ECLI:NL:RBOVE:2026:5256

ECLI:NL:RBOVE:2026:5256

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer C/08/348972 / KG ZA 26-147
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

DCC en gedaagde zijn een samenwerkingsverband aangegaan met als doel het ontwikkelen en vermarkten van een hoogwaardige en schaalbare applicatie (een app) die aanbieders en gebruikers van oplaadpunten met elkaar in contact brengt. Gedaagde stelt dat DCC c.s., zowel individueel als in groepsverband, tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf het begin in strijd met gemaakte (financiële) afspraken een alternatief verdienmodel te hanteren waardoor de investeringen van gedaagde ten gunste van GMU zijn afgeroomd. Tussen partijen lopen meerdere procedures. In dit kort geding vordert DCC c.s. opheffing van de beslagen die gedaagde ter verzekering van haar verhaal ten laste van DCC c.s. heeft gelegd op een woning, onder banken en op aandelen. gedaagde voert verweer. De voorzieningenrechter oordeelt dat de opheffingsvordering van DCC c.s. slechts toewijsbaar is, voor zover gedaagde beslag heeft gelegd op de aandelen van DCC in Grid.com International. De overige beslagen worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/348972 / KG ZA 26-147

Vonnis in kort geding van 25 augustus 2026

in de zaak van

1. DIGITAL CAPITAL COMPANY B.V.,

2. WEZAN ENTERPRISES B.V.,

3. GMU B.V.,

allen te Meppel,

4. [eiser] ,

te [woonplaats],

eisende partijen,

hierna samen te noemen: DCC c.s. (dan wel apart DCC, Wezan, GMU en [eiser]),

advocaat: mr. T.B. de Clerck

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaten: mrs. H.P. Plas en K. Noorman.

1. De zaak in het kort

DCC en [gedaagde] zijn een samenwerkingsverband aangegaan met als doel het ontwikkelen en vermarkten van een hoogwaardige en schaalbare applicatie (een app) die aanbieders en gebruikers van oplaadpunten met elkaar in contact brengt. [gedaagde] stelt dat DCC c.s., zowel individueel als in groepsverband, tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf het begin in strijd met gemaakte (financiële) afspraken een alternatief verdienmodel te hanteren waardoor de investeringen van [gedaagde] ten gunste van GMU zijn afgeroomd. Tussen partijen lopen meerdere procedures. In dit kort geding vordert DCC c.s. opheffing van de beslagen die [gedaagde] ter verzekering van haar verhaal ten laste van DCC c.s. heeft gelegd op een woning, onder banken en op aandelen. [gedaagde] voert verweer.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de opheffingsvordering van DCC c.s. slechts toewijsbaar is, voor zover [gedaagde] beslag heeft gelegd op de aandelen van DCC in Grid.com International. De overige beslagen worden gehandhaafd.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2026 met 14 producties

- de nagekomen producties 15 en 16 van DCC c.s.- de conclusie van antwoord met 21 producties

- de nagekomen productie 22 van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026, ter gelegenheid waarvan partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de nagekomen productie 23 van [gedaagde] (de management summary van het rapport van SST Software)

- de akte na mondelinge behandeling van DCC c.s.

- het protest en het verzoek nadere akte van [gedaagde]

- de e-mail van de griffier van 14 augustus 2026 met de mededeling dat randnummers 27 t/m 30 van de akte van DCC c.s. wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing zullen worden gelaten.

Tot slot is vonnis bepaald.

3. De feiten

DCC houdt zich bezig met het ontwikkelen van computerprogramma's. Enig aandeelhouder en bestuurder van DCC is [eiser] respectievelijk Wezan. Wezan en GMU houden zich allebei bezig met natuurwetenschappelijk onderzoek en experimentele ontwikkeling. [eiser] is enig aandeelhouder en bestuurder van Wezan, terwijl Wezan op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van GMU is.

[gedaagde] is een financiële holding, waarvan Common Investments B.V. en de heer [naam 1] de beide bestuurders zijn.

Op 11 april 2022 zijn DCC en [gedaagde] een samenwerkingsverband (joint venture) aangegaan, waarbij Grid.com International B.V. is opgericht “die zich richt op decentralization & control of expenses or income are central, both for consumers as well as for the companies to which Grid offers its services, waarbij de focus als vertrekpunt primair bij EV laadnetwerken ligt.” DCC is enig bestuurder en 50% aandeelhouder van Grid.com International. Zij heeft de andere, eerst ook door haar gehouden 50% van de aandelen aan [gedaagde] verkocht en geleverd, waarbij de afspraak is gemaakt dat de helft van de koopprijs (50% van € 5.000.000 = € 2.500.000) als werkkapitaal in de vorm van een achtergestelde lening aan Grid.com International wordt verstrekt. Grid.com International is op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van Grid.com B.V.

