RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familierecht en Jeugdrecht
Locatie: Zwolle
Zaak-/rekestnr.: C/08/342947 / FA RK 25-3248
Schadevergoeding op grond van artikel 10:12 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 21 januari 2026 op het ingediende verzoekschrift van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] (Afghanistan),
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
verblijvende bij CTP [locatie],
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. J.C.F. Kooijmans te Zwolle,
ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door
De Staat der Nederlanden,
gevestigd te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: verweerder,
juridisch adviseur mr. L.A. Bettonvil.
1. Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 22 december 2025;
het verweerschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 6 januari 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026 bij rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, Schuurmanstraat 2 te Zwolle.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
de advocaat van verzoeker;
verweerder.
2. Feiten
Op 14 november 2024 is een zorgmachtiging aansluitend op een voortzetting crisismaatregel
voor een periode van twaalf maanden aangevangen. Deze zorgmachtiging liep tot 14 mei 2025.
Op 17 maart 2025 is er vanuit het Openbaar Ministerie een bericht uitgegaan dat een verzoekschrift voor een nieuwe (aansluitende) zorgmachtiging in voorbereiding is genomen.
Op 4 april 2025 heeft de Officier van Justitie bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend, waarin is verzocht om een (nieuwe) aansluitende zorgmachtiging af te geven voor de duur van twaalf maanden.
Het verzoekschrift is door de rechtbank ter zitting van 7 mei 2025 behandeld. Bij beschikking van 7 mei 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoeker een aansluitende zorgmachtiging verleend (hierna: de zorgmachtiging). In de zorgmachtiging is overwogen dat de zitting en de beslissing niet hebben plaatsgevonden binnen de artikel 6:2 lid 1 aanhef en onder e van de Wvggz genoemde termijn van drie weken na ontvangst van het verzoek. Gelet hierop heeft de rechtbank, conform het daartoe strekkende verzoek van de advocaat, de duur van de machtiging verkort met twaalf dagen, zodat deze geldt tot en met 25 april 2026.
Vanwege het overschrijden van de wettelijke beslistermijn is de Staat bij beschikking van
15 juli 2025 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene van € 120,=.
Op 28 november 2025 heeft de Hoge Raad zijn beschikking op het beroep in cassatie gegeven. In deze uitspraak is de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2025 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing terugverwezen naar de rechtbank.
Bij beschikking van 19 december 2025 heeft de rechtbank het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging -na terugverwijzing- afgewezen.
3. Verzoek en verweer
Verzoeker heeft verzocht om voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 22.600,=, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie meent te behoren, met veroordeling van de Staat der Nederlanden in de kosten van deze procedure.
Verzoeker heeft daartoe gesteld dat hij zonder rechtsgeldige titel verplichte zorg en gedwongen opname op een gesloten afdeling heeft moeten ondergaan in de periode van 7 mei 2025 tot en met 19 december 2025, oftewel 226 dagen. Verzoeker had er destijds al op gewezen dat aan het toenmalige verzoek een dubieuze medische verklaring ten grondslag lag. Verzoeker wilde terug naar het AZC en heeft steeds blijk gegeven niet in te stemmen met een opname of voortzetting van het verblijf CTP [locatie]. Daarbij speelt mee dat [locatie] geen doorsnee psychiatrische kliniek is maar door de combinatie met een TBS-kliniek een veel strenger régime kent. Voor verzoeker is dit een stressvolle en traumatische ervaring geweest, waarbij hij ook getuige is geweest van een heftig incident op de afdeling waar hij verbleef waarbij een begeleider is overleden. Derhalve vordert hij, conform de richtlijn Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken, een schadevergoeding van € 100,= per dag.
De Staat heeft aangevoerd dat het gevorderde bedrag van € 22.600,= te hoog is en een lagere vergoeding billijk is. Uit de “toelichting oriëntatiepunt opname zonder geldige titel” blijkt dat een dagvergoeding niet op zijn plaats is wanneer er sprake is van een langer uitgestrekte periode. “Uitgangspunt is een vergoeding per dag. In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn en kan bijvoorbeeld een lager bedrag worden vastgesteld. Gedacht kan daarbij worden aan de situatie waarin cassatie is ingesteld en de Hoge Raad oordeelt dat iemand onterecht met een zorgmachtiging in een instelling zat en de zaak terugverwijst.”. De Staat verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2023:3718, en is van mening dat van een dergelijke situatie in onderhavige zaak sprake is. Voorts speelt in de onderhavige zaak net als in de genoemde uitspraak dat er bij betrokkene voor en na de periode van gedwongen zorg zonder rechtsgeldige titel telkens sprake is van gedwongen zorg. Daarom kan worden volstaan met een lagere lumpsum- of dagvergoeding van tussen de € 500,= en € 1.000,= . Tenslotte verzoekt de Staat de uitspraak niet bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.
4. Beoordeling
Artikel 10:12 lid 3 Wvggz luidt: “Indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of de rechter, kan betrokkene of de vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.”
Bij het bepalen van de hoogte van de schade overweegt de rechtbank het volgende:
De door de Staat genoemde uitspraak is niet van toepassing op de onderhavige situatie omdat in die casus betrokkene niet zonder rechtsgeldige titel was opgenomen op de gesloten afdeling van een kliniek maar thuis verbleef. In dit geval verbleef verzoeker op basis van een achteraf ongeldig gebleken titel 226 dagen in de gesloten kliniek [locatie].
Deze lange periode is, zoals verweerder opmerkt, ontstaan als gevolg van de cassatie en terugverwijzing Dit is een in de oriëntatie-richtlijn genoemde situatie waarin mogelijk van het normbedrag van € 100,= per dag bij opname zonder geldige titel kán worden af geweken. Maar het is aan de rechter om in het concrete geval om te beoordelen of daar ook voldoende toe bestaat. Namens verzoeker is er terecht is op gewezen dat [locatie] geen doorsnee psychiatrische kliniek is als gevolg van het hoge beveiligingsniveau. De rechtbank is van oordeel dat dit hoge beveiligingsniveau dient te worden meegewogen in de bepaling van de gevolgen van de achteraf gebleken onterechte vrijheidsbeneming van 226 dagen. Daarom ziet de rechtbank, hoewel er sprake is van een lange periode, geen aanleiding tot matiging van het normbedrag als genoemd in de oriëntatie-richtlijn.
Het enkele feit dat er voor en na deze periode van 226 dagen sprake is van gedwongen opname op een gesloten afdeling, maakt dit in deze situatie niet anders. Zulks zou impliceren dat onder deze omstandigheid het niet voldoen aan de wettelijke vereisten van een correcte en actuele medische verklaring en een correcte beoordeling daarvan door de rechter er voor schadevergoeding kennelijk niet toe doen.
De rechtbank ziet geen aanleiding deze uitspraak bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek om schadevergoeding ter hoogte van € 22.600,= worden toegewezen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de Staat veroordelen tot vergoeding van de schade die naar billijkheid wordt vastgesteld op een bedrag van € 22.600,=.
Het gevorderde aan proceskosten zal de rechtbank afwijzen nu voor het onderhavige verzoek geen griffierecht in rekening wordt gebracht en niet is gebleken dat in het kader van dit verzoek naast de toevoeging daadwerkelijke advocaatkosten ten laste van verzoekster komen.
5. Beslissing
De rechtbank:
Veroordeelt De Staat der Nederlanden tot betaling van een bedrag van € 22.600,= (tweeëntwintigduizend zeshonderd euro) aan [verzoeker];
wijst af het meer of anders verzochte.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Rv.
[zie HR: HR 14-10-2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7590]