RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.161039.22 (P)
Datum vonnis: 3 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: al dan niet samen met anderen beroeps- of bedrijfsmatig in twee panden in Deventer hennep heeft geteeld of aanwezig heeft gehad;
feit 2: een revolver en munitie voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 7 juli 2022 en/of 11 oktober 2022 te Deventer, althans in
Nederland, (telkens)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening
van een beroep
en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in
elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad;
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844
hennepplanten en/of
delen daarvan en/of
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610
hennepplanten en/of delen
daarvan en/of
althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval
een hoeveelheid
meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel
als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst 11, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid
van artikel 3a van
die wet;
2
hij op of omstreeks 11 oktober 2022 te Deventer een wapen van categorie 111, onder
1. van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith en
Wesson, kaliber 357 Magnum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver
en/of munitie van categorie 111 van de Wet
wapens en munitie voorhanden heeft gehad.
3. De procesafspraken
De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de verdediging zogeheten
‘procesafspraken’ hebben gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van deze procesafspraken.
Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie aan de rechtbank is voorgelegd, luidt
als volgt:
Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 20 januari 2026 zijn de ten laste gelegde feiten en de gemaakte procesafspraken met verdachte besproken. Daarbij was een belangrijk element of verdachte begrijpt wat de gemaakte procesafspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak (kunnen) hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij dit begrijpt. De rechtbank heeft tijdens de bespreking van de ten laste gelegde feiten verdachte gevraagd of hij daarover wil verklaren. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. In de aanloop naar en tijdens het maken van de procesafspraken en de bespreking van het afdoeningsvoorstel ter terechtzitting is voortdurend sprake geweest van rechtsbijstand voor verdachte.
4. De bewijsmotivering
Inleiding
Medio april 2022 wordt door de politie een onderzoek naar hennepteelt in Deventer gestart onder de naam ‘Dravik’. Na twee meldingen bij Meld Misdaad Anoniem, een warmtemeting en een netmeting ontstaat het vermoeden dat in een loods op een industrieterrein aan de [adres 2] een hennepkwekerij aanwezig is. Gedurende een korte periode wordt een camera op de loods geplaatst om te onderzoeken welke personen betrokken zijn bij de hennepkwekerij. Op 7 juli 2022 doet de politie instap in het pand aan de [adres 2] en wordt de hennepkwekerij ontmanteld. Er wordt besloten nog geen aanhoudingen te verrichten en de betrokken verdachten onder de tap te zetten. Ook wordt een baken aangebracht in de auto’s die bij de hennepkwekerij zijn gezien. Uit de informatie uit de tapgesprekken en de bakengegevens zijn nog vier hennepkwekerijen op verschillende adressen in Deventer in beeld gekomen. De politie doet op 11 oktober 2022 een instap op deze adressen en treft hennepkwekerijen aan. Vervolgens zijn verdachte en de drie medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangehouden. Bij een doorzoeking van de woning van verdachte op 11 oktober 2022 worden een vuurwapen (een revolver) en kogelpatronen aangetroffen.
De standpunten van partijen
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de gemaakte procesafspraken op het
standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De verdediging heeft, in overeenstemming met de gemaakte procesafspraken, geen (bewijs)verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 7 juli 2022 en 11 oktober 2022 te Deventer telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen in de uitoefening
van een beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844 hennepplanten en
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610 hennepplanten en
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
hij op 11 oktober 2022 te Deventer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith en Wesson, kaliber 357 Magnum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat
zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
7. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, conform het afdoeningsvoorstel, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen conform het afdoeningsvoorstel.
De gronden voor een straf
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten twee grote en professioneel opgezette hennepkwekerijen geëxploiteerd waarin (in totaal) 1.454 hennepplanten zijn aangetroffen. Ook is bij één hennepkwekerij resten van geoogste hennepplanten aangetroffen en was bij beide kwekerijen sprake van het illegaal afnemen van stroom. Verdachte heeft enkel gehandeld met het oog op financieel gewin en is voorbijgegaan aan het feit dat verdovende middelen zoals hennep schadelijk zijn voor de volksgezondheid en vaak leiden tot verschillende vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft verdachte een revolver en (bijbehorende) kogelpatronen voorhanden gehad. Het bezit van dergelijke vuurwapens brengt risico’s voor de veiligheid met zich en brengt onder burgers gevoelens van onveiligheid teweeg. Bovendien is het algemeen bekend dat vuurwapenbezit, met name in het criminele circuit, niet zelden leidt tot het gebruik ervan, met ernstige gevolgen voor anderen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 Sr van toepassing is in verband met een drietal in 2024 opgelegde strafbeschikkingen (geldboetes).
De straf
De rechtbank stelt voorop dat zij haar eigen afweging maakt bij het bepalen van de op te
leggen straf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken
worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg
Vakinhoud Strafrecht. Daarnaast acht de rechtbank bij de strafoplegging van belang
dat procesafspraken naar hun aard kunnen bijdragen aan het verkorten van de procedure en
het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waarop de afspraken zien. Door het afdoen
van deze strafzaak op de wijze als in de procesafspraken is overeengekomen, wordt de
behandeltijd van de zaak aanzienlijk verkort en kan de zaak efficiënter worden afgedaan.
Gelet op het voorgaande en hetgeen op zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van
oordeel dat de afdoening zoals gevorderd door de officier van justitie, mede in het licht van
de belangen die met de gemaakte procesafspraken gemoeid zijn, in een redelijke verhouding
staat tot de ernst van de zaak en daarbij voldoende recht doet aan de inhoud van de strafzaak
en alle betrokken belangen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank onder andere rekening met de omstandigheid dat het tussen verdachte en de officier van justitie overeengekomen schikkingsbedrag ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel (een bedrag van
€ 217.500,00) reeds geheel is voldaan door verdachte (en zijn medeverdachten).
Alles afwegende acht de rechtbank de voorgestelde straf passend. De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf van 200 uren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1, het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2, het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor een in verzekering doorgebrachte dag twee uren aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Buiten staat
Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.