Op 14 juni 2022 hebben DCC en [gedaagde] hun samenwerking nader uitgewerkt in een participatie- en aandeelhoudersovereenkomst (PAO), een statutenwijziging van Grid.com International en Grid.com B.V., een akte overdracht software en een managementovereenkomst. Onderdeel van de PAO is een Financieel Plan dat betrekking heeft op de jaren 2022 t/m 2026.

Op 14 juli 2022 zijn DCC, [gedaagde] en Grid.com International een addendum op de PAO overeengekomen. Kort gezegd is daarbij afgesproken dat DCC een Energy Management Systeem (EMS) voor CTP ALC B.V. en CTP Energy B.V. zal ontwikkelen en dat [gedaagde] voor de financiering hiervan (in de vorm van het storten van agio op alle aandelen van DCC en [gedaagde] in Grid.com International) zal zorgen.

Op 31 mei 2023 hebben DCC en [gedaagde] het Financieel Plan aangepast, dat betrekking heeft op de jaren 2023 t/m 2027. Daarbij zijn nieuwe/aanvullende financiële afspraken gemaakt om in de cashflow-behoefte van Grid.com International te voorzien, onder meer inhoudende dat beide partijen ieder in totaal € 2.000.000 agio zullen storten.

Als bestuurder van Grid.com International was DCC verantwoordelijk voor de inzet van personeel. Daartoe behoorde het ‘inhuren’ van personeel van GMU.

Vervolgens is tussen DCC en [gedaagde] een geschil ontstaan over de inzet van GMU-personeel bij de ontwikkeling van de applicatie en de tarieven die GMU daarbij heeft gehanteerd.

Nadat [gedaagde] zowel intern als extern onderzoek had laten verrichten en de uitkomst hiervan met DCC had gedeeld, heeft [eiser] op 10 december 2025 en 28 januari 2026 [gedaagde] ([gedaagde]) schriftelijk verzocht om een gesprek over de beweerdelijk hoge, niet-marktconforme uurtarieven die GMU voor de inhuur van haar personeel bij Grid.com International en Grid.com B.V. in rekening heeft gebracht. Dat gesprek heeft niet plaatsgevonden.

Bij brief van 12 februari 2026 heeft [gedaagde] op grond van dwaling en bedrog de vernietiging van alle tussen DCC en [gedaagde] gesloten overeenkomsten ingeroepen. Daarbij heeft [gedaagde] ook haar investeringsbedrag van ruim

€ 8.000.000 (exclusief rente) teruggevorderd, op de grond dat dit bedrag onverschuldigd is betaald. In reactie hierop heeft DCC [gedaagde] erop gewezen dat zij boetes verbeurt als zij blijft wanpresteren.

Bij e-mail van 7 mei 2026 heeft [gedaagde] DCC c.s. aansprakelijk gesteld voor de schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden door het onrechtmatig handelen van DCC c.s., zowel individueel als in groepsverband. DCC c.s. heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.

Op 12 mei 2026 heeft [gedaagde] bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een enquêteverzoek (tevens verzoek houdende onmiddellijke voorzieningen alsmede verzoek tot overdracht aandelen tevens houdende verzoek provisionele samenhangende vorderingen) ingediend. De mondelinge behandeling van dit verzoek staat gepland op 3 december 2026.

Bij vonnis van 4 juni 2026 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van DCC tot faillietverklaring van [gedaagde] afgewezen. Tegen dit vonnis heeft DCC hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 5 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan [gedaagde] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van DCC c.s. op de woning van [eiser], onder banken en op aandelen, waarbij de vordering is begroot op € 9.750.000 (inclusief kosten en rente). Op 9 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland aanvullend beslagverlof verleend. [gedaagde] heeft vervolgens de hiervoor genoemde beslagen laten leggen. Het bankbeslag heeft doel getroffen tot het bedrag van ongeveer € 1.000.000.

Op 3 juli 2026 heeft [gedaagde] een bodemprocedure tegen DCC c.s. geëntameerd waarin zij op grond van de artikelen 6:162 en 6:166 BW onder meer betaling van DCC c.s. vordert van primair het bedrag van € 8.335.421, subsidiair het bedrag van

€ 1.900.000 en meer subsidiair het bedrag van € 1.534.735, alsmede betaling van DCC van het bedrag van € 100.000 aan contractuele boetes.

Als productie 12 heeft [gedaagde] bijlage 8 bij haar verzoek om verlof te krijgen voor het leggen van beslag in het geding gebracht. Dat is een overzicht met de titel “Investeringen Grid EMS”, waarin de namen staan van personeelsleden van GMU, die ingezet zijn voor Grid.com International B.V. c.q. Grid com B.V., met daarbij vermeld onder meer de door hen gewerkte uren en de bijbehorende vergoedingen. In het document is een geel gemarkeerde tekst opgenomen, luidende:

Check [naam 2]

Berekening interne kostprijs tarieven heb ik niet kunnen checken

Daarvoor heb ik de verzamelloonstaat + achterliggende berekening nodig

Aantal uren die GMU medewerkers hebben gemaakt heb ik niet kunnen checken

Hiervoor heb ik de achterliggende tijdsregistratie nodig.

Derhalve valt op basis van deze cijfers de P en de Q component niet te controleren

In dit overzicht berekent [eiser] zijn marge EUR 4.483K

Vervolgens berekent hij een acceptabele marge in kolom AI (EUR 820K)

Het verschil tussen de marge en de acceptabele marge bedraagt EUR 3.663

Hiervan haalt [eiser] (ten onrechte) zijn agiostortingen ad EUR 2,5 miljoen af.

Restant EUR 1.163K excl BTW wil hij vergoeden”

4. Het geschil

DCC c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(1) de door [gedaagde] op grond van het beslagverlof ten laste van DCC c.s. gelegde beslagen zal opheffen;

(2) [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

DCC c.s. legt aan haar vorderingen, kort samengevat, ten grondslag dat (1) [gedaagde] de waarheids- en volledigheidsplicht ex artikel 21 Rv heeft geschonden, (2) de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is en (3) het beslag onnodig is.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van DCC c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van DCC c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van DCC c.s. in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter hierna ingaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil.

5. De beoordeling

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

De voorzieningenrechter zal hierna achtereenvolgens bespreken of [gedaagde] al dan niet de bij de rechtsvordering in acht te nemen waarheids- en volledigheidsplicht heeft geschonden, of de vordering van [gedaagde] (on)deugdelijk is en of het beslag (on)nodig is.

Schending waarheids- en volledigheidplicht?

De voorzieningenrechter overweegt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Hiermee wordt beoogd het achterhouden van voor de beslissing relevante feiten uit te bannen, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. Deze verplichting geldt voor alle civiele procedures en speelt in het bijzonder bij een verzoek om verlof tot het leggen van conservatoir beslag, omdat de voorzieningenrechter in beginsel daarop op de voet van artikel 700 lid 2 Rv ex parte beslist na summier onderzoek, dat wil zeggen zonder de belanghebbende (de potentiële beslagdebiteur) te horen. De voorzieningenrechter moet dus erop kunnen vertrouwen dat de verzoeker hem volledig en naar waarheid inlicht. Het niet volledig en niet naar waarheid voorlichten van de voorzieningenrechter kan leiden tot opheffing van het gelegde beslag op de voet van artikel 705 Rv.

De precieze omvang van de uit artikel 21 Rv voortvloeiende verplichtingen is niet exact vast te stellen. Wel staat buiten kijf dat partijen in elk geval (i) nooit feiten mogen stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten mogen ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn, en (iii) geen feiten mogen achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet. Opzet is niet vereist om een schending van de waarheids- of volledigheidsplicht aan te nemen; het gaat er om of een partij een bepaald feit en de relevantie daarvan kende of had behoren te kennen.

DCC c.s. stelt dat [gedaagde] in het beslagrekest de waarheidsplicht op drie afzonderlijke punten heeft geschonden: (i) door ten onrechte te stellen dat door DCC c.s. geen verweer zou zijn gevoerd tegen de beslagvorderingen; (ii) door een meermaals betwiste stelling van [gedaagde] te presenteren als onderdeel van het verweer van DCC c.s. en (iii) door ten onrechte te stellen dat in een onderzoeksrapport voor [gedaagde] gunstige bevindingen zijn opgenomen, terwijl die bevindingen daarin niet te vinden zijn. De voorzieningenrechter zal deze beweerdelijke schendingen hierna apart bespreken.

Ad (i) het verzwijgen van het verweer van DCC c.s.

Volgens DCC c.s. steunt de beslagvordering van [gedaagde] op de stelling dat er een alternatief verdienmodel zou zijn dat bestond uit (i) het rekenen van buitensporig hoge marges op GMU-personeel, (ii) het inhuren van buitensporig veel GMU-personeel en (iii) het besteden van buitensporig veel tijd aan de applicatie. DCC c.s. voert als verweer dat de stellingen van [gedaagde] over de inzet van, gerealiseerde marge op en bestede tijd door GMU-personeel onjuist zijn, omdat [gedaagde] en DCC c.s. hierover herhaaldelijk afspraken hebben gemaakt en die afspraken niet zijn geschonden. DCC c.s. stelt dat zij dit verweer onder meer heeft gevoerd in (randnummers 34 t/m 39 van) het tegen [gedaagde] ingediende faillissementsverzoek, in de spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling van dit verzoek en in de brief van 9 maart 2026. Hoewel DCC c.s. niet inhoudelijk heeft gereageerd op de aansprakelijkstelling van [gedaagde], was [gedaagde] bekend met het verweer van DCC c.s. en had zij in haar verzoekschrift onder “Verweer en weerlegging daarvan” niet mogen volstaan met de opmerking dat geen inhoudelijk verweer is gevoerd op de aansprakelijkheidstelling, die [gedaagde] bij brief van 7 mei 2026 heeft gedaan. [gedaagde] heeft daarmee de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv geschonden, aldus DCC c.s.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Weliswaar heeft [gedaagde] in randnummer 5.1 van het beslagrekest onder het kopje ”Verweer en weerlegging daarvan” vermeld dat DCC c.s. geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de aansprakelijkstelling van 7 mei 2026, maar uit het beslagrekest en de daarbij behorende bijlagen blijkt voldoende dat DCC c.s. de (beslag)vorderingen van [gedaagde] betwist en wat haar verweer is. Zo heeft [gedaagde] in randnummer 5.2 van het beslagrekest gewezen op “de discussie over de uurtarieven” die partijen verdeeld houdt. In randnummers 34 t/m 39 van het verzoekschrift tot faillietverklaring van [gedaagde], dat [gedaagde] ter informatie van de beslagrechter als bijlage 21 bij het beslagrekest heeft gevoegd, is opgenomen wat het standpunt van DCC c.s. is in deze discussie. DCC c.s. stelt in dat processtuk onder meer dat [gedaagde] herhaaldelijk heeft ingestemd met de inzet van GMU-personeel en dat [gedaagde] ook expliciet heeft afgetekend op de daarvoor geldende tarieven. [gedaagde] heeft daarmee geen feit achtergehouden waardoor de beslagrechter op het verkeerde been is gezet. Van een schending van de waarheids- en volledigheidsplicht is in zoverre geen sprake.

Ad (ii) de betwiste stelling als onderdeel van het verweer

DCC c.s. licht toe dat zij met de kolom 'Marge per uur (terecht)' in het hiervoor onder 3.16. genoemde overzicht van [eiser] volgens [gedaagde] erkend zou hebben dat “steevast te hoge uurtarieven in rekening werden gebracht”. DCC c.s. wijst erop dat dit een stelling van [gedaagde] is die herhaaldelijk en consistent is betwist. Volgens DCC c.s. zijn de gehanteerde uurtarieven marktconform en is het overzicht van [eiser] opgesteld in het kader van schikkingsonderhandelingen. [gedaagde] was niet alleen bekend met deze betwisting, die onder meer is opgenomen in de brief van 13 mei 2026, maar zij was zich daarvan ook bewust, gelet op de formulering in haar verweerschrift in de faillissementsprocedure (“Hij heeft de opstelling zelf gemaakt en aldus wel degelijk erkend dat er betaald moest worden.”). DCC c.s. stelt dat [gedaagde] hiermee doet voorkomen alsof haar eigen stelling onderdeel is van het door DCC c.s. gevoerde verweer. Volgens DCC c.s. is dit ook een bewuste misleiding van de beslagrechter.

De voorzieningenrechter overweegt dat partijen van mening verschillen over de betekenis van het overzicht dat [eiser] heeft opgesteld naar aanleiding van vragen van [gedaagde] over de hoogte van de uurtarieven die GMU bij Grid.com International in rekening bracht voor de inzet van haar personeel. Wel is tijdens de mondelinge behandeling in duidelijk geworden dat de tekst in het geel gearceerde blok in dit overzicht niet afkomstig is van [eiser] maar van [gedaagde]. Voor het overige zal het partijdebat hierover in de bodemprocedure moeten worden gevoerd. Een kortgedingprocedure leent zich niet voor nadere bewijslevering. Dit betekent dat op dit moment nog niet te zeggen is hoe het desbetreffende document gewaardeerd moet worden. De kan de voorzieningenrechter kan daarom niet oordelen dat [gedaagde] ten aanzien van dit punt de waarheidsplicht heeft geschonden.

Ad (iii) de onvindbare 'bevindingen' uit het onderzoeksrapport

DCC c.s. stelt dat [gedaagde] zich in het beslagrekest onder meer heeft gebaseerd op het auditrapport van SST Software waaruit zou blijken dat (i) onduidelijkheid bestaat over de tarieven van ingehuurd personeel en door wie dit wordt ingehuurd, (ii) in de overzichten een hogere specialisatie van ingehuurd personeel staat opgenomen dan door hun werkzaamheden wordt gerechtvaardigd (functietitels zijn 'opgepoetst') en (iii) de totale hoeveelheid uren véél te hoog is in verhouding tot de output. DCC c.s. betwist dat deze drie bevindingen in het rapport voorkomen. Volgens DCC c.s. blijkt uit het rapport dat de audit juist overwegend positief is, wat [gedaagde] ook zelf in haar interne notitie van 28 mei 2024 heeft geconcludeerd. DCC c.s. stelt dat [gedaagde] zich heeft bediend van 'spookbevindingen' en dus van misleidende informatie om op die basis beslagverlof te verkrijgen.

[gedaagde] heeft tijdens de zitting toegelicht dat de door haar gestelde bevindingen in het auditrapport in het bijzonder blijken uit de zogenaamde management summary waarnaar zij verwijst in haar conclusie van antwoord, maar die zij per abuis niet in het geding heeft gebracht. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] toegestaan die management summary alsnog in het geding te brengen en daarbij bepaald dat DCC c.s. daar nog bij akte op mocht reageren. [gedaagde] heeft de management summary als haar productie 23 in het geding gebracht en daarbij gevoegd het e-mailbericht van 11 april 2024 , waarmee genoemd document aan [gedaagde] door de opsteller toegestuurd is.

DCC c.s. vindt blijkens haar akte dat de management summary evenmin onderbouwing levert voor de stellingen van [gedaagde] over de tijdbesteding door personeel van GMU en de daarbij behorende kosten. In haar akte wijst DCC c.s. er daarnaast op dat er blijkbaar ook nog een bijlage A bij het rapport van STT Software is waarin aanvullende vragen van [gedaagde] en haar (voormalige) advocaat worden beantwoord. Deze bijlage is door [gedaagde] niet overgelegd, zodat onduidelijk is in welke context de management summary moet worden gelezen. DCC c.s. vindt dit ook een schending van artikel 21 Rv.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde] gehandeld heeft in strijd met artikel 21 Rv. dient hij te onderzoeken welke informatie [gedaagde] in het beslagrekest aan de voorzieningenrechter verschaft heeft dan wel welke informatie [gedaagde] daarin niet aan de voorzieningenrechter verschaft heeft, maar wel had moeten verschaffen. De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] bij het beslagrekest de management summary noch de bijlage A gevoegd heeft. De voorzieningenrechter begrijpt de uitlatingen van [gedaagde] gedaan tijdens de mondelinge behandeling zo, dat zij per vergissing de management summary niet bijgevoegd heeft, niet alleen niet bij de processtukken in dit geding, maar evenmin bij het vragen van verlof voor het leggen van het beslag. De voorzieningenrechter vindt bevestiging van dat laatste in de verwijzing onder rnr. 3.17 van het beslagrekest naar de ‘bijbehorende management summary’ die naast het rapport van SST Software deel uitmaakt van bijlage 19 bij het rekest. Van belang is dan ook te bezien in hoeverre de inhoud van de management summary strijdig is met de stellingen van [gedaagde]. Dat zou immers kunnen betekenen dat [gedaagde] feiten gesteld heeft waarvan zij wist dat die niet juist waren of niet juist konden zijn.

In de management summary staat – zakelijk weergegeven - onder meer:

dat in de tijdslijn te zien is dat na oprichting van de joint venture qua ontwikkeling nog niet veel gebeurt;

dat daarna steeds meer mensen aanhaken om ‘meters te maken’;

dat een goed projecttoezicht lijkt te missen, wat in de techniekkeuze terug te zien is;

dat bij dat laatste gebruik gemaakt wordt van veel verschillende technieken;

dat de financiën (in heb bijzonder personeelskosten en de daarbij gehanteerde tarieven) een aandachtspunt zijn;

dat gezien de functietitels, het gevoel ontstaat dat de timesheet is opgepoetst;

dat de uitkomst voor [gedaagde] misschien niet de beste of eenvoudigste is, omdat de waarheid qua werk in het midden zit;

dat het niet direct wanprestatie is, maar ook niet geweldig is;

dat na oprichting van de joint venture er erg veel werk in gestoken is;

dat de geclaimde development uren aansluiten bij het verkregen beeld van de uren die gemaakt zijn ten behoeve van de ’repositories’;

dat wel getwist kan worden over efficiëntie, kwaliteit en functionele werking;

dat de totale hoeveelheid uren die erin is gestoken veel is en dat op basis van de output de verwachting is dat het in minder uren zou moeten kunnen.

Met DCC c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bevindingen van SST Software minder stellig en genuanceerder zijn dan [gedaagde] wil doen voorkomen. In de rapportage van SST Software en dan in het bijzonder in de management summary zijn echter wel voldoende aanknopingspunten te vinden voor de stellingen over het gebruik van GMU-personeel en de daaraan verbonden kosten die [gedaagde] ten grondslag legt aan haar vordering. In ieder geval voert het te ver om te oordelen dat [gedaagde] in strijd met de waarheid in haar beslagrekest voor de onderbouwing van haar stellingen verwezen heeft naar de inhoud van het rapport van SST Software in samenhang met de daarbij behorende management summary.

Nu voornoemde bijlage A bij het rapport van SST Software geen deel uitmaakt van de procestukken (ook niet als bijlage van het als productie 1 bij dagvaarding gevoegde beslagrekest) kent de voorzieningenrechter de inhoud daarvan niet en kan hij niet beoordelen of het niet voorleggen daarvan aan de voorzieningenrechter die moest beslissen op het beslagrekest een schending van artikel 21 Rv. door [gedaagde] oplevert. Dit leidt tot de conclusie dat DCC c.s. haar stelling hierover onvoldoende onderbouwd heeft.

Ondeugdelijke vordering?

Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.

Aan haar vorderingen legt [gedaagde] ten grondslag dat DCC c.s., zowel individueel als in groepsverband, onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [gedaagde] ten eerste naar haar interne rapportage van 4 oktober 2023 (Samenvatting analyse GRID.com). Volgens [gedaagde] bleken daaruit de eerste alarmerende signalen:

In 16 maanden is voor € 3,3 miljoen aan kosten geactiveerd voor de Grid Software, waaraan GMU € 2 miljoen heeft verdiend;

In 16 maanden is voor € 1,8 miljoen aan kosten geactiveerd voor het EMS, waaraan GMU € 1 miljoen heeft verdiend;

De opbouw van het personeel van Grid.com is niet volgens afspraak verlopen. Personeelsleden die bijna fulltime worden ingehuurd bij GMU, worden niet geworven voor Grid.com, waardoor Grid.com gedwongen is deze personeelsleden bij GMU te blijven inhuren. Het gevolg daarvan is dat kennis bij GMU blijft en Grid.com afhankelijk blijft van GMU;

In 16 maanden is voor € 1.379.000 aan kosten gedeclareerd door DCC en GMU voor managementfees, doorbelasting van inhuur, reclamekosten en rentelasten;

Door Grid.com worden geen kosten doorbelast aan GMU voor personeelsleden van Grid.com die voor GMU werken, waaronder een corporate recruiter, de controller en een subsidiespecialist;

Door GMU worden werkplekkosten in rekening gebracht voor meer werkplekken dan voor Grid.com werkzame medewerkers; en

Personeelsleden van GMU worden op de payroll opgenomen met benamingen die de functies niet dekken.

Ten tweede verwijst [gedaagde] naar het eerdergenoemde auditrapport van SST Software (Grid.com repositories) en de daarbij behorende management summary waaruit volgens haar onder meer het volgende blijkt:

Sommige onderdelen van de Grid Software zijn van goede kwaliteit en sommige onderdelen zijn van lage kwaliteit en niet toekomstbestendig als het gaat om robuustheid, schaalbaarheid en veiligheid;

De onderdelen van de Grid Software met een goede kwaliteit zijn ontwikkeld door een door GMU ingehuurde externe partij;

De onderdelen van de Grid Software met een lage kwaliteit zijn ontwikkeld door GMU zelf;

Een goed overzicht van het project lijkt te missen, waardoor verschillende techniekkeuzes zijn toegepast, zonder dat helder is waarom;

Onduidelijkheid bestaat over de tarieven van ingehuurd personeel en door wie dit personeel wordt ingehuurd (Grid.com of GMU);

In overzichten staat een hogere specialisatie van ingehuurd personeel opgenomen dan wordt gerechtvaardigd door de door hen verrichte werkzaamheden (functietitels zijn 'opgepoetst');

De totale hoeveelheid uren die in de Grid Software zijn gestoken, is erg veel. Op basis van de output zou mogen worden verwacht dat dit (veel) minder zou zijn.

De voorzieningenrechter verwijst hier ook naar wat hij onder 5.13. overweegt over de inhoud van de management summary.

In de derde plaats verwijst [gedaagde] naar haar interne notitie van 28 mei 2024 (Going concern Grid.com en afwikkeling “verleden”) waaruit volgens haar onder meer het volgende blijkt:

GMU bleek niet de benodigde deskundigheid te bezitten voor de bouw van de Grid Software en maakte daarvoor gebruik van inhuur van derden (onderaanneming) waarbij GMU richting Grid.com marges hanteerde;

GMU voorzag Grid.com niet alleen van experts, maar ook van 'gewone' personeelsleden op fulltime basis;

Tenminste 1/3 van de bij GMU ingehuurde personeelsleden werkte fulltime en was ten onrechte niet werkzaam bij Grid.com zelf. Voor de inhuur van deze personeelsleden is door GMU € 2.750.000 in rekening gebracht aan Grid.com;

In de periode mei 2022 t/m februari 2024 is door GMU bijna € 7 miljoen aan Grid.com in rekening gebracht voor de inhuur van personeel. De loonkosten van dit personeel bedragen zonder opslag voor indirecte kosten € 2,3 miljoen;

Het gemiddelde door GMU aan Grid.com in rekening gebrachte uurtarief van personeelsleden van onderaannemers van GMU bedroeg € 114,25 per uur, terwijl [eiser], nadat hij hierop was aangesproken, een voorstel deed van € 65 per uur vermeerderd met 20% marge, aldus € 78 per uur;

Op basis van het voorstel van [eiser] van € 65 per uur voor personeelsleden van GMU, vermeerderd met 20% marge voor personeelsleden van onderaannemers van GMU, is de conclusie dat DCC c.s. vanuit GMU voor circa € 3.825.000 aan niet marktconforme te hoge marge aan Grid.com hebben gefactureerd en door Grid.com hebben laten betalen;

SEO (Search Engine Optimization) werkzaamheden zijn ten onrechte niet vanuit Grid.com verricht, maar vanuit GMU, waarbij eveneens een marge in rekening is gebracht; en

Personeelsleden van Grid.com zijn ingezet ten behoeve van GMU, zonder dat deze door Grid.com zij doorbelast aan GMU.

[gedaagde] stelt dat DCC c.s. vanaf het begin van de samenwerking een alternatief verdienmodel heeft gehanteerd, waardoor haar investeringen zijn afgeroomd, en dat [eiser] hiermee in strijd heeft gehandeld met wettelijke, statutaire en contractuele tegenstrijdig belangregelingen.

DCC c.s. betwist dat de stellingen van [gedaagde] over de inzet van GMU-personeel en de daarbij behorende tarifering juist zijn. Daartoe voert DCC c.s. aan dat het de expliciete wens van [gedaagde] was om GMU bij Grid.com International betrokken te houden en dat partijen in alle openheid herhaaldelijk afspraken hebben gemaakt over de inzet van GMU-personeel en de kosten daarvan en een en ander steeds separaat en specifiek is afgetekend door [gedaagde]. Daartoe verwijst DCC c.s. naar de financiële plannen en het EMS-addendum waarin volgens haar per functie de inzet van GMU-personeel is opgenomen met daarbij behorende maximale maandelijkse kosten. Volgens DCC c.s. zijn deze kosten niet overschreden. Bovendien werd de voortgang hiervan maandelijks door DCC en [gedaagde] als aandeelhouders besproken en waar nodig herzien. [gedaagde] heeft dus ingestemd met een model waarbij GMU-personeel werd ingezet, welke inzet in de loop der jaren zou worden afgebouwd, en maximale maandelijkse kosten per functie werden overeengekomen, aldus DCC c.s.

De gemotiveerde betwisting door DCC c.s. - die aannemelijk moet maken dat de vordering ondeugdelijk is - van hetgeen [gedaagde] ter onderbouwing van haar vordering naar voren brengt doet die vordering weliswaar aan kracht inboeten, maar maakt die niet ondeugdelijk. Zo sluiten de omstandigheden dat partijen financiële plannen ondertekend hebben, waarin maximale maandelijkse (personeels)kosten opgenomen zijn en die kosten niet overschreden zijn niet uit dat in rekening gebrachte kosten (deels) niet terecht waren. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook – op basis van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd – dat de vordering van [gedaagde] (waarvoor beslag is gelegd) in zoverre deugdelijk is dat deze wellicht zou kunnen slagen.

Onnodig beslag?

DCC c.s. is van mening dat het beslag onnodig is en wijst daarvoor op het ontbreken van de vereiste vrees voor verduistering. Volgens DCC c.s. biedt zij voldoende verhaal en is zij niet voornemens verhaalsobjecten te vervreemden met het doel deze aan mogelijk toekomstig verhaal door [gedaagde] te onttrekken.

[gedaagde] stelt dat zij recht en belang heeft bij het beslag, gelet op de omvang van de vordering en het ontbreken van vervangende zekerheid, die DCC c.s. niet heeft aangeboden. [gedaagde] voegt daaraan toe dat DCC c.s. ten onrechte een verhaalsrisico vereenzelvigt met de vrees voor verduistering.

De voorzieningenrechter overweegt dat de grond “onnodig” primair ziet op het verhaalsbelang van de beslaglegger, maar dat het ontbreken van de vereiste vrees voor verduistering wel een reden kan zijn waarom het beslag onnodig is. De enkele omstandigheid dat geen gegronde vrees voor verduistering bestaat, leidt niet automatisch tot opheffing van het beslag. Voor conservatoir beslag onder een bank (derdenbeslag) hoeft bovendien, geen vrees voor verduistering te worden gesteld. Deze eis geldt wel voor conservatoir beslag op een onroerende zaak en aandelen. Hoewel [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het specifieke risico bestaat dat de nog relevante vermogensbestanddelen van DCC c.s. (woning en aandelen) aan verhaal worden onttrokken, is het beslag – gelet op het verhaalsbelang van [gedaagde] en de belangen over en weer (zie ook 5.15) – gerechtvaardigd. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat uit de omstandigheid dat [gedaagde] niet eerder beslag gelegd heeft dan op 8 en 9 juni 2026 , anders dan DCC c.s. meent, niet af te leiden valt dat géén vrees voor verduistering bestaat.

Nu schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. zich niet voordoet, de vordering van [gedaagde] niet ondeugdelijk is en evenmin sprake is van onnodigheid van het beslag bestaat tot zover geen grond om het beslag op te heffen. De voorzieningenrechter dient aan het eind van de beoordeling het belang van [gedaagde] bij het beslag af te wegen tegen het belang van DCC c.s. bij opheffing daarvan. Het belang van [gedaagde] is gegeven. Conservatoir beslag strekt er immers toe om, als haar vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal voor haar mogelijk te maken. DCC c.s. heeft weliswaar gesteld dat de beslagen zwaarwegende gevolgen hebben voor DCC c.s., bijvoorbeeld waar het beslagen betreft op de privé bankrekening en het woonhuis van [eiser], maar zij heeft dit niet nader toegelicht. Zo heeft DCC c.s. niet gesteld dat [eiser] geen privébetalingen meer kan doen en/of dat hij op korte termijn voornemens is om zijn woning te verkopen. Ten aanzien van het beslag op de aandelen van DCC in Grid.com International – waarvan DCC c.s. stelt dat dit beslag ook zeer bezwarend is, omdat dit allerlei vragen over contractuele (aanbiedings-) verplichtingen jegens de medeaandeelhouder oproept – geldt dat dit beslag in strijd is met artikel 14.3 van de PAO en dus contractueel niet is toegestaan. [gedaagde] vindt dat het, onder de gegeven omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, om haar aan dit verbod te houden. Dit licht zij echter niet toe. Bovendien verklaart zij zich bereid dit beslag op te heffen. De opheffingsvordering zal in zoverre worden toegewezen. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het belang van [gedaagde] bij voortduren van het (resterende) beslag zwaarder weegt dan het belang van DCC c.s. bij opheffing daarvan.

Conclusie

Al met al komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de opheffingsvordering van DCC c.s. toewijsbaar is, doch alleen voor zover deze ziet op het beslag op de aandelen van DCC in Grid.com International. Voor het overige worden de door [gedaagde] ten laste van DCC c.s. gelegde beslagen gehandhaafd.

Proceskosten

DCC c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.101,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

heft op het door [gedaagde] ten laste van DCC gelegde beslag op de aandelen van DCC in het geplaatste kapitaal van Grid.com International B.V.;

veroordeelt DCC c.s. in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als DCC c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt DCC c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026. (PvdS)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand