RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12238387 \ CV EXPL 26-1693
Vonnis van 18 augustus 2026
in de zaak van
NS REIZIGERS B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: NS,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft tijdens een treinrit met NS geen vervoersbewijs kunnen tonen. Daarom voldeed [gedaagde] niet aan de verplichtingen in het Besluit Personenvervoer 2000 en overtrad [gedaagde] de Wet op Personenvervoer 2000.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de ritprijs, de boete, de wettelijke rente en de kosten van deze procedure moet betalen. De vordering tot betaling van de administratiekosten van € 20,00 wordt afgewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek.
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
NS vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 107,70, vermeerderd met rente en kosten.
NS legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft op 21 oktober 2025 gereisd met de NS van [plaats] naar [woonplaats]. [gedaagde] was tijdens deze reis niet in het bezit van een geldig vervoersbewijs. [gedaagde] voldeed daarom niet aan de verplichtingen van het Besluit Personenvervoer 2000 en hij overtrad de Wet op het Personenvervoer 2000. [gedaagde] is daarom volgens NS, naast de ritprijs van € 17,70, de wettelijke verhoging van € 70,00, de administratiekosten van € 20,00 en de bijkomende kosten van deze procedure verschuldigd.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling
[gedaagde] moet de boete (= ritprijs en wettelijke verhoging) betalen
[gedaagde] stelt dat hij online een treinkaartje had gekocht voor een treinreis van zijn werk in [plaats] naar huis in [woonplaats]. Niet lang na het inchecken was zijn telefoon leeg. [gedaagde] heeft nog aan medepassagiers en de conducteur om een oplader gevraagd om te laten zien dat hij een kaartje had gekocht, maar tevergeefs. De boete vindt [gedaagde] onterecht en hij mist empathie bij de conducteur.
Volgens NS is [gedaagde] de ritprijs en de wettelijke verhoging op grond van artikel 48 lid 1 en lid 2 jo. lid 3 Besluit personenvervoer 2000 verschuldigd op het moment dat een reiziger desgevraagd het vervoersbewijs dat hij diende te hebben, niet toont of overhandigt. De conducteur moet namelijk kunnen controleren of een vervoersovereenkomst tot stand is gekomen en of daarvoor de geldende prijs is betaald. Voor de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging is dus niet doorslaggevend of [gedaagde] achteraf stelt dat hij mogelijk wel een vervoersbewijs had gekocht. Beslissend is dat [gedaagde] dit vervoersbewijs bij controle niet heeft kunnen tonen. Deze verplichting rust op [gedaagde] zelf.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vaststaat dat [gedaagde] tijdens de treinreis geen geldig vervoersbewijs heeft kunnen tonen, terwijl hij dat op grond van artikel 48 lid 1 en lid 2 jo. lid 3 Besluit personenvervoer wel moet kunnen als de conducteur daarom verzoekt. [gedaagde] is daarom de ritprijs en de wettelijke verhoging verschuldigd. Dit leidt er toe dat [gedaagde] de vordering tot betaling van de ritprijs van [plaats] naar [woonplaats] van € 17,70 en de wettelijke verhoging van € 70,00 moet betalen. Als al juist is dat [gedaagde] zijn vervoersbewijs niet kon laten zien omdat zijn telefoon leeg was - NS bestrijdt dat en [gedaagde] heeft niet alsnog het vervoersbewijs laten zien of in het geding gebracht – leidt dat dus niet tot afwijzing van de vorderingen.
De administratiekosten
NS vordert op grond van artikel 48 lid 6 van het Besluit personenvervoer 2000 de administratiekosten van € 20,00. Volgens dit artikellid is [gedaagde] de administratiekosten pas verschuldigd als hij eerst de gelegenheid heeft gekregen om de opgelegde boete – kosteloos – binnen veertien dagen aan NS te betalen. NS heeft haar stellingen echter niet onderbouwd door het overleggen van afschriften van de brieven waarin [gedaagde] kosteloos is aangemaand tot betaling, zodat de kantonrechter niet kan beoordelen of zij aan de wettelijke vereisten heeft voldaan. De kantonrechter zal daarom de gevorderde administratiekosten van € 20,00 als niet onderbouwd afwijzen.
De wettelijke rente
[gedaagde] is te laat met het betalen van de boete. [gedaagde] is daarom de wettelijke rente over de boete verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 13 april 2026 tot de dag der algehele voldoening.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,08
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
373,58
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan NS te betalen een bedrag van € 87,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 373,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.