RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12211625 \ RR FORM 26-25
Vonnis van 18 augustus 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
de stichting
STICHTING WOON- EN WERKRUIMTEN VOOR KUNSTENAARS,
gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo,
gedaagde partij, hierna te noemen: SWWK,
vertegenwoordigd door [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4].
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het aanvraagformulier met bijlagen van [eiser];
- het reactieformulier met bijlagen van SWWK;
- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
[eiser] huurt sinds 2020 een atelier van SWWK. Tegenover het door [eiser] gehuurde atelier bevindt zich een kastruimte. [eiser] heeft een advocaat ingeschakeld om voor haar te verduidelijken of zij recht heeft op gebruik van de kastruimte. [eiser] heeft hiervoor advocaatkosten gemaakt. [eiser] vindt dat SWWK deze kosten moet betalen. De regelrechter wijst het gevorderde af, omdat een grondslag voor toewijzing ontbreekt.
3. De feiten
[eiser] huurt sinds 15 oktober 2020 een atelier van SWWK. Tegenover het atelier van [eiser] bevindt zich een kastruimte. Deze kastruimte werd eerst gebruikt door [naam 5] (huurder van atelier “B”) en vervolgens door [naam 6] (huurder van atelier “B” sinds 1 november 2025 tot op heden).
Op 8 mei 2025 stelde [eiser] per e-mail voor om de kastruimte tegenover haar atelier voor een symbolisch bedrag van € 5,00 te huren:
‘Beste [naam 7] en [naam 8],
Zie de bijgevoegde foto’s. De ruimte tegenover mijn atelier wordt structureel op deze manier achtergelaten. Zoals jullie wellicht weten, maakte deze ruimte oorspronkelijk deel uit van mijn atelier, maar [naam 5] heeft deze destijds in gebruik genomen.
De huidige situatie stoort me al geruime tijd. Er worden spullen achtergelaten zonder enige vorm van huur of verantwoordelijkheid, en ook delen van de gang worden hierbij benut. Gezien eerdere ervaringen, waarbij ik me niet altijd veilig heb gevoeld in de omgang, wil ik voorkomen dat er rommel voor mijn deur blijft verschijnen.
Daarom stel ik voor om deze ruimte officieel voor een symbolisch bedrag van €5,- per maand te huren. Op die manier heb ik zelf zicht op het gebruik ervan en kan ik voorkomen dat er spullen blijven rondslingeren.
Ik hoor graag van jullie.
Met vriendelijke groet,
[naam 9]’
SWWK reageerde op 10 mei 2025 op deze e-mail:
‘Hallo [naam 9],
dat is wellicht een goede oplossing. We zullen het bespreken in de volgende bijeenkomst, dan bel ik je daarna.
Goed weekend,
groeten,
[naam 8]’
Op 18 november 2025 liet SWWK [eiser] weten dat de kastruimte bij het atelier van [naam 6] hoort.
4. Het geschil
De vordering
[eiser] vordert - samengevat – veroordeling van SWWK tot het betalen van een bedrag van € 2.540,00, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag.
[eiser] heeft een conflict met SWWK over het gebruik van een kastruimte. Volgens [eiser] heeft een bestuurder van SWWK mondeling aan haar medegedeeld dat de kastruimte bij haar atelier hoort. Vervolgens bleek de kastruimte onderdeel te zijn van de huurovereenkomst met een andere huurder. Doordat SWWK lange tijd onduidelijk en wisselend communiceerde over het gebruik van de kastruimte, heeft [eiser] een advocaat ingeschakeld om haar positie te begrijpen. [eiser] vordert de kosten voor juridische bijstand van € 1.890,00 en de kosten voor de door haar gemaakte uren van € 650,00.
Het verweer
SWWK vraagt de regelrechter om het gevorderde af te wijzen. SWWK voert aan dat zij niet onzorgvuldig heeft gehandeld en daarom hoeft zij de juridische kosten en uren van [eiser] niet te vergoeden. SWWK heeft nooit toegezegd dat [eiser] recht had op het gebruik van de kastruimte.
5. De beoordeling
Aan de orde is of SWWK de advocaatkosten van [eiser] moet betalen. Hiervoor moet dan een wettelijke grond aanwezig zijn. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] het bedrag vordert als schadevergoeding. Schadevergoeding is toewijsbaar wanneer de schade is geleden als gevolg van een tekortkoming of onrechtmatige daad gepleegd door een ander. In geval van een tekortkoming moet er ook sprake zijn van verzuim. Ook moet het oorzakelijke verband aanwezig zijn. Daarvan is hier allemaal geen sprake. Hieronder wordt dat uitgelegd.
De kantonrechter begrijpt dat de tekortkoming of onrechtmatige daad volgens [eiser] bestaat uit dat SWWK jegens haar niet transparant en consistent is geweest in de informatieverstrekking over de huur van de kastruimte en dat zij vindt dat zij daarom door toedoen van SWWK onnodig advocaatkosten heeft moeten maken. Pas na tussenkomst van de advocaat werd een huurovereenkomst overgelegd waaruit volgt dat de kastruimte al enkele jaren onderdeel uitmaakte van een ander huurobject en dus van haar huurovereenkomst geen onderdeel uitmaakte.
Dat SWWK niet transparant en consistent is geweest, betwist SWWK en is de regelrechter niet gebleken. Uit de feiten volgt dat het vanaf begin af aan [eiser] duidelijk was, of had moeten zijn, dat de kastruimte niet bij de door haar gehuurde ruimte hoorde. Uit de tekst van het huurcontract volgt duidelijk wat de huurovereenkomst inhoudt, de kastruimte wordt daar niet genoemd en maakt daar geen onderdeel van uit. Dat was ook bij aanvang van de huur zichtbaar. De kastruimte was bij een andere in gebruik, [eiser] heeft daar toen geen actie tegen ondernomen.
Na beëindiging van het gebruik door de andere huurder, doet [eiser] SWWK een voorstel om de kastruimte te mogen gaan huren voor € 5,00 per maand. Dat alles past niet bij het standpunt van [eiser] dat het al onderdeel uitmaakte van het door haar gehuurde en dat dat haar bij aanvang van de huur ook was toegezegd.
SWWK heeft ter zitting verklaard ook voorstellen te hebben gedaan aan [eiser] om samen het gesprek over de kastruimte en andere mogelijke opties aan te gaan. Ook ter zitting zijn die voorstellen wederom gedaan. [eiser] heeft daar geen gebruik van gemaakt en wenste daar ook ter zitting geen gebruik van te willen maken. Zij wil alleen het gebruik van de kastruimte.
De conclusie is dat van een tekortkoming aan de zijde van SWWK jegens [eiser] op grond waarvan SWWK schadeplichtig is jegens [eiser] de regelrechter niet is gebleken. Laat staan dat de kosten van de advocaat in oorzakelijk verband zouden staan met de beweerde tekortkoming. Het staat [eiser], net als ieder ander, te alle tijde vrij om juridische hulp in te schakelen om haar juridische positie te onderzoeken en te verduidelijken en een advocaat hiertoe opdracht te geven. De kosten hiervan komen dan voor haar eigen rekening, omdat zij opdracht hiertoe geeft. Dit kan anders zijn als partijen daar samen vooraf afspraken over maken, maar dat is niet gebeurd. Voor het verhalen van deze kosten op SWWK ontbreekt iedere grond. Ook voor vergoeding van schade bestaande uit eigen gemaakte uren bestaat geen grond.
De conclusie is dan ook dat er geen grondslag aanwezig is voor het toekennen van de vorderingen van [eiser]. De regelrechter wijst het gevorderde af.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en daarom moet zij haar eigen proceskosten betalen.
6. De beslissing
De regelrechter:
wijst de vorderingen van [eiser] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.