat een advocaat die een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn.

Als de cliënt de advocaat aanspreekt die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd, maar die niet zijn contractuele wederpartij is, zoals hier het geval is, kan aansprakelijkheid slechts worden aangenomen met inachtneming van de daarvoor in artikel 6:162 BW gestelde eisen. Een dergelijk geval doet zich bijvoorbeeld voor als de cliënt een opdracht heeft gegeven aan een advocatenmaatschap, maar de opdracht feitelijk wordt uitgevoerd door een werknemer van die maatschap of door een advocaat die feitelijk aan de maatschap deelneemt door tussenkomst van een praktijkvennootschap. Ook in een zodanig geval is de hiervoor in 5.5 omschreven maatstaf mede bepalend voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering. Voor het slagen van de vordering is niet vereist dat aan [gedaagde 1] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van zijn advieswerkzaamheden voor [eiser] . Zoals hiervoor is overwogen, gelden in zoverre de in het algemeen door artikel 6:162 BW gestelde eisen, zoals nader bepaald door het arrest van 29 mei 2015.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank zal beoordelen of [gedaagde 1] beroepsfouten heeft gemaakt waarvoor hij op de voet van artikel 6:162 BW aansprakelijk is. Als dat het geval is, zal vervolgens worden beoordeeld of [gedaagde 2] B.V. daarvoor mede aansprakelijk is.

Beroepsfouten?

De rechtbank zal hierna achtereenvolgens de door [eiser] gestelde beroepsfouten van [gedaagde 1] bespreken.

Ad (i) het geven van onjuiste adviezen en schenden van de informatieplicht

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] hem ten onrechte niet heeft geadviseerd om aan opeenvolgende uitvoerbaar bij voorraad verklaarde c.q. onherroepelijke rechterlijke uitspraken te voldoen. [gedaagde 1] had [eiser] (dringend) moeten adviseren om de plantenbakken binnen de opgelegde termijn te plaatsen en aan de kostenveroordelingen te voldoen. Volgens [eiser] had [gedaagde 1] hem op de volgende momenten indringend op het risico en de gevolgen van het verbeuren van dwangsommen moeten wijzen: (1) na het eerste kortgedingvonnis van 2020; (2) na het incidentele vonnis van 17 februari 2021; (3) na de

e-mail van de advocaat van [naam 2] c.s. van 2 maart 2021; (4) na het bodemvonnis van 2021; (5) na de executoriale beslaglegging op het appartementsrecht [adres 1]; (6) na de e-mails van [eiser] van 29 november 2021 en 9 december 2021 waarin hij zijn zorgen uit over de situatie; (7) na het opeisbaar worden van de dwangsommen uit hoofde van het bodemvonnis en (8) na het tweede kortgedingvonnis van 2022.

[gedaagde 1] voert als verweer dat hij [eiser] wel degelijk heeft geadviseerd om gevolg te geven aan het kortgedingvonnis van 2020. Daartoe verwijst [gedaagde 1] naar zijn e-mail van 25 november 2020, de betekening van het kortgedingvonnis van 2020 op 30 november 2020, de e-mail van de advocaat van [naam 2] c.s. van 1 december 2020, de talloze gesprekken die hij met [eiser] hierover heeft gehad en de notitie van mr. Speelman/JPR van 7 december 2021.

Anders dan [eiser] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] in zijn e-mail van 25 november 2020 [eiser] tijdig en voldoende concreet heeft gewezen op de inhoud en de gevolgen van het kortgedingvonnis van 2020 bij niet-nakoming. Na een korte analyse van (rov. 4.8, 4.9, 4.10 en 4.12 van) dat vonnis is [gedaagde 1] ingegaan op de vraag “wat nu te doen”. Daarbij heeft hij uitgelegd dat (hoger) beroep tegen het kortgedingvonnis binnen vier weken mogelijk is, maar dat dit beroep geen schorsende werking heeft als het gaat om de verplichting van [eiser] tot het plaatsen van de betonnen plantenbakken (voorzien van ondoorzichtig groen) en het terugbrengen van het loop-/zitgedeelte tot 200cm van de erfgrens met [naam 2] c.s. Vervolgens heeft [gedaagde 1] duidelijk gemaakt dat [eiser] binnen drie maanden na betekening van het kortgedingvonnis aan deze verplichting uitvoering moet geven, omdat [eiser] anders een dwangsom moet betalen van € 100,00 per dag, tot een maximum van € 20.000,00. [gedaagde 1] heeft in dat verband twee opties genoemd als [eiser] het niet eens is met het kortgedingvonnis: (1) het entameren van een bodemprocedure en (2) het instellen van hoger beroep tegen het kortgedingvonnis van 2020. Bij optie (1) heeft [gedaagde 1] expliciet gewezen op verwijdering van het hekwerk en plaatsing van de plantenbakken (“U moet wel voor die uitspraak het hek verwijderd hebben en de plantenbakken geïnstalleerd. Een dergelijke procedure duurt gauw 1,5 jaar.”). Tot slot heeft [gedaagde 1] zijn e-mail afgesloten met een duidelijk voorstel: “Het lijkt verstandig dat u met ons op kantoor een gesprek heeft en met name over de situatie in 2017!”

Daarnaast is [eiser] slechts zes dagen later door de advocaat van [naam 2] c.s. bij e-mail van 1 december 2020 erop geattendeerd dat het kortgedingvonnis van 2020 op 30 november 2020 aan [eiser] is betekend en dat per die datum de termijnen uit het kortgedingvonnis zijn aangevangen, zoals de driemaandentermijn voor uitvoering van de afscheiding. De advocaat heeft [eiser] precies uitgelegd wat hij geacht wordt te doen:

“Dit betekent dat u (ongeacht uw bezwaren en/of eventueel te nemen rechtsmiddelen):

uiterlijk vóór 1 maart 2020 hebt voldaan aan de veroordeling tot het (kort gezegd) plaatsen van betonnen bakken met groen, op straffe van een dwangsom per 2 maart 2020;

uiterlijk vóór 1 maart 2020 hebt voldaan aan de veroordeling tot het (kort gezegd) terugbrengen van het loop-/zitgedeelte van het dakterras tot 2 meter van de erfgrens, op straffe van een dwangsom per 2 maart 2020;

uiterlijk vóór 3 december 2020 hebt voldaan aan de veroordeling tot vergoeding van de proceskosten ad EUR 1.623,89 (…).”

In het licht van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] in zijn e-mail van 25 november 2020 [eiser] in voldoende mate heeft geïnformeerd over wat hij na het vonnis van 2020 feitelijk moest doen en wanneer hij dat moest doen en ook welke procedurele mogelijkheden er voor hem waren. Daarbij geldt dat de advocaat van [naam 2] c.s. nog geen week later via e-mail de verplichtingen van [eiser] uit het vonnis van 2020 nog eens puntsgewijs heeft herhaald. [eiser] kan zich dan ook niet verschuilen achter onwetendheid en/of gebrekkige communicatie door [gedaagde 1] . [eiser] heeft hierin ook een eigen verantwoordelijkheid die hij niet volledig bij [gedaagde 1] kan neerleggen. De rechtbank overweegt hierbij nog dat zij in het voorgaande ook verwijst naar een e-mailbericht van de advocaat van de wederpartij. Dat is geen informatie die [gedaagde 1] aan [eiser] verstrekt heeft, maar is in zoverre van belang dat dit bericht een bevestiging inhoudt van het bericht dat [gedaagde 1] op 25 november 2020 aan [eiser] stuurde.

Daarnaast heeft [gedaagde 1] na het vonnis in de bodemzaak op 28 november 2021 een brief aan [eiser] gestuurd, waarin [gedaagde 1] waarschuwt, alvorens in te gaan op de mogelijkheid van het aanspannen van een executie-kort geding, dat het vonnis in de bodemzaak, naar de daarin opgenomen dwangsom hij eerder in de brief verwijst, uitvoerbaar bij voorraad is, zodat [naam 2] c.s. dit kunnen executeren.

Van schending door [gedaagde 1] van de op hem rustende zorg- c.q. informatieplicht is in zoverre niet gebleken en dus evenmin van een beroepsfout.

Ad (ii) het herhaaldelijk kiezen van de verkeerde rechtsingang

[eiser] stelt dat de dwangsommen uit hoofde van het eerste kortgedingvonnis als gevolg van de onjuiste advisering en bijstand van [gedaagde 1] onherroepelijk zijn geworden. Volgens [eiser] had [gedaagde 1] hoger beroep tegen het kortgedingvonnis van 2020 moeten instellen (eventueel een spoedappèl) dan wel een executie-kortgeding ex artikel 611d Rv (wijziging opgelegde dwangsom) moeten starten in plaats van een bodemprocedure met een provisionele vordering ex artikel 223 Rv. Dat was de enige manier om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen, zoals de bodemrechter ook heeft geoordeeld. Daarbij komt dat [gedaagde 1] de provisionele vordering verkeerd heeft ingestoken doordat hij geen spoedeisend belang heeft gesteld. Ook het tweede kort geding was (voorzienbaar) gedoemd om te mislukken, omdat het eerste kortgedingvonnis onherroepelijk was geworden en van misbruik van recht door [naam 2] c.s. geen sprake was, aldus [eiser] .

[gedaagde 1] voert als verweer dat hij [eiser] aantoonbaar erop heeft gewezen dat [eiser] ongeacht het starten van een bodemprocedure uitvoering zou moeten geven aan de veroordelingen in het kortgedingvonnis van 2020, omdat hij anders dwangsommen zou verbeuren. [gedaagde 1] betwist ook dat het starten van het tweede kort geding een fout is die tot aansprakelijkheid kan leiden. Daartoe verwijst [gedaagde 1] naar het advies van mr. Speelman/JPR van 7 december 2021 waaruit volgens hem blijkt dat het aanvechten van de dwangsommen weinig kans van slagen had.

De rechtbank oordeelt dat een hoger beroep tegen het kortgedingvonnis van 2020 weliswaar (bij winst) het verbeuren van dwangsommen had kunnen voorkomen, maar dat dit niet betekent dat de keuze voor een bodemprocedure in combinatie met het gegeven advies om wel uitvoering te geven aan het kortgedingvonnis van 2020 een beroepsfout van [gedaagde 1] oplevert. Die keuze was verdedigbaar. Aan haar vorderingen heeft [naam 2] c.s. mede ten grondslag gelegd dat [eiser] (mondelinge) afspraken over de inrichting van het dakterras niet is nagekomen. [eiser] betwist het bestaan van deze afspraken. Anders dan een kort geding, is een bodemprocedure bij uitstek geschikt voor bewijslevering. Door het starten van een bodemprocedure met het gelijktijdige advies om uitvoering te geven aan het kortgedingvonnis van 2020 heeft [gedaagde 1] [eiser] niet bloot gesteld aan voorzienbare of vermijdbare risico's. Bij tijdige plaatsing van plantenbakken en verandering van het terras zou immers geen grond bestaan hebben voor het verbeuren van een dwangsom, terwijl bij toewijzing van de desbetreffende vorderingen van [eiser] in de bodemzaak deze dan niet langer gehouden zou zijn geweest om die (voorlopige) voorzieningen te handhaven. Daarbij mocht [gedaagde 1] ervan uit gaan dat [eiser] zijn eigen verantwoordelijkheid zou nemen. Ook het verwijt van [eiser] dat [gedaagde 1] bij de provisionele vordering ten onrechte geen spoedeisend belang heeft gesteld waardoor de gevorderde voorziening – een executieverbod van het kortgedingvonnis van 2020 – voor directe afwijzing gereed lag, treft geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de eis van voldoende belang bij de provisionele vordering minder zwaar is dan die van spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding. Bij een vordering tot het treffen van een provisionele (voorlopige) voorziening geldt “slechts” het vereiste dat eiser daarbij belang moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Uit het incidentele vonnis van 17 februari 2021 blijkt dat de vordering niet is afgewezen vanwege het ontbreken van (voldoende) belang maar op basis van een (materiële) belangenafweging die in het voordeel van [naam 2] c.s. is uitgevallen.

Tot slot besteedt de rechtbank aandacht aan het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2021, waarin zij naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat het voor hem onmogelijk is het kortgedingvonnis van 25 november 2020 na te leven overweegt dat [eiser] die onmogelijkheid aan de kortgedingrechter en niet aan de bodemrechter had moeten voorleggen. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieraan niet de conclusie verbonden worden dat een verkeerde rechtsgang gekozen is. Op het moment dat de keuze voor het starten van een bodemzaak gemaakt is, dat willen zeggen na het kortgedingvonnis van 25 november 2020, had [eiser] immers nog de mogelijkheid aan dat laatste vonnis te voldoen. De vraag dringt zich op of [gedaagde 1] niet had moeten adviseren om een (alsnog) een kort geding te entameren op het moment dat het hem duidelijk werd, in het bijzonder uit de berichten van de advocaat van [naam 2] c.s. (productie 12 en 13 bij dagvaarding), dat [eiser] niet aan de veroordeling van het kortgedingvonnis van 25 november 2020 voldeed. Op dat moment had de rechtbank Amsterdam echter al afwijzend beslist op de incidentele vordering van [eiser] om de executie van het kortgedingvonnis te verbieden. De rechtbank verwijst naar wat zij daarover hiervoor overwogen heeft.

Na het vonnis in de bodemzaak van 13 oktober 2021 heeft [gedaagde 1] alsnog een kort geding gestart. Het starten van dat tweede kort geding als laatste redmiddel was in het licht van de procedurele stand van zaken op dat moment niet onlogisch. Daarbij betrekt de rechtbank dat [gedaagde 1] genoegzaam heeft toegelicht dat dit kort geding tevens was bedoeld om alsnog een minnelijke regeling tussen [eiser] en [naam 2] c.s. te bewerkstelligen, wat uiteindelijk is gelukt. De rechtbank acht tevens van belang dat het starten van dit kort geding hand in hand is gegaan met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis in de bodemzaak. Weliswaar heeft een andere advocaat dat voor [eiser] gedaan, maar dat maakt voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde 1] de juiste rechtsingang heeft gekozen geen verschil. Die vraag moet de rechtbank immers beantwoorden rekening houdend met de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van het maken van de keuze voordeden. [gedaagde 1] heeft overigens [eiser] in de hiervoor onder 5.11. besproken brief van 28 november 2021 gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in de bodemzaak. Van een beroepsfout van [gedaagde 1] is ook in zoverre geen sprake.

Ad (iii) het geven van het onjuiste advies aan [eiser] om zonder bijstand van een advocaat naar het eerste kort geding te gaan

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] hem niet had mogen adviseren om zonder advocaat naar de zitting van het eerste kort geding te gaan. Hoewel de zaak feitelijk bezien overzichtelijk was, was de zaak juridisch bezien niet eenvoudig, zeker niet voor een leek als [eiser] . Het ging om een geschil op het snijvlak van het civiele recht en het bestuursrecht. Door hem alleen naar de zitting te laten gaan heeft [gedaagde 1] [eiser] aan het reële risico bloot gesteld dat de vorderingen van [naam 2] c.s. bij gebrek aan adequaat inhoudelijk verweer zouden worden toegewezen, welk risico zich heeft verwezenlijkt. Als [gedaagde 1] namens [eiser] tijdens de zitting adequaat verweer had gevoerd, dan was volgens [eiser] de kans reëel dat (in ieder geval) de vorderingen van [naam 2] c.s. in kort geding waren afgewezen.

[gedaagde 1] betwist dit en voert aan dat [eiser] na eerste kennismaking alleen advies wilde en dat hij zelf voorstelde om alleen naar de zitting te gaan. [gedaagde 1] stelt dat hij wel heeft aangeboden om mee te gaan, maar dat dat niet hoefde van [eiser] . Mr. Nauta en hij zagen daarin geen bezwaar, omdat [eiser] de gestelde afspraken met [naam 2] c.s. stellig betwistte, [eiser] welbespraakt en goed bekend met de materie was en [eiser] zich daarmee kosten kon besparen. Wel stelde mr. Nauta een (soort) conclusie van antwoord op waarin alle relevante verweren zijn genoemd. Deze schriftelijke reactie op de dagvaarding is door [eiser] ingebracht. Volgens [gedaagde 1] zou zijn aanwezigheid geen verschil hebben uitgemaakt voor de uitkomst van de eerste kortgedingprocedure. Bovendien geldt dat [eiser] toen niet heeft geprotesteerd tegen het ontbreken van begeleiding ter zitting, aldus [gedaagde 1] .

De rechtbank oordeelt dat [eiser] dit gemotiveerde verweer van [gedaagde 1] onvoldoende heeft weersproken, zodat aangenomen moet worden dat [eiser] zelf bewust de keuze heeft gemaakt om alleen naar de zitting te gaan, ondanks het aanbod van [gedaagde 1] om hem tijdens de zitting (juridisch) bij te staan. Niet gezegd kan worden dat [gedaagde 1] een beroepsfout heeft gemaakt door deze eigen, vrije keuze van [eiser] te accepteren.

Ad (iv) het nalaten een belangrijk inhoudelijk verweer te voeren namens [eiser]

[eiser] verwijt [gedaagde 1] dat hij in de opeenvolgende rechtszaken heeft nagelaten een belangrijk argument aan te voeren. Daartoe voert [eiser] aan dat [naam 2] c.s. heeft gesteld dat de 'overeenkomst' ter zake van de plantenbakken omstreeks 28 juli 2017 tot stand zou zijn gekomen. De inhoud van die overeenkomst zou tot uitdrukking komen in de aanvraag van de omgevingsvergunning en de daarbij behorende tekening, aldus [naam 2] c.s. De omgevingsvergunning was echter al op 12 juni 2017 aangevraagd. De eerste tekening met plantenbakken dateert van 15 juni 2017. Deze tekening zou volgens [naam 2] c.s. de vermeende overeenstemming tot uitdrukking brengen die echter volgens de eigen stellingen van [naam 2] c.s. pas rond 28 juli 2017 zou zijn bereikt. Dat is innerlijk tegenstrijdig en [gedaagde 1] had daarop met kracht moeten wijzen, zoals mr. Speelman/JPR Advocaten dat in hoger beroep wel heeft gedaan. Daarbij lijkt ook de indruk te zijn ontstaan dat de bakken in kwestie op initiatief van [naam 2] c.s. zouden zijn ingetekend, hetgeen onjuist is omdat dit helemaal aan het begin op initiatief van [eiser] zelf was gebeurd. Enkel al uit het chronologische verloop volgt dat de stellingen van [naam 2] c.s. niet juist konden zijn. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] heeft nagelaten om dit belangrijke verweer te voeren en dat dit een beroepsfout van [gedaagde 1] oplevert.

[gedaagde 1] betwist dit en voert aan dat [eiser] miskent dat de rechtbank in (rov. 4.8 en 4.9 van) het bodemvonnis van 2021 de vorderingen van [eiser] heeft afgewezen onder verwijzing naar artikel 5:50 BW en onder verwijzing naar omstandigheden uit 2020.

De rechtbank stelt vast dat de bodemrechter in rechtsoverweging 4.2 t/m 4.11 van het vonnis van 2021 is ingegaan op de vraag of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen tot het plaatsen van betonnen plantenbakken op het dakterras en het beperken van het loop-/zitgedeelte van het dakterras. De bodemrechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord en geconcludeerd dat tussen partijen een overeenkomst bestaat dat het dakterras dient te worden ingericht conform de eerder vergunde omgevingsvergunning van 1 november 2017 en de tekening die is gebruikt bij de aanvraag daarvan en dat dit betekent dat er een afdwingbare verplichting rust op [eiser] om het terras op die manier in te richten. Daarbij heeft de bodemrechter zich vooral gebaseerd op de voorstellen die door of namens partijen over en weer in 2016/2017 (vóór en tijdens de vergunningaanvraag) en in 2020 (na uitvoering van het vergunde) zijn gedaan over de inrichting van het dakterras van [eiser] . In dat verband heeft de bodemrechter in de beoordeling betrokken de stelling van [gedaagde 1] (namens [eiser] ) dat [naam 2] c.s. bekend was met de omgevingsvergunningaanvraag van 12 juni 2017. Hieruit volgt dat niet gezegd kan worden dat [gedaagde 1] beroepsmatig heeft verzuimd om het (chronologische) verloop van de onderhandelingen tussen partijen over de inrichting van het dakterras voor het voetlicht te brengen. [gedaagde 1] heeft terecht aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat [eiser] een betere rechtspositie zou hebben gehad als hij op dat punt uitvoeriger was geweest. Van een door [gedaagde 1] gemaakte beroepsfout kan dan ook in zoverre niet worden gesproken.

Conclusie

De rechtbank komt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] moeten worden afgewezen. Nu onvoldoende is gebleken van de door [eiser] gestelde beroepsfouten van [gedaagde 1] , is daarmee de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] niet komen vast te staan. De vraag of [gedaagde 2] B.V. hoofdelijk aansprakelijk is behoeft daarom geen bespreking meer.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:

griffierecht € 6.861,00

salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten x tarief € 2.051,00)

nakosten € 189,00 (plus de kosten van betekening zoals in de

beslissing is vermeld)

Totaal € 11.152,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op

29 juli 2026. (PvdS)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand