RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12258589 \ EJ VERZ 26-165
Beschikking van 18 augustus 2026
in de zaak van
1. [verzoekster 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster 1] , 2. [verzoekster 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster 2] ,
gemachtigde: mr. M. van Leussen,
tegen
[verweerder] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] ;
- de nadere toelichting tevens houdende wijziging van verzoek van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] ;
- de aanvullende producties van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] .
De mondelinge behandeling vond plaats op 4 augustus 2026. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] waren er met hun gemachtigde. [verweerder] is niet verschenen.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De zaak in het kort
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] hadden een arbeidsovereenkomst met [verweerder] . [verweerder] heeft zowel [verzoekster 1] als [verzoekster 2] onterecht op staande voet ontslagen en daarom moet hij een aantal bedragen aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] betalen. Ook worden een aantal van de overige verzoeken toegewezen, zoals hierna zal worden besproken.
3 De feiten
[verweerder] heeft een eenmanszaak (‘ [eenmanszaak] ’) opgericht die zich richt op onder meer loodgieterswerk.
[verzoekster 1] is op 1 december 2025 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerder] als manager voor 36 uur per week met een salaris van € 3.000,00 netto per maand.
[verzoekster 2] is op 12 januari 2026 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerder] als assistent-manager op oproepbasis met een salaris van € 16,00 bruto per uur.
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben sinds maart 2026 geen loon ontvangen. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben hier vragen over gesteld aan [verweerder] en zijn accountant. De accountant heeft [verzoekster 1] op 12 mei 2026, en [verzoekster 2] op 28 mei 2026 laten weten dat zij beiden in
april 2026 op staande voet zijn ontslagen door [verweerder] .
4. De verzoeken
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] verzoeken – kort samengevat – de verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomsten tussen [verzoekster 1] en [verzoekster 2] en [verweerder] onregelmatig zijn opgezegd. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] berusten na wijziging van hun verzoeken in het einde van de arbeidsovereenkomst en verzoeken de kantonrechter om [verweerder] te veroordelen tot het betalen van de volgende bedragen:
- een vergoeding in verband met de onregelmatige opzegging; aan zowel [verzoekster 1] als [verzoekster 2] een bedrag van € 2.000,00 (bruto);
en, wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten:
- de transitievergoeding, zijnde aan [verzoekster 1] het bruto-equivalent van € 279,00 (netto), en aan [verzoekster 2] het bedrag van € 126,85 (bruto);
- een billijke vergoeding van € 16.000,00 (bruto) aan [verzoekster 1] en van € 18.000 (bruto) aan [verzoekster 2] ;
- het achterstallige salaris over de maand maart, aan [verzoekster 1] een bedrag van € 4.119,92 bruto (zijnde het bruto-equivalent van € 3.000,00 netto) en aan [verzoekster 2] een bedrag van € 2.755,52 (bruto).
Aan de verzoeken hebben [verzoekster 1] en [verzoekster 2] ten grondslag gelegd dat zij op
4 april 2026 onterecht op staande voet zijn ontslagen. Zij berusten wel in het einde van de arbeidsovereenkomst. Zij hebben ook nog een aantal nevenverzoeken gedaan.
[verweerder] heeft niet op de verzoeken van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] gereageerd.
5. De beoordeling
De kantonrechter zal hierna per verzoek beoordelen of het kan worden toegewezen. Omdat [verweerder] geen verweer heeft gevoerd wordt bij de beoordeling van de verzoeken hetgeen door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] is gesteld als vaststaand aangenomen en worden de verzoeken toegewezen als deze juridisch gegrond en niet onrechtmatig zijn.
De kantonrechter licht dit, waar nodig, hierna toe.
Datum indiensttreding [verzoekster 1]
[verzoekster 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling voldoende gesteld dat zij vanaf
1 december 2025 al in dienst was bij [verweerder] . Daarom zal de kantonrechter voor recht verklaren dat [verzoekster 1] sinds 1 december 2025 in dienst was bij [verweerder] .
Onregelmatige opzegging
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] zijn beiden in april 2026 zonder grond op staande voet ontslagen en daarom zal de verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomsten onregelmatig zijn opgezegd in april 2026, worden toegewezen.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] verzoeken de kantonrechter om aan hen beiden een bedrag van € 2.000,00 bruto toe te kennen wegens de onregelmatige opzegging door [verweerder] . De vergoeding wegens onregelmatige opzegging dient te worden begroot op het bedrag dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] nog hadden verkregen indien de arbeidsovereenkomst regelmatig was opgezegd.
De kantonrechter oordeelt dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat zij recht hebben op een vergoeding van (in ieder geval) € 2.000,00 bruto per persoon. Dit verzoek wordt dus toegewezen.
Transitievergoeding
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] stellen dat zij beiden recht hebben op een transitievergoeding wegens de (onregelmatige) opzegging van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] vanwege het eindigen van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] moet betalen. Aan [verzoekster 1] is dat het bruto-equivalent van € 279,00, en aan [verzoekster 2] het bedrag van € 126,85 (bruto).
Billijke vergoeding
[verzoekster 1] verzoekt om een billijke vergoeding van € 16.000,00 (bruto) en [verzoekster 2] om een billijke vergoeding van € 18.000,00 (bruto). [verzoekster 1] en [verzoekster 2] leggen hieraan ten grondslag dat er geen sprake was van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. [verweerder] moet daarom een billijke vergoeding aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] betalen.
De kantonrechter overweegt als volgt. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Dat is ernstig verwijtbaar en [verweerder] moet daarom een billijke vergoeding aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] betalen op grond van artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW. Ook hebben [verzoekster 1] en [verzoekster 2] voldoende onderbouwd dat hun inkomensschade (minimaal) € 16.000,00 respectievelijk € 18.000,00 is en daarom worden deze bedragen toegewezen.
Achterstallig salaris maart 2026
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben gesteld dat [verweerder] het loon over de maand
maart 2026 niet heeft betaald, terwijl op dat moment nog sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen partijen.
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben voldoende gesteld dat [verweerder] het loon over de maand maart niet heeft uitbetaald terwijl hij hier wel toe verplicht was. De kantonrechter zal [verweerder] daarom veroordelen tot het betalen van het achterstallige loon over de maand maart 2026. Voor [verzoekster 1] is dit een bedrag van € 4.119,92 bruto (het bruto-equivalent van€ 3.000,00 netto) en voor [verzoekster 2] is dit een bedrag van € 2.755,52 (bruto).
Wettelijke rente
De kantonrechter zal [verweerder] ook veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag waarop ieder van voornoemde vorderingen opeisbaar is tot het moment van betaling.
Bedrijfsauto
[verzoekster 1] verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.146,65, zijnde kosten en boetes die verband houden met de bedrijfsauto, die op haar naam was en is geregistreerd. Ook wil [verzoekster 1] dat [verweerder] meewerkt aan het wijzigen van de tenaamstelling van de bedrijfsauto, dan wel dat [verzoekster 1] de bedrijfsauto mag verkopen als [verweerder] niet meewerkt.
[verzoekster 1] heeft voldoende gesteld dat zij kosten ter hoogte van € 2.146,65 heeft gemaakt voor de bedrijfsauto. [verweerder] moet dit bedrag aan [verzoekster 1] betalen. Ook moet [verweerder] meewerken aan het wijzigen van de tenaamstelling van de auto. De kantonrechter kan het verzoek van [verzoekster 1] om de auto zelf te mogen verkopen niet toewijzen. Hoewel de bedrijfsauto op naam van [verzoekster 1] staat, is zij geen eigenaar van de auto en mag zij deze dus niet zomaar verkopen.
Van toepassing zijnde cao
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben voldoende gesteld dat op hun arbeidsovereenkomsten de cao Technisch Installatiebedrijf van toepassing is.
Persoonlijke eigendommen van [verzoekster 1] en [verzoekster 2]
[verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben gesteld dat [verweerder] nog persoonlijke eigendommen van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] in zijn bezit heeft, en dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] ook nog eigendommen van [verweerder] in hun bezit hebben.
Gelet op vorenstaande wijst de kantonrechter het verzoek van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] om de gelegenheid om hun persoonlijke eigendommen op te halen en bij die gelegenheid zaken van [verweerder] aan hem af te geven, toe. Als [verweerder] deze gelegenheid niet geeft, moet hij een dwangsom van € 50,00 per dag betalen met een maximum van € 1.000,00.
Relatiebeding
De kantonrechter zal hierna voor recht verklaren dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen gesloten relatiebeding, zoals is opgenomen in de arbeidsovereenkomsten.
6. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat [verzoekster 1] vanaf 1 december 2025 werkzaam was voor [verweerder] tegen het bruto-equivalent van € 3.000,00 netto per maand (circa € 4.119,92);
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomsten tussen [verweerder] en [verzoekster 1] en tussen [verweerder] en [verzoekster 2] onregelmatig zijn opgezegd in april 2026;
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster 1] van:
- een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.000,00 (bruto);
- de transitievergoeding, zijnde het bruto-equivalent van € 279,00;
- een billijke vergoeding van € 16.000,00 (bruto); en
- het achterstallige salaris over de maand maart 2026 van € 4.119,92 (bruto),
waarbij alle voornoemde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de momenten waarop voornoemde bedragen opeisbaar zijn tot de dag van gehele betaling;
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster 2] van:
- een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.000,00 (bruto);
- de transitievergoeding van € 126,85 (bruto);
- een billijke vergoeding van € 18.000,00 (bruto); en
- het achterstallige salaris over de maand maart 2026 van € 2.755,52 (bruto),
waarbij alle voornoemde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de momenten waarop voornoemde bedragen opeisbaar zijn tot de dag van gehele betaling;
veroordeelt [verweerder] tot het afgeven van deugdelijke loonspecificaties;
veroordeelt [verweerder] tot het afgeven van deugdelijke afdracht van de verschuldigde loonheffingen, belastingen, werkgever- en werknemerspremies en tot het deudgelijk informeren van het UWV en de Belastingdienst;
bepaalt dat [verweerder] binnen tien dagen na betekening van deze beschikking de gelegenheid aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] moet geven om hun persoonlijke eigendommen op te
halen, waarbij [verzoekster 1] en [verzoekster 2] bij die gelegenheid de aan [verweerder] toebehorende zaken die zich nog onder hen bevinden aan [verweerder] zullen afgeven, dit alles op straffe van een
dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 1.000,00 indien [verweerder] hiermee in gebreke blijft;
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster 1] van een bedrag van € 2.146,65, zijnde kosten en boetes die verband houden met de bedrijfsauto van het merk/type Mercedes-Benz Citan met het kenteken [kenteken] , bouwjaar 2015, alsmede tot het verlenen van alle noodzakelijke medewerking aan de tenaamstelling van de bedrijfsauto op naam van [verweerder] , dan wel een door hem binnen tien dagen na betekening van deze beschikking aan te wijzen (rechts)persoon;
verklaart voor recht dat [verweerder] onder de werkingssfeer van de cao Technisch Installatiebedrijf valt;
verklaart voor recht dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan het relatiebeding, dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomsten tussen [verweerder] en [verzoekster 1] en tussen [verweerder] en [verzoekster 2] ;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen onder 6.3., 6.4., 6.7. en 6.8. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.