ECLI:NL:RBOVE:2026:5312

ECLI:NL:RBOVE:2026:5312

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer ZWO 25/3298
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

WIA. Verlaging mate van arbeidsongeschiktheid na melding toename. De belastbaarheid is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het UWV mocht uitgaan van de FML. Uitgaande van die FML is het aannemelijk dat betrokkene op de datum in geding in staat was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Beroep ongegrond. Toekenning proceskostenvergoeding in verband met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser]).

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3298

gemachtigde: [gemachtigde 1],

en

gemachtigde: [gemachtigde 2].

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2024 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij minder arbeidsongeschikt is op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), namelijk 45,63%.

[eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dit besluit gebleven.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft GHS B.V., (ex-)werkgever van [eiser], als belanghebbende in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de procedure. Hierop heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

[eiser] is vanaf 10 oktober 2011 werkzaam geweest als [functie] voor gemiddeld 39,60 uur per week in dienst van GHS B.V. Op 4 april 2017 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Hij heeft het UWV verzocht hem een WIA-uitkering toe te kennen.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV [eiser] bij besluit van 1 mei 2019 met ingang van 2 april 2019 op grond van de WIA een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 9 juli 2020 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat zijn loongerelateerde uitkering binnenkort de maximumduur heeft bereikt en dat hij vanaf 17 september 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering zal krijgen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%.

Op 19 juni 2023 heeft [eiser] zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat [eiser] met zijn beperkingen nog steeds werk kan verrichten. Met dit werk zou hij 45,63% minder kunnen verdienen dan zijn maatman, in dit geval een gezonde [functie] voor gemiddeld 39,60 uur per week. Het UWV heeft hierbij gewezen op het rapport van

11 september 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 15 oktober 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

[eiser] voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit onvoldoende medisch is onderbouwd. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is onvoldoende rekening gehouden met de klachten en beperkingen die er zijn. Er is sprake van meerdere aandoeningen (diabetes type 1, polyneuropathie, autonome dysfunctie, eczeem en verdenking Sjögren) die elkaar versterken. Deze complexiteit is volledig genegeerd. Ook het dagelijks functioneren is te rooskleurig ingeschat. Zelfs binnen het gezin kan [eiser] niet zonder hulp functioneren, wat onder meer blijkt uit de SMI-indicatie van de gemeente. [eiser] heeft een verzekeringsgeneeskundig expertiserapport van 9 februari 2026 van medisch adviseur/verzekeringsarts W.S. van der Vloedt (hierna: Van der Vloedt) in geding gebracht. [eiser] stelt dat hij met zijn beperkingen de geduide functies niet kan verrichten.

Het UWV heeft naar aanleiding van het aangevoerde gewezen op de rapporten van

28 november 2025 en 27 maart 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 14 april 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien meer beperkingen aan te nemen in de FML.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat [eiser] op basis van de gewijzigde FML nog steeds in staat moet worden geacht tot het verrichten van de eerder geduide functies, zodat [eiser] ongewijzigd 45,63% arbeidsongeschikt moet worden geacht.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] met ingang van 19 juni 2023 heeft vastgesteld op 45,63%. De rechtbank doet dit aan de hand van wat [eiser] in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.

De medische grondslag

5. De belastbaarheid van [eiser] is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Medisch adviseur/verzekeringsarts Van der Vloedt heeft in haar expertiserapport van

9 februari 2026 vermeld dat zij zich niet kan vinden in de opgestelde FML. Zij acht [eiser] aanvullend beperkt op onderdelen in de rubrieken II sociaal functioneren, III aanpassingen aan fysieke omgevingseisen, IV dynamische handelingen en VI werktijden.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 28 november 2025 en 7 maart 2026 gereageerd op hetgeen in beroep is aangevoerd en op het rapport van medisch adviseur/verzekeringsarts Van der Vloedt. Het expertiserapport geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding om de FML aan te passen. Zij heeft een deel van de door Van der Vloedt aangegeven beperkingen overgenomen. Ten aanzien van de beperkingen die zij niet aanvullend heeft opgenomen in de FML heeft zij inzichtelijk en overtuigend toegelicht waarom er geen aanleiding is om een beperking aan te nemen op de genoemde items.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat het onderzoek naar de neuropathologie onvoldoende zou zijn geweest, kan de rechtbank niet volgen. In haar rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende uitgelegd dat er wel voldoende onderzoek is gedaan naar de knijpkracht en de handfunctie. Ook met de complexiteit van de verschillende aandoeningen van [eiser] is rekening gehouden. Ten aanzien van de SMI-indicatie van de gemeente is terecht opgemerkt dat dit een andere beoordeling betreft, waarvoor andere criteria gelden.

Het UWV mocht voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] dan ook uitgaan van de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML van 27 maart 2026.

De arbeidskundige grondslag

Uitgaande van de FML van 27 maart 2026 is het aannemelijk dat [eiser] op 19 juni 2023 in staat was om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van schadecorrespondent (SBC-code 516080), boekhouder, kassier, loonadministrateur (SBC-code 515070) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), alsmede de reservefunctie productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 14 april 2026 en het resultaat functiebeoordeling van 15 oktober 2025 en 13 april 2026 uitgelegd waarom [eiser] geschikt is geacht voor deze functies. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van [eiser] zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van [eiser] mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd dat de functies toch passend zijn. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de functies voldoende overtuigend heeft toegelicht.

Ter zitting heeft [eiser] gesteld dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de hele dag met een koptelefoon oploopt. De rechtbank leest in het resultaat functiebeoordeling van de geduide functies niet dat dit nodig zou zijn in de geduide functies. Er is sprake van een headset in de functie boekhouder, kassier, loonadministrateur (SBC-code 515070), maar hierbij is tevens vermeld dat gebruik kan worden gemaakt van een stilteruimte. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn toelichting vermeld dat er in de betreffende functie veel regelruimte is om de belasting naar eigen inzicht binnen de gestelde belastbaarheid te houden. In de functie schadecorrespondent (SBC-code 516080) wordt weliswaar gewerkt in een hal, maar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep acht deze functie toch geschikt, omdat de bureaus zijn voorzien van geluiddempende tussen- en zijschotten, zodat er geen reden is om overbelasting te veronderstellen. In de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) is sprake van ruime looppaden, grote onderlinge afstand tussen de werkplekken en een rustige omgeving met achtergrondmuziek. In de functie productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) is sprake van (naai)machines die ruim uit elkaar staan en een auditief en visueel rustige ruimte met achtergrondmuziek en hoorbaar geluid van de diverse machines. Er wordt weinig rondgelopen. De rechtbank ziet geen aanleiding aan te nemen dat in de functies sprake zal zijn van een overbelasting ten aanzien van afleiding door anderen. [eiser] kan zonodig gebruik maken van beschermende middelen. Gelet op de belasting in de functies, ziet de rechtbank niet in, dat hij deze gedurende de gehele dag zou moeten dragen.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat [eiser] heeft aangegeven dat het hem bevreemd dat hij nu minder arbeidsongeschikt wordt geacht, terwijl zijn klachten zijn toegenomen. Het UWV heeft hierover ter zitting opgemerkt dat er niet zozeer minder beperkingen zijn aangenomen dan voorheen, maar dat er nu meer passende functies zijn te vinden bij de aangenomen beperkingen dan voorheen, doordat functies minder belastend zijn geworden. Daardoor wordt [eiser] nu in staat geacht met nagenoeg dezelfde beperkingen wel voldoende functies te kunnen vervullen.

Conclusie en gevolgen

7. Het voorgaande betekent dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] met ingang van 19 juni 2023 terecht heeft vastgesteld op 45,63%.

8. Omdat het UWV in beroep de FML heeft aangepast en dus pas in beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat [eiser] door dit gebrek niet is benadeeld. Ook wanneer dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met diezelfde strekking zijn genomen.

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

10. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van [eiser] in beroep. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding voor verleende rechtsbijstand bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Ook moet het UWV aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van in totaal € 1.868,-;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan [eiser] vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand