RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12254478 \ CV EXPL 26-1013
Vonnis van 18 augustus 2026
in de zaak van
ELQ PORTEFEUILLE I B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ELQ,
gemachtigde: [gemachtigde 1],
tegen
NOBLESSING JURIDISCHE & ADMINISTRATIEVE DIENSTVERLENING B.V.,
te Almelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Noblessing,
gemachtigde: [gemachtigde 2] (Impuls Juridische & Administratieve Dienstverlening B.V.).
1. De zaak in het kort
[naam] heeft in 2008 een overeenkomst van geldlening gesloten met ELQ, waarbij hij haar een hypotheekrecht op zijn woning heeft verleend. Dit is vastgelegd in de notariële akte van 18 juli 2008. Volgens ELQ is [naam] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet nagekomen, waarna voormelde akte is betekend bij exploot van 24 november 2021.
Op 12 februari 2026 heeft ELQ executoriaal derdenbeslag gelegd onder Noblessing, waarvan [naam] – volgens ELQ – enig aandeelhouder en bestuurder is.
Volgens (een aanvulling op) de door Noblessing aan ELQ gezonden verklaring is
[naam] tot 1 april 2026 in dienst bij haar tegen een salaris van € 1.642,50 bruto per maand.
ELQ vordert in deze procedure dat Noblessing wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 107.191,35, dat zij wordt geboden deugdelijk en onderbouwd opgave te doen van al hetgeen door het derdenbeslag is getroffen, dat de kantonrechter een redelijk loon ex artikel 479a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voor
[naam] (bij Noblessing) vaststelt en dat Noblessing wordt veroordeeld tot betaling van rente en kosten.
ELQ heeft de vorderingen ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter is voornemens de zaak ambtshalve te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Partijen krijgen de gelegenheid zich over de voorgenomen verwijzing uit te laten.
2. De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de dagvaarding en de conclusie van antwoord. Vervolgens is vonnis bepaald.
3. De beoordeling
In deze zaak moet eerst worden beoordeeld of de kantonrechter dan wel de rechtbank bevoegd is deze zaak te behandelen.
In artikel 477a lid 5 Rv is bepaald dat de kantonrechter in twee gevallen bevoegd is in een procedure als deze (een “verklaringsprocedure” als bedoeld in artikel 477a Rv); als (er duidelijke aanwijzingen zijn dat) het bedrag dat de derde-beslagene aan de beslagene moet betalen onder de € 25.000 blijft (artikel 93 sub a en b Rv) of als de beslagen vorderingen naar hun aard door de kantonrechter worden behandeld (artikel 93 sub c en
d Rv).
Volgens ELQ is de kantonrechter bevoegd nu het gaat om loonbeslag (artikel 93
sub c Rv). Ingevolge artikel 2:241 BW neemt echter de rechtbank kennis van alle vorderingen betreffende de overeenkomst tussen de vennootschap en haar bestuurders waarvan het bedrag onbepaald is of hoger dan € 25.000.
De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo. Voordat daartoe wordt beslist, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich over de voorgenomen verwijzing uit te laten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 15 september 2026 voor het nemen van een akte door partijen over de voorgenomen verwijzing van de zaak naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op
18 augustus 2026. (JK)