ECLI:NL:RBOVE:2026:5315

ECLI:NL:RBOVE:2026:5315

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer C/08/339895 / HA ZA 25-373
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Zaak die hoofdzakelijk draait om ontslag mede-executeur en vergoeding kosten executeur. Toepassing spoorwissel ex 69 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/339895 / HA ZA 25-373

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. R.J. De Nekker,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. W. Hogenkamp.

1. Samenvatting

[eiser] en [gedaagde] zijn broers en mede-executeurs in de nalatenschap van hun overleden vader. Tussen hen bestaat discussie over de verkoop en de waardes van de tot de nalatenschap behorende onroerende goederen. [eiser] vordert daarom bij de rechtbank het ontslag van [gedaagde] uit de functie van mede-executeur, dan wel de benoeming van een nieuwe executeur en stelt daarnaast ook een aantal andere vorderingen in die betrekking hebben op de onroerende zaken en (juridische) kosten die [eiser] heeft gemaakt. Voorwaardelijk vordert [eiser] bovendien, hoofdzakelijk, dat [gedaagde] wordt veroordeeld medewerking te verlenen aan de verkoop van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken. De rechtbank verwijst een deel van de vorderingen naar de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter en wijst de overige vorderingen af. Hierna wordt dit oordeel nader toegelicht.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van [eiser] met producties 1 tot en met 8,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met productie 1,

- het verwijzingsvonnis van 7 oktober 2025,

- de brief waarin de mondelinge behandeling is bepaald, - de akte van wijziging van eis van [eiser] ,

- de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[eiser] en [gedaagde] zijn broers van elkaar. Hun vader, [de vader] , is op [overlijdensdatum] 2025 overleden (hierna ook: [de vader] of de overledene). De erfgenamen van de nalatenschap waren de drie kinderen van [de vader] : [eiser] , [gedaagde] en [naam 1] . Na het overlijden van [naam 1] zijn haar zoons ( [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] ) erfgenaam geworden en hebben zij ieder voor 1/3e deel recht op het erfdeel van hun moeder.

Tot de nalatenschap van [de vader] behoren in ieder geval een vrijstaande woning gelegen te ( [adres] ) [plaats] , aan de [adres] (hierna: ‘woning’) en een perceel agrarische grond groot 41.690 m2 (hierna: de ‘landerijen’ en samen met de woning ‘de onroerende goederen’). De landerijen zijn tot 31 mei 2025 geliberaliseerd verpacht geweest aan de heer [naam 5] , vader van erfgenamen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (hierna: ‘ [naam 5] ’). Verder behoort tot de nalatenschap het saldo van de bankrekening van [de vader] .

In het door [de vader] op 2 november 2016 opgestelde testament zijn [eiser] en [gedaagde] beiden tot executeurs benoemd. In het testament staat over de bevoegdheden van de executeur het volgende:

“De executeur heeft in ieder geval de bevoegdheid:

- legaten af te geven, ook aan zichzelf;

- goederen van mijn nalatenschap te beheren;

- goederen van de nalatenschap te verkopen wanneer dit voor betaling van de erfbelasting of andere schulden nodig mocht zijn;

- schulden van de nalatenschap te voldoen;

- een of meer andere executeurs aan zich toe de voegen of in de plaats te stellen;

dit alles zonder overleg met de erfgenamen.”

In het testament is verder bepaald dat indien er meer executeurs zijn ieder van de executeurs zelfstandig bevoegd is en dat de kantonrechter de bevoegdheid heeft de executeurs te vervangen. Ten slotte staat in het testament dat de door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten voor rekening van de erfgenamen komen.

Op 4 februari 2025 heeft [bedrijf 1] de landerijen in opdracht van [naam 5] getaxeerd op een marktwaarde € 220.000,00.

Op enig moment heeft [naam 4] [bedrijf 2] opdracht gegeven om de woning te taxeren. De woning is op 19 februari 2025 getaxeerd op een marktwaarde van € 375.000,00.

Op 26 maart 2025 heeft [eiser] [bedrijf 3] opdracht gegeven om de onroerende goederen te taxeren. Hierbij is de marktwaarde van de woning per [overlijdensdatum] 2025 bepaald op € 390.000,00 en is de waarde van de landerijen op die datum bepaald op € 270.000,00. [eiser] heeft € 1.210,00 aan taxatiekosten betaald.

4. De procedure

[eiser] vordert, na eiswijziging van 6 februari 2026, de rechtbank om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[gedaagde] te ontslaan in zijn functie als mede-executeur conform artikel 4:149 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en [eiser] aan te stellen als executeur, dan wel een onafhankelijke derde aan te wijzen, zodat de erfenis conform testament kan worden afgewikkeld;

[gedaagde] te veroordelen om [eiser] de sleutels van de woning te overhandigen zodat [eiser] de woning weer kan betreden, binnen 48 uur na betekening aan hem van het in deze te verkrijgen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door Uw Rechtbank, Kamer van Handelszaken, in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze verplichting te voldoen;

[gedaagde] te verplichten om er zorg voor te dragen dat de vergoeding voor het gebruik van de landerijen over 2025 alsnog wordt ingebracht / betaald door de gebruiker á € 4.169,00 en er zorg voor te dragen dat deze betaling binnen 14 dagen na betekening aan hem van het in deze te verkrijgen vonnis is voldaan, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een door de rechtbank, Kamer voor Handelszaken, in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze verplichting te voldoen;

Te verklaren voor recht dat de gemaakte (juridische) kosten ten laste van de boedel komen conform het testament;

[gedaagde] in alle gevallen, te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen het nasalaris, onder de bepaling dat hij de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is, indien deze kosten niet binnen 14 dagen na betekening aan hem van het in deze te verkrijgenn vonnis (volledig) aan [eiser] / de boedel is voldaan;

En, in voorwaardelijke eis

[gedaagde] te verplichten medewerking te verlenen om de onroerende goederen te koop aan te bieden om de openbare markt van zowel de woning aan de [adres] als de het perceel grond, binnen 7 dagen na betekening aan hen van het in deze te verkrijgen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door Uw Rechtbank, Kamer voor Handelszaken, in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijven aan deze verplichting te voldoen;

[gedaagde] te verplichten medewerking te verlenen aan het leeg halen en opruimen van de woning aan de [adres] door een daarin gespecialiseerd bedrijf, waarbij de kosten ten laste komen van de nog te verdelen boedel, binnen 7 dagen na betekening aan hen van het in deze te verkrijgen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door Uw Rechtbank, Kamer voor Handelszaken, in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijven aan deze verplichting te voldoen;

[gedaagde] te verplichten medewerking te verlenen voor het beëindigen van het onrechtmatige gebruik van de tot de erfenis behorende landerijen, binnen 7 dagen na betekening aan hen van het in deze te verkrijgen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door Uw Rechtbank, Kamer voor Handelszaken, te bepalen bedrag, per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijven aan deze verplichting te voldoen.

5. De beoordeling

De vordering tot ontslag, dan wel de benoeming van een (nieuwe) executeur en de voorwaardelijke vorderingen

Ter zitting is gebleken dat tussen [eiser] en [gedaagde] onenigheid bestaat over de verkoop van de tot de nalatenschap behorende onroerende goederen. [eiser] vordert daarom allereerst het ontslag van [gedaagde] als mede-executeur, dan wel de benoeming van een onafhankelijke derde als executeur (zie 4.1.1) en, indien de rechtbank deze vordering(en) afwijst, dat [gedaagde] door de rechtbank wordt verplicht om mee te werken aan het leeghalen en de verkoop van de onroerende goederen en het beëindigen van het gebruik van de landerijen door [naam 5] (4.1.6 tot en met 4.1.8).

Tijdens de zitting is besproken dat uit artikel 4:149 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat een verzoek tot ontslag van een executeur door middel van een verzoekschrift moet worden ingesteld bij de kantonrechter en vervolgens verder moet worden behandeld volgens de regels van de verzoekschriftprocedure. Datzelfde geldt op grond van artikel 4:142 lid 1 BW ook voor de benoeming van een nieuwe executeur door de kantonrechter. Dit betekent dat [eiser] voor deze vordering(en) (4.1.1) een verkeerde rechtsingang heeft gekozen en op dit onderdeel een verzoek had moeten indienen bij de kantonrechter in plaats van een dagvaarding bij de rechtbank. Op grond van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet voor dit onderdeel de zaak worden verwezen naar een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter. De rechtbank zal [eiser] een termijn van vier weken geven om het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen en zijn stellingen, zo nodig, aan de dan toepasselijke procesregels aan te passen.

Hiervoor is overwogen dat de behandeling van de voorwaardelijke vorderingen (4.1.6 tot en met 4.1.8) afhankelijk is van het oordeel van de rechter over het ontslag van de mede-executeur, dan wel de benoeming van een onafhankelijke, derde executeur (4.1.1). Indien de kanonrechter uiteindelijk (na verwijzing van de procedure) tot het oordeel komt dat het onder 4.1.1 gevorderde moet worden afgewezen, moet zij zich ook buigen de voorwaardelijke vorderingen. Wat de (juridische) grondslag van de voorwaardelijke vorderingen is noch in de processtukken, noch tijdens de mondelinge behandeling door [eiser] benoemd, terwijl deze grondslag bepalend is voor de vraag of de voorwaardelijke vorderingen volgens de regels van de verzoekschriftprocedure dan wel de dagvaardingsprocedure behandeld moeten worden. Ter voorkoming van een (tweede) verwijzing van de procedure geeft de rechtbank [eiser] daarom in overweging om indien zij tot verbetering/aanvulling van haar inleidende processtuk overgaat, expliciet aandacht te besteden aan (de grondslag(en) van) de voorwaardelijke vorderingen.

Iedere verdere beslissing op dit punt wordt aangehouden.

De afgifte van de sleutels

Ter onderbouwing van de onder 4.1.2 gevorderde afgifte van de sleutels van de woning heeft [eiser] gesteld dat hij niet de beschikking heeft over de sleutel van de woning, waardoor het voor hem niet mogelijk is om de woning te betreden. [gedaagde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling betwist dat [eiser] de woning niet kan betreden, aangezien dit – op verzoek en na het ophalen van de sleutel bij [gedaagde] – gewoon mogelijk is.

De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of [eiser] daadwerkelijk toegang tot de woning heeft, nu de (juridische) grondslag voor de door [eiser] gevorderde afgifte van sleutels ontbreekt. [eiser] heeft immers niet, althans onvoldoende, toegelicht op grond waarvan [gedaagde] gehouden is hem een sleutel ter beschikking te stellen. Uit de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden volgt deze verplichting niet. Dat sprake is van een rechtsverhouding of andere (wettelijke) grondslag, die de door [eiser] gevorderde afgifte van een sleutel kan dragen is gesteld, noch gebleken. Weliswaar kan een executeur op grond van artikel 4:142 lid 3 BW in geval van een meningsverschil de kantonrechter verzoeken een verdeling van de werkzaamheden vast te stellen, maar dat [eiser] hierop een beroep heeft willen doen blijkt noch uit de gekozen rechtsingang, noch uit de vordering zelf (de afgifte van de sleutel door [gedaagde] ) en de gegeven onderbouwing. De vordering onder 4.1.2 zal daarom worden afgewezen.

De gebruiksvergoeding voor het gebruik van de landerijen

Vast staat dat [naam 5] vlak voor het einde van de pachtovereenkomst op 31 mei 2025 mais heeft geplant op de landerijen. [eiser] is van mening dat het gebruik van [naam 5] van de landerijen na die datum onrechtmatig is. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] [naam 5] (ten onrechte) toestemming gegeven om de landerijen na afloop van de pachtperiode te gebruiken. Hij heeft daarom onder 4.1.3 gevorderd dat [gedaagde] zal worden verplicht ervoor te zorgen dat [naam 5] alsnog een vergoeding voor het gebruik van de landerijen betaalt. [gedaagde] betwist dat hij [naam 5] toestemming heeft gegeven. Bovendien, zo heeft [gedaagde] betoogd, richt de onderbouwing van de vordering zich niet tegen [gedaagde] , maar tegen de voormalig pachter, [naam 5] . Voor zover [eiser] betoogt dat er rechtsmaatregelen moeten worden getroffen tegen [naam 5] is dat niet passend binnen deze procedure, aldus [gedaagde] .

De rechtbank is van oordeel dat de (juridische) grondslag voor deze vordering ontbreekt. Zelfs indien vast zou komen te staan dat [gedaagde] [naam 5] toestemming heeft verleend voor het gebruik van de landerijen, wat gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] niet het geval is, geeft dit [eiser] in hoedanigheid van executeur geen recht om van [gedaagde] te eisen dat hij [naam 5] tot betaling van een gebruiksvergoeding verplicht. Als tussen executeurs verschil van inzicht bestaat over de wijze waarop zij hun taken uitoefenen, kunnen zij de kantonrechter te verzoeken een regeling te verdeling van de werkzaamheden te maken als bedoeld in artikel 4:142 lid 3 BW. Dat sprake is van een dergelijke verzoek is de rechtbank, gelet op de gekozen rechtsingang, maar ook gelet op de vordering zelf (een veroordeling van [gedaagde] om iets te doen in plaats van een verzoek aan de kantonrechter om een verdeling van de werkzaamheden vast te stellen) en de toelichting daarop niet gebleken. Voor een veroordeling van [gedaagde] als door [eiser] gevorderd, bestaat daarom geen grond. De vordering zal worden afgewezen.

De (juridische) kosten

Tenslotte twisten partijen over de vraag of de door [eiser] gemaakte (juridische) kosten ten laste van de boedel moeten komen. Uit het testament volgt dat de door een executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten voor rekening van de erfgenamen moeten komen. Tot de taken van de executeur behoren volgens het testament onder andere het beheer van de goederen van de nalatenschap en de verkoop van de goederen van de nalatenschap, wanneer dit voor de betaling van de erfbelasting of andere schulden nodig mocht zijn. Aan de executeurs is bij testament niet de bevoegdheid gegeven om de nalatenschap te vereffenen.

De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat de kosten van de door hem geïnitieerde taxatie ten laste van de boedel dienen te komen. Gesteld, noch gebleken is dat [eiser] de taxatie moest uitvoeren in het kader van het beheer van de nalatenschap. Het standpunt dat de in maart 2025 verrichte taxatie, en een daarop volgende verkoop van de onroerende goederen, nodig was om de (erf)belasting of andere schulden te voldoen, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft [eiser] aangevoerd dat hij gehouden was de onroerende goederen te taxeren en te verkopen omdat hij in nabije toekomst een forse aanslag erfbelasting verwacht, maar dat er in maart 2025 al een noodzaak tot verkoop bestond heeft [gedaagde] op zijn beurt gemotiveerd weersproken. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij nog geen aanslag had ontvangen. Ook zou er volgens hem sprake zijn van bepaalde (fiscale) vrijstellingen, waardoor de aanslag mogelijk ook uit andere middelen zou kunnen worden voldaan. Gelet op deze betwisting heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat verkoop van het onroerende goed op het moment dat hij de taxatie verrichte, in maart 2025, nodig was om belastingen te voldoen.

Dat een verkoop, en dus taxatie, van de onroerende goederen in maart 2025 nodig was om andere schulden van de nalatenschap te voldoen, is evenmin komen vast te staan. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij genoodzaakt was om de onroerende goederen in maart 2025 te laten taxeren omdat de vaste lasten doorliepen, terwijl het banksaldo richting de nul ging. In de dagvaarding zelf schrijf [eiser] echter, zonder dat [gedaagde] dit weersproken heeft, dat er ten tijde van de dagvaarding, in juli 2025, nog sprake was van een positief banksaldo van € 10.407,09. Bovendien is tijdens de zitting is gebleken dat de woning en landerijen niet bezwaard zijn met een hypotheek. Dat er in maart 2025 sprake was van zodanige schulden dat dit een taxatie en daaropvolgende verkoop rechtvaardigde, komt gelet hierop niet vast te staan. Onder deze omstandigheden bestaat onvoldoende grond om de kosten van de taxatie ten laste van de boedel te brengen.

Hetzelfde geldt voor de door [eiser] gemaakte advocaatkosten. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij deze kosten heeft gemaakt in het kader van zijn taakuitoefening als executeur, maar hij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , heeft [eiser] onvoldoende toegelicht dat de inschakeling van een advocaat noodzakelijk was voor de uitvoering van zijn taken als executeur. Uit de stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht, volgt namelijk dat de advocaat betrokken is geraakt in het kader van het tussen partijen bestaande geschil over de afwikkeling en verdeling van de nalatenschap. De verdeling van de nalatenschap behoort niet tot de taken van de executeur. De vordering onder 4.1.4 zal dus worden afgewezen.

Proceskosten

Partijen zijn familie van elkaar (broers). De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Samengevat

De rechtbank zal het onder 4.1.2 tot en met 4.1.5 gevorderde afwijzen. De rechtbank zal deze beslissingen aan het einde van dit tussenvonnis opnemen. Daarmee is de procedure bij de afdeling civiel van de rechtbank afgerond. Voor het overige, namelijk het onder 4.1.1 en 4.1.6 tot en met 4.1.8 gevorderde, wordt de procedure verwezen naar de kantonrechter.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst het onder 4.1.2 tot en met 4.1.5 gevorderde af,

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verwijst het onder 4.1.1 en 4.1.6 tot en met 4.1.8 door [eiser] gevorderde ter verdere behandeling en afdoening naar de verzoekschriftprocedure voor de kantonrechter,

beveelt dat [eiser] op zijn kosten overgaat tot aanpassing van het inleidende processtuk naar een verzoekschrift ten aanzien van de onder 6.3 genoemde onderdelen binnen een termijn van vier weken, dus uiterlijk op 23 september 2026,

beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt ten aanzien van de onder 6.3 genoemde onderdelen zal worden voortgezet bij de kantonrechter volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,

stelt [eiser] in de gelegenheid zijn stellingen zo nodig aan te passen op de voor de verzoekschriftprocedure toepasselijke procesregels,

houdt iedere verdere beslissingen ten aanzien van de onder 6.3 genoemde onderdelen aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand