ECLI:NL:RBOVE:2026:5266

ECLI:NL:RBOVE:2026:5266

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 84.142911.25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Dodelijk arbeidsongeval. Schoonmaken zonnepanelen telescoopbewassing. Werknemer door golfplaten dak gevallen van ligboxenstal en 6,8 meter lager op de betonnen ondergrond terechtgekomen. De rechtbank veroordeeld verdachte voor overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. Oplegging geldboete € 40.000,-- waarvan € 20.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.142911.25 (P)

Datum vonnis: 31 augustus 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] B.V.,

gevestigd aan de [adres 1] ).

De besloten vennootschap is ter terechtzitting vertegenwoordigd door haar (indirect) bestuurder [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ).

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat namens verdachte door haar (wettelijk) vertegenwoordiger [medeverdachte] en haar raadsman mr. R.P. Snorn, advocaat in Heerenveen, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de voorgedragen slachtofferverklaring.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als werkgever, al dan niet opzettelijk, in strijd heeft gehandeld met bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna ook: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit, waardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemer [slachtoffer] ontstond of te verwachten was.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 13 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland,

als werkgever in de zin van artikel 1 Arbeidsomstandighedenwet,

al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met

voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen,

immers heeft zij, [verdachte] B.V. toen aldaar aan de [adres 2] te

[plaats] , zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 van genoemde wet, door

één of meer van haar werknemers in de zin van genoemde wet,

arbeid doen of laten verrichten, bestaande die arbeid uit – zakelijk weergegeven –

het schoonmaken van zonnepanelen op het dak van een ligbokxenstal - althans

andere werkzaamheden heeft verricht, terwijl niet was/werd voldaan aan:

- artikel 5 lid 1 en 4 van de Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft [verdachte] B.V.;

(lid 1) bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet voldaan aan de

verplichting schriftelijk in een inventarisatie en evaluatie vast te leggen welke

(specifieke) risico’s deze werkzaamheden met zich mee brachten, en/of

(lid 4) heeft zij deze risico-inventarisatie en –evaluatie niet aangepast terwijl de

gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden, te weten het schoonmaken van

zonnepanelen op hoogte/op een dak, daartoe aanleiding gaven,

en/of

- artikel 8 lid 1 en 4 Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft [verdachte] B.V.;

(lid 1) er niet voor gezorgd dat werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te

verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s (zowel in het

algemeen als per klus), alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn (waren)

deze risico’s te voorkomen of te beperken, en/of

(lid 4) er niet (afdoende) toegezien op de naleving van instructies en voorschriften

gericht op het voorkomen en/of beperken van de in artikel 8 eerste lid genoemde

risico’s,

en/of

- artikel 16 lid 10 Arbeidsomstandighedenwet jo. artikel 7.3 lid 1, 2 en 3

Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers heeft [verdachte] B.V.;

(lid 1) bij de keuze van de arbeidsmiddelen die zij ter beschikking heeft gesteld (te

weten een telescoopborstel die te kort was voor het uitvoeren van de

werkzaamheden, een kamersteiger, een aanhangwagen en een puntje/ladder) geen

rekening gehouden met de uit de risico- inventarisatie en –evaluatie gebleken

specifieke kenmerken van de arbeid en/of met de omstandigheden waaronder deze

werd verricht en/of met de op de arbeidsplaats al bestaande gevaren en/of met de

gevaren die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de

desbetreffende arbeidsmiddelen, en/of

(lid 2) werden de ter beschikking gestelde arbeidsmiddelen niet gebruikt voor het

doel, op de wijze en/of op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd, en/of

(lid 3) waren de arbeidsmiddelen niet geschikt voor het uit te voeren werk,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten,

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers,

waaronder voor [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was.

3. De bewijsmotivering

Inleiding

Aan het dossier ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden. Op 13 maart 2025 heeft een ongeval plaatsgevonden op de locatie [adres 2] in [plaats] . Op dit adres wordt een melkveehouderij gedreven. Slachtoffer [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ) en zijn collega [getuige 1] (hierna [getuige 1] ) waren daar zonnepanelen aan het schoonmaken door middel van telescoopbewassing. De zonnepanelen lagen op een hellend golfplatendak van een ligboxenstal. De bovenste zonnepanelen waren niet met de telescoopborstel bereikbaar. [slachtoffer] is op een gegeven moment op dat dak geklommen en door een lichtdoorlatende plaat in dit dak heen gevallen. [slachtoffer] kwam terecht op de 6,8 meter lager gelegen betonnen vloer. [getuige 1] zag het gebeuren. Door de val raakte [slachtoffer] ernstig gewond en is later die dag overleden in het ziekenhuis.

Namens de maatschap van de melkveehouderij is aan [verdachte] B.V. de opdracht gegeven tot het schoonmaken van de zonnepanelen op voornoemd dak. [verdachte] B.V. is op 30 maart 2021 opgericht met [bedrijf 1] B.V. als bestuurder. [medeverdachte] is bestuurder van [bedrijf 1] B.V. De Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna de Arbeidsinspectie) heeft een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar het handelen van verdachte en [medeverdachte] als de middellijk bestuurder.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat het slachtoffer op eigen initiatief gevaarlijk heeft gehandeld buiten zijn normale werkzaamheden om. Deze situatie was niet voorzienbaar en dus is geen sprake van zodanig handelen of nalaten in strijd met de Arbowetgeving dat [verdachte] B.V. wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er levensgevaar of ernstige gezondheidsschade voor werknemers ontstond of te verwachten was. Verdachte is hier dan ook niet verantwoordelijk voor.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Werkgever, werknemer en arbeidsplaats

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op basis van een inleenovereenkomst werkzaam was bij [verdachte] B.V. De rechtbank stelt voorts vast dat de locatie van het ongeval (de [adres 2] in [plaats] ) een arbeidsplaats als bedoeld in de Arbowet is en [verdachte] B.V. een werkgever in de zin van die wet is, hetgeen overigens ook niet door de verdediging ter discussie is gesteld.

RI&E (eerste gedachtestreepje tenlastelegging)

In de Arbowet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) staan bepalingen voor werkgevers en werknemers om de gezondheid, veiligheid en welzijn van werknemers te bevorderen. In artikel 32 van de Arbowet is een algemene zorgplicht opgenomen die zich richt tot de werkgever. Artikel 5 van de Arbowet benoemt een algemene verplichting voor de werkgever voor het opstellen van een risico- inventarisatie en evaluatie (hierna: RI&E). Het plan dient aangepast te worden als ervaring, werkmethoden, werkomstandigheden of stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven.

De Arbeidsinspectie heeft [medeverdachte] gevorderd tot overlegging van de RI&E. [medeverdachte] heeft hierop te kennen gegeven dat hij niet over een dergelijk document beschikte. De Arbeidsinspectie heeft op de bedrijfslocatie van [verdachte] B.V. een map met bescheiden aangetroffen waaronder een document gedateerd 24-9-2003.In dit document zijn risico’s geïnventariseerd rondom het werken op hoogte, maar niet over het schoonmaken van zonnepanelen, niet over het werken met een telescoopssysteem en niet over schoonmaken vanaf een (kamer)steiger of dak van een aanhanger.

Ook is er geen zogenoemde project RI&E opgesteld. Ruim 7 jaren voor het ongeval heeft [verdachte] B.V. de betreffende zonnepanelen ook schoongemaakt. Dit is toen gebeurd door twee andere medewerkers. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij destijds de locatie heeft bezocht en heeft aangenomen dat de situatie nog hetzelfde was. Hij heeft zich hier echter voorafgaand aan het ongeval niet van vergewist. Ook is hij niet nagegaan of de bovenste panelen wel bereikbaar waren met het telescoopbewassingssysteem. Hier was wel aanleiding toe geweest omdat destijds gebruik gemaakt werd van een andere telescoop, die langer was. De risico’s van de schoonmaakwerkzaamheden van de klus op 13 maart 2025 heeft hij in zijn gedachten geïnventariseerd, maar er op papier niets mee gedaan.

De rechtbank stelt uit het voorgaande vast – hetgeen door de verdediging ook niet is betwist - dat door [verdachte] B.V. niet is voldaan aan artikel 5 lid 1 en 4 van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging.

Inlichtingen geven en toezicht houden (tweede gedachtestreepje tenlastelegging)

Op grond van artikel 8 van de Arbowet dienen werknemers van tevoren te

worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s en

over de te nemen maatregelen die deze risico’s voorkomen of beperken. Gelet op eerder benoemd wettelijk kader was het de primaire taak van [verdachte] B.V. de risico’s van de schoonmaakwerkzaamheden in kaart te brengen, deze met de betrokken medewerkers te bespreken en maatregelen te treffen om die risico’s zoveel mogelijk weg te nemen of te beperken.

Zoals hiervoor is vastgesteld, was er geen RI&E waarin de risico’s van valgevaar en lichamelijk letsel werden onderkend. Op de opdrachtbon van deze specifieke schoonmaakklus stond enkel vermeld “225 zonnepanelen schoonmaken”. Die bewuste ochtend van 13 maart 2025 is met [slachtoffer] en [getuige 1] , die deze schoonmaakklus door [medeverdachte] toebedeeld kregen, niet gesproken over mogelijke risico’s en/of hoe die te voorkomen of te beperken. Dit leidt de rechtbank af uit de verklaringen van werknemers [getuige 1] en [getuige 2] .

Zo heeft [getuige 1] tegenover de Arbeidsinspectie verklaard dat hij normaliter opdrachtbonnen in zijn handen gedrukt krijgt met minimale informatie en het verder zelf maar moet uitzoeken. Over de klus van 13 maart 2025 werd vooraf tegen hem gezegd “Je kan wel op de kar gaan staan” en/of “Neem even een steigertje mee, dan kan je er wel bij”. Ter plaatste is [getuige 1] vervolgens de zonnepanelen gaan schoonmaken met de telescoopborstel vanaf de telescoopkar/grote aanhangwagen en werkte [slachtoffer] vanaf de kamersteiger.

[getuige 1] heeft verder verklaard dat hij in de praktijk door collega [getuige 2] is ingewerkt en dat tijdens schoonmaakwerkzaamheden ook in dakgoten werd gestaan. Dat was toen heel normaal. Door de werkgever is [getuige 1] nooit geïnformeerd over hoe risico’s te voorkomen of te beperken. [getuige 1] heeft geen opleiding of cursussen voor deze werkzaamheden genoten en hij werd, net als [slachtoffer] , via een uitzendbureau ingeleend.

[getuige 2] heeft tegenover de Arbeidsinspectie verklaard dat hij zeventien jaar bij [verdachte] B.V. werkt en dat hij eraan gewend is regelmatig dakkapellen schoon te maken staande op het dak of in de dakgoot zonder middelen die valgevaar kunnen voorkomen ( “zo ben ik begonnen en zo ben ik geëindigd. Dit is gewoon [medeverdachte] . Ik kan niet anders zeggen”). De dag van het ongeval zei [medeverdachte] tegen [getuige 2] dat [getuige 1] en [slachtoffer] een kamersteiger moesten meenemen. [medeverdachte] zei verder tegen [getuige 2] dat hij vijf jaar geleden op de locatie van het ongeval was geweest en dat [medeverdachte] dacht dat de situatie ter plaatse niet (veel) was veranderd. [getuige 2] heeft zelf ook wel eens op instructie van [medeverdachte] schoonmaakwerkzaamheden verricht vanaf het dak van aanhanger want “er gebeurt toch niks mee” volgens [medeverdachte] . Risico’s van de werkzaamheden worden niet besproken en er wordt geen toezicht gehouden.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij over de te verrichten werkzaamheden in zijn algemeenheid altijd zegt “als het niet kan, dan kan het niet” en dat het personeel hem altijd mag bellen als blijkt dat ze ergens niet bij kunnen of iets niet lukt. Over het arbobeleid van de onderneming heeft [medeverdachte] verklaard dat hij er onbewust wel mee bezig is, maar dat hij geen formele standaard heeft. Er wordt met de werknemers zo nodig over gesproken ‘s ochtends tijdens het koffiedrinken met elkaar. Werknemers leren de werkzaamheden in de praktijk.

[medeverdachte] heeft verklaard dat bij het schoonmaken van de zonnepanelen op deze locatie in 2017 gebruik is gemaakt van een langere telescoopsteel. [medeverdachte] heeft zijn medewerkers er niet op gewezen het materieel in 2025 anders was dan in 2017. Hij heeft bevestigd dat hij had gezegd dat [getuige 1] en [slachtoffer] een kamersteiger mee moesten te nemen, want zo kon één van hen op die kamersteiger bij de goot staan om de hoger gelegen zonnepanelen schoon te maken. De risico’s van de schoonmaakwerkzaamheden van de klus op 13 maart 2025 heeft [medeverdachte] naar eigen zeggen in zijn gedachten geïnventariseerd, maar heeft hierover geen inlichtingen gegeven aan zijn medewerkers.

De rechtbank constateert op grond van voornoemde feiten en omstandigheden dat werknemers zowel in zijn algemeenheid als per klus niet door de werkgever werden geïnformeerd over de risico’s van de (schoonmaak)werkzaamheden, terwijl uit de Arbocatalogus Schoonmaak- en glazenwassersbranche volgt dat het werken op hoogte een van de grootste risico’s vormt binnen de sectoren glasbewassing en gevelreiniging. Er was geen RI&E. Er werden geen cursussen of een toolboxen aangeboden over het werken op hoogte en/of het werken met een telescoopstok. Werknemers werden in de praktijk ingewerkt en er werd geen toezicht gehouden. Op de dag van het ongeval is volstaan met de enkele instructie van [medeverdachte] om een kamersteiger mee te nemen naar de locatie. De rechtbank stelt zodoende vast – hetgeen door de verdediging ook niet is betwist – dat door [verdachte] B.V. niet is voldaan aan artikel 8 lid 1 en lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals opgenomen onder het tweede gedachtestreepje van de tenlastelegging.

De arbeidsmiddelen (derde gedachtestreepje tenlastelegging)

Uit artikel 7.3 van het Arbobesluit blijkt dat de werkgever zich bij de keuze van de arbeidsmiddelen die zij aan haar werknemers ter beschikking stelt, dient te laten leiden door de geschiktheid van die arbeidsmiddelen en de mogelijke gevaren die de werknemers lopen bij het gebruik van die arbeidsmiddelen. De arbeidsmiddelen moeten overeenkomstig hun bestemming en op juiste wijze worden gebruikt.

Zoals ook volgt uit het voorgaande, is voor het schoonmaken van de zonnepanelen gebruik gemaakt van een telescopisch bewassingssysteem. Verbalisanten hebben de telescoopstok die is gebruikt, getest op dezelfde locatie. Volledig uitgeschoven heeft de telescoopstok een lengte van 13,06 meter. De telescoopstok kon vanaf de grond met moeite worden opgetild en boog door. Het bleek niet mogelijk om vanaf de grond alle zonnepanelen op het golfplatendak van de stal te bereiken met de borstel van die telescoopstok. Daarnaast brak de telescoopstok toen werd geprobeerd de borstel van de bovenste rand van de middelste rij zonnepanelen af te halen.

De Arbocatalogus Schoonmaak- en glazenwassersbranche benoemt dat het werken met een dergelijke lange en zware telescoopsteel zwaar is voor nek, schouders en rugspieren en dat daarom eisen zijn gesteld aan het gebruik ervan, eisen aan het telescopisch wassysteem zelf en eisen aan de omgeving en werkorganisatie. De RAS (Stichting Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak en Glazenwassersbranche) heeft een werkwijze opgesteld over deze wassteelmethode. Uit de werkwijze is af te leiden dat de vrije ruimte vlak moet zijn, stabiel en vrij van obstakels (zoals erfscheidingen, straatmeubilair en stuiken of groenstroken), terwijl in dit geval wel obstakels rondom de stal lagen. Mobiele arbeidsmiddelen (zoals hoogwerkers, rolsteiger of andere platforms) worden niet beschouwd als een vlakke en stabiele ondergrond, dus vanaf deze mobiele arbeidsmiddelen is de wassteelmethode niet toegestaan, terwijl – zo volgt uit de verklaring van [getuige 1] – hij en [slachtoffer] de werkzaamheden wel hebben uitgevoerd vanaf een kamersteiger en het dak van de aanhanger.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat door [verdachte] B.V. niet is voldaan aan artikel 7.3 leden 1, 2 en 3 van het Arbobesluit, zoals opgenomen onder het derde gedachtestreepje van de tenlastelegging.

Wetenschap van levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] B.V. redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van haar nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. De rechtbank overweegt als volgt.

Het in artikel 1 onder 1 van de Wet op de economische delicten (WED) opgenomen artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet luidt als volgt:

Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.’

Deze bepaling moet worden gekarakteriseerd als een algemene verbodsbepaling om zodanig in strijd met de wet te handelen dat daardoor ernstige schade aan de gezondheid van werknemers is of kan ontstaan. Waar het dus om gaat is dat in een concreet geval ernstige risico’s kunnen optreden en dit aan de werkgever verweten kan worden.

De hierboven vermelde voorschriften waaraan door [verdachte] B.V. niet is voldaan, beogen te voorkomen dat gevaren, die aan het verrichten van – in dit geval werken op hoogte/het schoonmaken van zonnepanelen - zijn verbonden, zich zullen realiseren. Dit gevaar ‘ontstaat’ of is ‘te verwachten’ wanneer arbeid wordt verricht in een situatie waarin (i) levensgevaar of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers bestaat, (ii) de werkgever voorschriften heeft geschonden die ertoe strekken te voorkomen dat dit gevaar zich realiseert, en (iii) het – gelet op de ernst van die schending - redelijk is het ontstaan of te verwachten zijn van het gevaar aan het schenden van die voorschriften door de werkgever toe te rekenen.

In deze zaak staat niet ter discussie dat aan die eerste twee vereisten is voldaan. Het is immers evident dat ongelukken kunnen gebeuren met ernstige gezondheidsschade of de dood tot gevolg wanneer geen enkele maatregel wordt genomen die gericht is op het voorkomen van valgevaar, werknemers over de gevaren niet (doeltreffend) worden geïnformeerd en geen (adequaat) toezicht wordt gehouden in combinatie met het gebruik van ongeschikte arbeidsmiddelen zoals hier het geval is geweest. Het komt dus – ook gelet op het verweer van de van de raadsman - aan op de vraag of het redelijk is het onderhavige gevaar toe te rekenen aan het schenden van voornoemde voorschriften door de werkgever.

Daarbij speelt de voorzienbaarheid een belangrijke rol. Het zou volgens de raadsman niet redelijk zijn het bewuste gevaar (in de zin van het aan het zelf het dak opgaan om zonder bescherming op hoogte alsnog ook de hoogstgelegen rij zonnepanelen te kunnen reinigen verbonden valgevaar) aan de schendingen van de voorschriften toe te rekenen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het echter wel degelijk redelijk om het onderhavige gevaar toe te schrijven aan het schenden van de voorschriften. ‘Initiatieven’ zoals ondernomen door het slachtoffer in deze zaak zijn typisch voor werksituaties waarin personeel zonder risico-analyse vooraf, zonder (concrete) veiligheidsinstructies en met ontoereikende en op onjuiste wijze ingezette arbeidsmiddelen de klus moet gaan klaren. Binnen een dergelijk ‘beleid’ is het geenszins atypisch dat een werknemer zelf besluit om toch risico’s te nemen om de opgedragen klus te klaren en – zoals in casu – ook de met de reguliere arbeidsmiddelen onbereikbare bovenste rij zonnepanelen alsnog te reinigen. In zoverre wijkt de situatie dan ook af van die in het door de raadsman aangehaalde ECLI:NL:RBOBR:2022:4116, nu van het zeer gevaarlijk handelen door slachtoffer [slachtoffer] buiten zijn normale werkzaamheden om geen sprake is geweest.

Opzet

In het economisch strafrecht moet de term opzet worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet alleen gericht moet zijn op de verweten gedragingen -in dit geval steeds een nalaten- en niet op het wederrechtelijke daarvan. Dit betekent dat reeds voldoende is dat [verdachte] B.V. heeft nagelaten de hierboven vermelde maatregelen uit het Arbobesluit te treffen. In dat nalaten ligt het (voorwaardelijk) opzet besloten. Nu uit het bovenstaande reeds volgt dat [verdachte] B.V. ervoor heeft gekozen niets aan risicomanagement te doen, heeft zij opzettelijk niet voldaan aan de ten laste gelegde zorgplichten, zoals die voortvloeien uit de Arbowet en het Arbobesluit, en aldus op het gebied van het treffen van maatregelen met het oog op de gezondheid en veiligheid van de werknemers tekort is geschoten. De rechtbank is aldus van oordeel dat [verdachte] B.V. het ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan.

Toerekening aan de rechtspersoon

De rechtbank overweegt dat het schoonmaken van de zonnepanelen door werknemers van [verdachte] B.V. past binnen de normale bedrijfsvoering van [verdachte] B.V. en haar dienstig is geweest. [verdachte] B.V. had tevens de zeggenschap over de wijze waarop en onder welke (on)veilige omstandigheden deze werkzaamheden door haar werknemers werden uitgevoerd. Daar komt bij dat – zoals hiervoor reeds is overwogen – de aard van het op 13 maart 2025 ontstane levensgevaar niet atypisch is voor de verrichte werkzaamheden in relatie tot de nagelaten verplichtingen uit de Arbowet en het Arbobesluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen plaatsvonden in de sfeer van de rechtspersoon en dat deze aan [verdachte] B.V. kunnen worden toegerekend.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

[verdachte] B.V. op of omstreeks 13 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland, als werkgever in de zin van artikel 1 Arbeidsomstandighedenwet, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij, [verdachte] B.V. toen aldaar aan de [adres 2] te [plaats] , zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 van genoemde wet, door één of meer van haar werknemers in de zin van genoemde wet, arbeid doen of laten verrichten, bestaande die arbeid uit – zakelijk weergegeven het schoonmaken van zonnepanelen op het dak van een ligbo k xenstal - althans andere werkzaamheden heeft verricht, terwijl niet was/werd voldaan aan: - artikel 5 lid 1 en 4 van de Arbeidsomstandighedenwet, immers heeft [verdachte] B.V.; (lid 1) bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet voldaan aan de verplichting schriftelijk in een inventarisatie en evaluatie vast te leggen welke (specifieke) risico’s deze werkzaamheden met zich mee brachten, en /of (lid 4) heeft zij deze risico-inventarisatie en –evaluatie niet aangepast terwijl de gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden, te weten het schoonmaken van zonnepanelen op hoogte/op een dak, daartoe aanleiding gaven, en /of - artikel 8 lid 1 en 4 Arbeidsomstandighedenwet, immers heeft [verdachte] B.V.; (lid 1) er niet voor gezorgd dat werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s (zowel in het algemeen als per klus) alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn (waren) deze risico’s te voorkomen of te beperken, en /of (lid 4) er niet (afdoende) toegezien op de naleving van instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en/of beperken van de in artikel 8 eerste lid genoemde risico’s, en /of - artikel 16 lid 10 Arbeidsomstandighedenwet jo. artikel 7.3 lid 1, 2 en 3 Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft [verdachte] B.V.; (lid 1) bij de keuze van de arbeidsmiddelen die zij ter beschikking heeft gesteld (te weten een telescoopborstel die te kort was voor het uitvoeren van de werkzaamheden, een kamersteiger, een aanhangwagen en een puntje/ladder) geen rekening gehouden met de uit een risico- inventarisatie en –evaluatie gebleken specifieke kenmerken van de arbeid en/of met de omstandigheden waaronder deze werd verricht en/of met de op de arbeidsplaats al bestaande gevaren en/of met de gevaren die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen, en /of (lid 2) werden de ter beschikking gestelde arbeidsmiddelen niet gebruikt voor het doel, op de wijze en/of op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd, en /of (lid 3) waren de arbeidsmiddelen niet geschikt voor het uit te voeren werk, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers, waaronder voor [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,-- waarvan € 20.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de bepaling van de straf rekening moet worden gehouden met het feit dat inmiddels de RI&E en het plan van aanpak op orde zijn en via de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering een regeling is getroffen met de nabestaanden.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Het ongeval dat heeft plaatsgevonden op 13 maart 2025 aan de [adres 2] in [plaats] , waar [slachtoffer] schoonmaakwerkzaamheden verrichtte, was noodlottig en tragisch. [slachtoffer] is hierbij door een hellend dak gevallen en 6,8 meter lager op de betonnen ondergrond terechtgekomen. Een collega zag het ongeval gebeuren. Als gevolg van de val liep [slachtoffer] ernstig letsel op en overleed diezelfde dag in het ziekenhuis.

De Arbowet en bijbehorende regelgeving beogen dit soort ongevallen bij het uitvoeren van het werk te voorkomen. [verdachte] B.V. is als werkgever de eerst verantwoordelijke voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemers. Daartoe worden werkgevers kort gezegd verplicht een adequaat veiligheidsbeleid te voeren en concrete maatregelen te nemen. In dit geval was geen sprake van een RI&E waarin het risico verbonden aan het schoonmaken van zonnepanelen op grote hoogte, aan het werken met een telescoopssysteem en aan het schoonmaken vanaf een (kamer)steiger of dak van een aanhanger werd onderkend. Er werd geen toezicht uitgeoefend en er werd geen adequate voorlichting gegeven aan werknemers. Bovendien waren de gebruikte arbeidsmiddelen niet toereikend voor de opgedragen klus. Doordat [verdachte] B.V. te kort is geschoten in haar zorgplicht, en haar werknemers op pad heeft gestuurd met slechts de instructie 225 zonnepanelen schoon te maken heeft dit ertoe geleid dat [slachtoffer] , die nog maar vier maanden voor [verdachte] B.V. werkte zelfs heeft gezocht naar een manier waarop hij aan deze opdracht kon voldoen. Hierdoor is het levensgevaar ontstaan en dat heeft in dit geval helaas ook heeft geleid tot een noodlottige afloop. Het voorgaande rekent de rechtbank de verdachte, als de feitelijke leidinggever, aan.

Het ongeval, dat heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] , heeft grote gevolgen voor de nabestaanden. Ter terechtzitting heeft een broer van [slachtoffer] toegelicht hoe zwaar de familie het heeft met het verwerken van dit verlies. De rechtbank realiseert zich dat aan de nabestaanden onherstelbaar leed is toegebracht, doordat [verdachte] B.V. niet de verantwoordelijkheid heeft genomen die zij ten opzichte van haar werknemers had, en dat een strafoplegging dit leed niet kan wegnemen.

Bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte ervan heeft de rechtbank acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank slaat bij het bepalen van de hoogte van de straf acht op de straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en welke straf zij in de strafzaak van [medeverdachte] heeft opgelegd. De strafeis van de officier van justitie acht de rechtbank passend en zij zal daarom overeenkomstig beslissen.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat een geldboete van € 40.000,-- waarvan € 20.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden is. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel om verdachte ertoe te bewegen om de veiligheid van haar werknemers tot prioriteit te (blijven) verheffen.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 51 Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete € 20.000,-- (zegge: twintigduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Germs – de Goede, voorzitter, mr. R.P. van Campen en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand