RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/329822 / HA ZA 25-80
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
1. [partij A1] ,
wonende in [woonplaats 1],
2. [partij A2],
wonende in [woonplaats 2],
3. [partij A3] ,
wonende in [woonplaats 3],
eisende partijen in conventie, gedaagde partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij A1] (gedaagde sub 1) en [partij A2 en A3] (gedaagden sub 2 en 3),
advocaat: mr. H.J. Tulp,
tegen
[partij B] ,
wonende in [woonplaats 4],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. P. Stehouwer.
1. Samenvatting
Partijen oefenen gezamenlijk een agrarisch bedrijf uit in maatschapsverband. De verhoudingen tussen vader [partij A1] en zoon [partij B] zijn verstoord geraakt. Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld tot ontbinding en verdeling van de tussen hen bestaande maatschappen met voortzetting van die maatschappen door de overblijvende deelnemers. Gedurende deze procedure hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin partijen zijn overeengekomen dat [partij B] uit de maatschappen zal uittreden. De rechtbank gelast overeenkomstig de wens van partijen een nadere mondelinge behandeling, in het bijzonder om de waardering van het aandeel van de uittredende zoon te bespreken.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 februari 2025;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, tevens incidentele vordering ex artikel 195 Rv;
- de conclusie van antwoord in het incident;
- het vonnis in incident van 2 juli 2025;
- de akte met aanvullende producties 5, 6, 7, en 8 van de zijde van [partij B];
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging van eis in conventie;
- de akte met aanvullende producties 1 en 2 van de zijde van [partij B];
- de e-mail van 10 december 2025 van mr. Stehouwer;
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken;
- de akte inlichtingen na aanhouding wegens onderhandelingen, tevens overlegging producties 20 tot en met 30 van de zijde van [partij A1] en [partij A2 en A3];
- de antwoordakte, tevens overlegging producties (genummerd 1 t/m 3), tevens akte wijziging van eis in reconventie van de zijde van [partij B], waarin deze onder meer de rechtbank in overweging geeft een nadere mondelinge behandeling te gelasten;
- de e-mail van 24 maart 2026 van mr. Tulp;
- de e-mail van 18 juli 2026 van mr. Tulp, waarin deze instemt met het voorstel van [partij B] om een nadere mondelinge behandeling te gelasten.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
3. De feiten
[partij A1] en [partij B] zijn met ingang van 1 mei 2006 voor onbepaalde tijd een maatschap aangegaan met als doel het gezamenlijk uitoefenen van een agrarisch melkveebedrijf (hierna wordt deze maatschap ook wel Maatschap Fase I of de eerste maatschap genoemd).
In de maatschapsakte, ondertekend op 26 januari 2007, staat het volgende:
“(…)
Inbreng
Artikel 3
Door ieder der vennoten wordt in de maatschap ingebracht zijn kennis, vlijt en arbeidskracht. Voorts door:
A. de vennoot sub 1:
I. De juridische eigendom van de hem toebehorende – tot 1 mei 2006 in het voor eigen rekening uitgeoefende agrarisch bedrijf aangewende – niet-registergoederen, bestaande uit roerende zaken, zoals: machines en werktuigen, veestapel, liquide middelen, veldinventaris en voorraden, alsmede bestaande uit bepaalde vermogensrechten, zoals: ledenkapitalen en vorderingen, een en andere blijkens de door de in artikel 9 lid 2 genoemde deskundige opgemaakte balans per 1 mei 2006.
II. Het gebruik en genot van de hem toebehorende – tot 1 mei 2006 in het voor eigen rekening uitgeoefende agrarisch bedrijf aangewende – registergoederen, bestaande uit: Boerderij, ligboxenstal, jongveestal, werktuigenloods schuur en landerijen staande en gelegen te [plaats], [adres], totaal groot circa 80.89.00 hectare land, (inclusief toeslagrechten), overigens bij partijen voldoende bekend zodat daarvan geen nadere omschrijving wordt verlangd en anders een en ander blijkens voormelde balans.
III. Het gebruik en genot van de hem in eigendom toebehorende referentiehoeveelheid melk ad 403.625 kilogram, melkprijsjaar 2005/2006, vetpercentage 4,46%.
IV. De economische eigendom van de hem in eigendom toebehorende referentiehoeveelheid melk ad 527.560 kilogram, melkprijsjaar 2005/2006, vetpercentage 4,46% (bijlage 1).
Bij juridische inbreng van machines en werktuigen, de veestapel en de economische inbreng van voorgenoemde referentie hoeveelheid melk, worden de stille reserves, aanwezig op het moment van aangaan van de maatschap, voorgehouden aan de inbrengende vennoot sub 1.
Onder voorbehoud van de stille reserves wordt verstaan, dat de inbrengende vennoot deze stille reserves realiseert en dat deze hem ten goede komen bij het einde der maatschap, of vervreemding van het actief waarop bij inbreng een voorbehoud van stille reserves is gemaakt, voor zover ze dan nog aanwezig zijn, tot een maximum van het bij inbreng vastgestelde bedrag.
(…)
Onder inbreng van de economische eigendom wordt verstaan, dat de betrokken goederen juridisch eigendom van de inbrengende vennoot blijven, doch dat het belang daarvan tot het bedrijfsvermogen van de maatschap gaat behoren, zodat de waardevermeerdering of vermindering na inbreng voor rekening van de maatschap komt.
De vennoot sub 1 wordt voor zijn hiervoor genoemde inbreng in geld of andere goederen voor het bedrag respectievelijk de boekwaarde, in de boeken van de maatschap op zijn kapitaalrekening gecrediteerd.
(…)
Einde der maatschap
Artikel 12
De maatschap eindigt:
(…)
Door opzegging ingevolge het in artikel 2 bepaalde.
(…)
(…)
(…)
Door ontbinding door de rechter.
(…)
Voortzetting
Artikel 14
1. Bij het eindigen der maatschap op grond van de gevallen genoemd in artikel 12:
lid b (opzegging door één der vennoten)
(…)
heeft de overblijvende vennoot, in het geval als bedoeld in artikel 12 lid f, de minst verwijtbare vennoot en samen met de toetredende vennoot als bedoeld in artikel 14a, het recht het bedrijf van de maatschap voort te zetten en:
Heeft de voortzettende vennoot, behalve wanneer hetgeen bepaald is in artikel 14a van toepassing is, het recht het aandeel van de andere vennoot in de activa van de maatschap en het buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen over te nemen, dan wel zich te laten toescheiden voor de going concern waarde, onder de verplichting om alle maatschapsschulden voor zijn rekening te nemen, de uittredende vennoot dienaangaande te vrijwaren en aan de andere vennoot, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden dus aldus bepaalde waarde van het aandeel in de maatschap, het buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen en al hetgeen van de maatschap, blijkens de in artikel 13 genoemde balans te vorderen is, uit te keren, mis hij dit binnen zes maanden na het einde der maatschap bij aangetekend schrijven te kennen heeft.
(…)”
In 2007 hebben [partij A1] en [partij B] een nieuwe melkstal laten bouwen. [partij A1] heeft de juridische eigendom van deze melkstal. Hij heeft de economische eigendom van de melkstal ingebracht in de maatschap.
In 2009 en 2014 heeft [partij A1] drie percelen grond aangekocht.
In 2015 hebben [partij A1] en [partij B] een nieuwe ligboxenstal laten bouwen. [partij A1] heeft de juridische eigendom van de ligboxenstal. Hij heeft de economische eigendom van de ligboxenstal ingebracht in de maatschap.
Per 1 januari 2017 is [partij A2 en A3] toegetreden tot de maatschap. Daartoe hebben [partij A1], [partij B] en [partij A2 en A3] een nieuwe maatschapsovereenkomst opgesteld (hierna ook wel genoemd: de maatschap fase II). In deze maatschapsakte staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…)
De ondergetekenden
(…)
verklaren hierbij:
(…)
- dat de maatschapsovereenkomsten c.q. de bepalingen betreffende de voortzetting de overnamebepalingen tussen de vennoten sub 1 en 2 (artikelen 12, 14 14a) en tussen de vennoten sub 3 en 4 (artikelen 10, 11, 12, 13) tussen deze vennoten onderling van kracht blijven
(…)
Inbreng
Artikel 3
Door ieder der vennoten wordt in de maatschap ingebracht zijn kennis, vlijt en arbeidskracht. Voorts wordt ingebracht per 1 januari 2017 door:
A. De vennoten sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4:
I. De juridische eigendom van de niet-registergoederen, bestaande uit roerende zaken, zoals: machines en werktuigen, veestal, liquide middelen, veldinventaris en voorraden alsmede bepaalde vermogensrechten, zoals: vorderingen, een en ander blijkens de door de in artikel 9 lid 2 genoemde deskundige opgemaakte balans per 1 januari 2017.
De vennoten sub 1 en 2:
II. Het gebruik en genot van de registergoederen, bestaande uit: boerderij, ligboxenstal, jongveestal, werktuigenloods en schuur en erf en ondergrond, staande te [plaats] aan de [adres], kadastraal en voor het overige tussen partijen voldoende bekend en een en ander blijkens voormelde balans.
III. Het gebruik en genot van de registergoederen, bestaande uit: diverse percelen landbouwgrond gelegen aan en om de [adres] te [plaats], totaal groot circa 85.16.60 hectare, kadastraal en voor het overige tussen partijen voldoende bekend en een en ander blijkens voormelde balans en kadastraal bericht.
IV. Het gebruik en genot van de betalingsrechten als bedoeld in de bedrijfstoeslagregeling van Verordening (EG) nr. 1307/2013, (…)
(…)
Vaststelling stille reserves per 1 januari 2017
Tussen de vennoten sub 1 en sub 2 zijn bij oprichting van de tussen hen bestaande maatschap stille reserves voorbehouden door de vennoot sub 1. Dit voorbehoud blijft onverkort van kracht. Ditzelfde geldt voor de vennoten sub 3 en sub 4. Voor de hoogte van deze stille reserves verwijzen de vennoten naar de hier bovengenoemde maatschapsovereenkomsten.
Bij de inbreng in de maatschap tussen de vennoten sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4, door de vennoten sub 1 en sub 2 en de vennoten sub 3 en sub 4 per 1 januari 2017, worden de stille reserves voorbehouden door de inbrengende vennoten.
Onder voorbehoud van de stille reserves wordt verstaan, dat de inbrengende vennoot deze stille reserves realiseert en dat deze hem ten goede komen bij het einde der maatschap, of vervreemding van het actief waarop bij inbreng een voorbehoud van stille reserves is gemaakt, voor zover ze dan nog aanwezig zijn, tot een maximum van het bij inbreng vastgestelde bedrag.
(…)
Einde der maatschap
Artikel 12
De maatschap eindigt ten aanzien van een vennoot:
(…)
Door opzegging van één der vennoten.
(…)
(…)
Door ontbinding door de rechter.
(…)
En wel zodra zich bedoelde feiten of omstandigheden voordoen, behalve in geval van opzegging omdat de maatschap dan ten aanzien van de betreffende vennoot eindigt op het tijdstip waartegen is opgezegd.
Zolang er nog meer dan één vennoot is wordt de maatschap geacht voort te bestaan.
Voortzetting
Artikel 14
Betreffende de voortzetting van de onderneming van de maatschap verwijzen de vennoten naar hun afzonderlijke maatschapsakte welke, wat betreft de voortzetting en overname bepalingen tussen de vennoten sub 1 en sub 2 en de vennoten sub 3 en sub 4 staan opgenomen, volledig van kracht en waarde blijven. Dit betreft dan een beëindiging wegens surseance van betaling, overlijden, faillissement, toepassing van wettelijke schuldsanering, ondercuratelestelling bewind en arbeidsongeschiktheid.
(…)
Indien deze maatschap alleen eindigt ten aanzien van de vennoot sub 2 dan wordt de maatschap voortgezet door de vennoten sub 1, 3 en 4, waarbij de vennoot sub 1 het aandeel van de vennoot sub 2 in deze maatschap overneemt voor de boekwaarde dan wel de economische waarde indien deze lager is.”
Begin 2017 is [partij B] met zijn gezin in enkele woonunits op het erf van de boerderij aan de [adres] komen wonen.
Na 2017 is de verhouding tussen [partij A1] en [partij B] verslechterd.
Na de mondelinge behandeling in deze zaak hebben partijen minnelijk overleg gevoerd. Dat heeft ertoe geleid dat zij op 22 december 2025 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarin partijen zijn overeengekomen dat [partij B] zal uittreden uit (a) de tussen partijen bestaande maatschap en (b) de als maatschap dan wel eenvoudige gemeenschap te kwalificeren samenwerkingsovereenkomst tussen [partij B] en [partij A1]. Ook zijn partijen overeengekomen dat [partij B] alvast een deel van het aan hem toekomende deel van de fosfaatrechten mag verkopen, welk deel ten laste komt van het aan [partij B] in het kader van de verdeling toekomende deel van fosfaatrechten.
4. Het geschil
in conventie
[partij A1] en [partij A2 en A3] vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank:
primair
I. Maatschap Fase II, in het handelsregister ingeschreven onder KVK-nummer [KVK-nummer], gedeeltelijk te ontbinden ten aanzien van [partij B], per peildatum 1 januari 2025, althans de datum van de dagvaarding, althans de datum van het vonnis, althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen peildatum, althans subsidiair te verklaren voor recht dat Maatschap Fase II per peildatum 1 januari 2025, althans per de datum van de dagvaarding, althans per de datum van het vonnis, dan wel per een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen peildatum is ontbonden, alsmede in beide gevallen voorwaardelijk, namelijk voor zover uw rechtbank het niet met [partij A1] en [partij A2 en A3] eens zou zijn dat Maatschap Fase I zich niet voor ontbinding leent, Maatschap Fase I per die datum te ontbinden althans te bepalen dat Maatschap Fase I per diezelfde datum als ontbonden heeft te gelden, een en ander voor zoveel gelet op het hiervoor gevorderde nog nodig;
II. voor recht te verklaren dat [partij A1] het recht heeft om het aandeel van [partij B] in de activa van de Maatschap Fase II over te nemen voor de boekwaarde, dan wel de economische waarde indien deze lager is;
subsidiair
III. Maatschap Fase II, in het handelsregister ingeschreven onder KVK-nummer [KVK-nummer], te ontbinden en daarbij de verdeling vast te stellen van alle tot de ontbonden maatschap behorende zaken, waaronder de bezittingen en schulden en wel op de wijze zoals in de dagvaarding (in het bijzonder zoals genoemd onder de randnummers 41-45) beschreven, dan wel een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen verdeling vast te stellen;
in alle gevallen
IV. [partij B] te veroordelen om op eigen kosten en binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, de woonunits staande en gelegen aan [adres] in [plaats], geheel te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken en geheel ontruimd te houden, alsmede de woonunits van dat erf af te (laten) voeren;
V. [partij B] te veroordelen om aan [partij A1] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [partij B] verzuim te voldoen aan het onder IV. bepaalde, met een maximum van € 10.000,00;
VI. [partij A1] [de rechtbank leest: [partij B]] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A2 en A3] in hun vorderingen, althans onbevoegdheid van de rechtbank om van hun vorderingen kennis te nemen en tot afwijzing van de vorderingen van [partij A1], met veroordeling van [partij A1] en [partij A2 en A3] in de proceskosten.
in reconventie
[partij B] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank:
III. voor recht zal verklaren dat er een pachtovereenkomst existeert tussen [partij A2 en A3] als verpachter en [partij A1] en [partij B] als pachter; alsmede te bepalen dat [partij B] deze pachtovereenkomst voortzet;
IV. de tussen [partij B] en [partij A1], althans tussen [partij B], [partij A1] en [partij A2 en A3] bestaande maatschap zal ontbinden wegens gewichtige redenen ex artikel 7a:1684 BW;
V. de tussen [partij B] en [partij A1] bestaande maatschap zal ontbinden wegens gewichtige redenen alsmede het vermogen van deze maatschap te vereffenen en verdelen, met bepaling dat de schulden worden toegescheiden aan degene die het bedrijf voortzet en dat deze in geval van liquidatie van het bedrijf worden afgelost;
VI. zal bepalen dat [partij B] het bedrijf van de ontbonden maatschap voortzet, waaronder begrepen de onroerende zaken welke juridisch eigendom zijn van [partij A1] zijn en op de balans van zijn persoonlijke onderneming staan, alsmede de activa welke behoren tot de persoonlijke onderneming (maatschap) van [partij A1] en [partij B] samen, zulks tegen de agrarische waarde (zijnde de waarde waarbij (nog juist) lonend kan worden voortgezet) en waarbij een in goede justitie te bepalen meerwaardebeding van toepassing wordt verklaard, alsmede één of meer deskundigen te benoemen ter vaststelling van de agrarische waarde, zijnde de waarde waarbij (nog juist) lonend kan worden voortgezet, alsmede [partij A1] te veroordelen om de bedrijfswoning binnen vier maanden na betekening van het vonnis te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij daarmee nadien in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;
VII. één of meer deskundigen zal benoemen teneinde het aandeel van [partij B] in de stille reserves in het vee, de machines en werktuigen, de voorraden, de fosfaatrechten en de overige op de balans van de persoonlijke onderneming van [partij B] en [partij A1] samen staande activa vast te stellen;
VIII. voor recht zal verklaren dat de door [partij A1] ingebrachte onroerende zaken, zijnde de bedrijfsgebouwen en +/- 86 hectare landbouwgrond, althans in ieder geval de na 2006 aangekochte onroerende zaken, economisch in de tussen [partij A1] en [partij B], althans alle partijen bestaande maatschap (geacht moeten te) zijn ingebracht en dat [partij B] meedeelt in de waardestijging van deze onroerende zaken en dier voege dat [partij B] gerechtigd is tot 50% van de waardevermeerdering tussen 1 mei 2006 en de datum waarop de maatschap wordt ontbonden, althans – subsidiair – ter zake van de waardestijging in het onroerend goed ex aequo et bono te bepalen tot welk deel van de waardestijging [partij B] gerechtigd is;
IX. één of meer deskundigen te benoemen teneinde de waarde van de litigieuze percelen op de betreffende peildata vast te stellen, althans,
X. meer subsidiair voor recht zal verklaren dat [partij B] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in het kader van althans samenhangend met de vereffening en verdeling van de maatschap(pen) gerechtigd is tot een in goede justitie vast te stellen deel van de meerwaarde van de onder VIII. benoemde onroerende zaken alsmede (desnodig) één of meer deskundigen te benoemen teneinde de waarde vast te stellen.
[partij A1] en [partij A2 en A3] hebben verweer gevoerd en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
5. De beoordeling
in conventie en reconventie
De vorderingen
Nog vóór de mondelinge behandeling op 16 december 2025 heeft [partij B] zijn vordering onder III. ingetrokken. In de antwoordakte, tevens overlegging producties, tevens akte wijziging van eis in reconventie, heeft [partij B] te kennen gegeven dat de vordering onder III., gelet op het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst, nog niet als ingetrokken kan worden beschouwd, omdat deze in de procedure bij de pachtkamer behandeld zal worden. De rechtbank vat deze opmerking zo op dat [partij B] de intrekking van de vordering onder III. in deze procedure handhaaft. Verder heeft [partij B] in diezelfde akte zijn vorderingen onder IV., V. en VI. ingetrokken. Ook heeft hij zijn vordering onder VII. gewijzigd in die zin dat hij daar “de voorraden” aan toegevoegd heeft. Op die eiswijziging kunnen [partij A1] en [partij A2 en A3] tijdens de hierna te bepalen nadere mondelinge behandeling reageren.
Het uittreden van [partij B]
Partijen hebben op 22 december 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin partijen zijn overeengekomen dat [partij B] uittreedt uit zowel de maatschap/eenvoudige gemeenschap met [partij A1] als uit de maatschap met [partij A1] en [partij A2 en A3]. Echter zijn partijen in de vaststellingsovereenkomst geen datum van het uittreden van [partij B] overeengekomen en hebben zij geen afspraak gemaakt over (gedeeltelijke) ontbinding van één of beide maatschappen .
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om de maatschappen gerechtelijk (gedeeltelijk) te ontbinden. De eerste maatschap leent zich niet voor ontbinding. De eerste maatschap is blijven bestaan, maar is naar aanleiding van de toetreding van [partij A2 en A3] van naam veranderd en is geworden tot wat nu de tweede maatschap wordt genoemd. In de tweede maatschapsakte is namelijk bepaald dat [partij A2 en A3] zich “als medevennoot bij deze maatschap [de eerste maatschap] laat inschrijven”. De tweede maatschap heeft daarnaast hetzelfde nummer bij de Kamer van Koophandel als de eerste maatschap. Er is dus geen tweede maatschap ontstaan. Er is alleen een tweede maatschapsakte opgemaakt. De zogenaamde ‘eerste’ maatschap bestaat dus niet meer, behalve als gemeenschap tussen [partij A1] en [partij B], en hoeft dus niet te worden ontbonden. De gemeenschap tussen [partij A1] en [partij B] moet door het uittreden van [partij B] nog wel worden vereffend en verdeeld. Verdeling van de gemeenschap is echter niet gevorderd.
Ook de zogenaamde ‘tweede’ maatschap hoeft niet door de rechtbank te worden ontbonden. De maatschap eindigt door het uittreden van [partij B] al ten aanzien van [partij B]. Op grond van artikel 7A:1683 sub 3 BW wordt de maatschap na opzegging van een van de maten van rechtswege ontbonden (in dit geval gedeeltelijk, namelijk alleen ten aanzien van [partij B]). Voor zover [partij B] zijn verweer dat gedeeltelijke ontbinding van de maatschap niet mogelijk is, nog handhaaft, geldt dat de mogelijkheid van gedeeltelijke ontbinding mogelijk is op grond van de afspraken in de tweede maatschapsakte. Daarin staat namelijk dat de maatschap wordt geacht voort te bestaan zolang er nog meer dan één vennoot is en wordt de voortzetting door de andere vennoten voor ieder mogelijkerwijs uittredende vennoot geregeld.
Wel wil de rechtbank in verband met de vordering in conventie onder I. nader worden geïnformeerd over de datum van uittreden van [partij B] en daarmee over de datum van gedeeltelijke ontbinding van de maatschap.
De datum van uittreden, en dus van gedeeltelijke ontbinding van de maatschap is eveneens van belang voor de peildatum van de waardering van het nog te bespreken aandeel van [partij B] in de maatschap. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat de datum van ontbinding van de maatschap als peildatum voor de waardering van de inbreng geldt.
Het aandeel van [partij B] in de activa van de vennootschap
Nu [partij B] zal uittreden uit de maatschap en daardoor geen belang meer heeft bij zijn vordering om het aandeel van [partij A1] in de activa van de maatschap over te nemen, gaat de rechtbank ervan uit partijen het erover eens zijn dat [partij B] recht heeft op zijn kapitaal en op zijn aandeel in de overige activa van de maatschap.
[partij A1] en [partij A2 en A3] stellen zich op het standpunt dat [partij A1] het recht heeft om het aandeel van [partij B] in de activa van de Maatschap Fase II over te nemen voor de boekwaarde, dan wel de economische waarde indien deze lager is. Dat volgt volgens hen uit artikel 14 van maatschapsakte II in samenhang met artikel 14 van maatschapsakte I.
Verder stelt [partij A1] dat hij eigenaar is van alle gebouwen (boerderij, ligboxenstal, jongveestal, werktuigenloods, schuur) en de gronden. Hiervan is alleen het gebruik en genot ingebracht. Deze goederen behoren niet tot de gemeenschap van de maatschap(pen) en komen dus weer ter vrije beschikking van [partij A1]. [partij B] heeft geen recht op zijn aandeel in de waardevermeerdering. Hetzelfde geldt voor de in 2009 en 2014 aangekochte gronden. Eventuele waardevermeerdering of vermindering komt voor rekening van [partij A1]. Alleen van de melkstal en de ligboxenstal die in 2007 en 2015 zijn gebouwd heeft [partij A1] de economische eigendom ingebracht. Van deze stallen moeten volgens hem en [partij A2 en A3] de waardemutaties worden verrekend. Van de overige goederen, namelijk de machines, werktuigen, veestapel, liquide middelen, veldinventaris, fosfaatrechten en andere vermogensrechten is de juridische eigendom in de maatschap ingebracht. Deze goederen blijven eigendom van [partij A1], aldus nog steeds [partij A1] en [partij A2 en A3].
[partij B] stelt dat hij, naast zijn ingebrachte kapitaal, recht heeft op de waardevermeerdering van de onroerende zaken en op de stille reserves in de roerende zaken. Hij stelt daartoe dat hij en [partij A1] de gebouwen en grond economisch in de maatschap hebben ingebracht, althans het economisch belang van deze onroerende zaken hebben ingebracht. Weliswaar spreekt de maatschapsakte van inbreng van het gebruik en genot van de onroerende zaken, maar feitelijk hebben partijen volgens [partij B] gehandeld alsof zij de goederen economisch hebben ingebracht, althans het economisch belang hebben ingebracht. [partij A1] en [partij B] hebben immers samen het gebruik en genot van de onroerende zaken in de tweede maatschap ingebracht. Hij heeft dus recht op de waardevermeerdering van de gebouwen en grond, aldus [partij B]. Ook van de later aangekochte gronden en de nieuwe stallen is volgens [partij B] de economische eigendom in de tweede maatschap ingebracht. Ook van die onroerende zaken heeft hij dus recht op de waardevermeerdering, aldus [partij B].
Subsidiair stelt [partij B] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij niet zou meedelen in de waardeontwikkeling, omdat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat [partij B] het bedrijf zou overnemen en voortzetten.
Verder stelt [partij B] recht te hebben op zijn aandeel in de stille reserves in het vee, de machines en werktuigen, de voorraden, de fosfaatrechten en de overige op de balans van de persoonlijke onderneming van [partij B] en [partij A1] samen staande activa. Volgens [partij B] is hij naar rato van zijn winstaandeel van 45% gerechtigd op deze stille reserves.
De rechtbank overweegt dat [partij B] aanspraak maakt op de stille reserves in zowel de onroerende zaken als de roerende zaken. Partijen hebben echter ten aanzien van een aantal activa geen standpunt ingenomen over de verhouding van hun stellingen hierover ten opzichte van de afspraken over de stille reserves in artikel 3 van de tweede maatschapsakte.
Wat betreft de in 2007 gebouwde nieuwe melkstal en de in 2015 gebouwde nieuwe ligboxenstal lijken partijen het erover eens te zijn dat [partij A1] daarvan de economische eigendom heeft ingebracht en dat [partij B] recht heeft op zijn aandeel in de waardevermeerdering van deze onroerende zaken, maar onduidelijk is hoe dat standpunt zich verhoudt tot het hiervoor genoemde artikel 3 van de tweede maatschapsakte dat over de stille reserves gaat. Ook hebben partijen geen standpunt ingenomen over hoe de stelling dat [partij B] recht heeft op de waardevermeerdering van de nieuw gebouwde onroerende zaken in verhouding staan tot de afspraak dat [partij A1] het aandeel van [partij B] in de maatschap (of andersom) over kan nemen voor de boekwaarde, dan wel de economische waarde indien deze lager is.
Verder is tussen partijen in geschil op welke manier de drie in 2009 en 2014 aangekochte stukken grond in de (tweede) maatschap zijn ingebracht. [partij A1] stelt dat hij van deze gronden enkel het gebruik en genot heeft ingebracht, waarmee vast zou staan dat [partij B] geen aandeel heeft in de stille reserves. [partij B] stelt zich op het standpunt dat van deze stukken grond de economische eigendom is ingebracht, waardoor hij recht heeft op zijn aandeel in de waardevermeerdering van deze grond. Volgens [partij B] is de aankoop van deze grond geheel dan wel grotendeels met maatschapsvermogen gefinancierd. [partij A1] en [partij A2 en A3] hebben wat dit punt betreft nog niet op de producties bij de antwoordakte van [partij B] kunnen reageren. Die gelegenheid krijgen zij dan ook op de nader te bepalen mondelinge behandeling.
Ontruiming van de woonunit
[partij B] woont met zijn gezin in een woonunit op het erf van [partij A1].
[partij A1] vordert ontruiming van de woonunits waarin [partij B] woont. [partij A1] heeft daartoe gesteld dat [partij B] met zijn toestemming op het erf woonde, maar dat hij zijn toestemming heeft ingetrokken waardoor [partij B] nu zonder recht of titel op zijn erf verblijft.
[partij A1] is eigenaar van het erf waarop [partij B] verblijft en kan dus op grond van zijn eigendomsrecht ontruiming vorderen. [partij B] heeft enkel gesteld dat partijen ver genoeg van elkaar af wonen, maar verder heeft hij tegen de ontruiming geen verweer (meer) gevoerd. Ook heeft hij in navolging van [partij A1] aangegeven dat het antwoord op de vraag of hij zal moeten ontruimen, afhangt van wie de maatschap voort gaat zetten. Nu [partij B] zal uittreden, zal hij in het eindvonnis worden veroordeeld om de woonunits te verlaten. De datum van ontruiming zal afhangen van de nader te bespreken datum van uittreding van [partij B] uit de maatschappen.
Nadere mondelinge behandeling
De rechtbank zal, in overeenstemming met de wens van partijen, een mondelinge behandeling bevelen om nadere informatie te vergaren om te kunnen beslissen op de vorderingen van partijen waar deze zien op de ontruiming en op de waardering van het aandeel van [partij B] en om partijen de gelegenheid te geven hun standpunten over de resterende geschilpunten kenbaar te maken. Eveneens kunnen [partij A1] en [partij A2 en A3] dan reageren op de wijziging van eis in reconventie en op de producties bij de laatste antwoordakte van [partij B]. Ten slotte zal de rechtbank ter gelegenheid van de mondelinge behandeling met partijen het vervolg van de procedure bespreken.
Partijen kunnen voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen stukken in het geding brengen. Tijdens de mondelinge behandeling kunnen zij hun eventuele verzoeken daartoe doen, waarop de rechtbank vervolgens zal beslissen. Partijen kunnen tijdens de mondelinge behandeling het woord voeren aan de hand van spreekaantekeningen. De rechtbank zal partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid stellen een minnelijke regeling te beproeven.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden acht.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie en reconventie
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen, het beproeven van een minnelijke regeling en het bespreken van het vervolg van de procedure, door mr. C.A. de Beaufort, in het gerechtsgebouw te Zwolle, Schuurmanstraat 2, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn;
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 26 augustus 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2026 tot en met februari 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.(SB)