RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-047189-26 (P)
Datum vonnis: 1 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1984 in [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven aan de [adres] ,
nu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Benaskar, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer] , [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , door mr. S. Vermeulen is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 18 augustus 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in Heeten:
feit 1: op 14 februari 2026 heeft geprobeerd [slachtoffer] dood te maken door met een hand haar keel of hals vast te grijpen en dicht te knijpen en met een hand de mond dicht te drukken (primair), dan wel heeft geprobeerd om die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), dan wel die [slachtoffer] heeft mishandeld (meer subsidiair);
feit 2: op 14 februari 2026 [slachtoffer] heeft mishandeld door op haar te zitten en haar te slaan;
feit 3: op 13 februari 2026 [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen haar leven gericht en/of met zware mishandeling.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 14 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] bij de keel en/of de hals heeft gegrepen en/of heeft vastgehouden,
- de keel en/of de hals van die [slachtoffer] dicht heeft gedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen heeft gehouden, en/of
- (daarbij) zijn hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of
subsidiair
hij op of omstreeks 14 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer] bij de keel en/of de hals heeft gegrepen en/of heeft vastgehouden,
- de keel en/of hals van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen heeft gehouden, en/of
- (daarbij) zijn hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of gedrukt,
meer subsidiair
hij op of omstreeks 14 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte [slachtoffer] , heeft mishandeld, door,
- die [slachtoffer] bij de keel en/of de hals te grijpen en/of vast te houden,
- de keel en/of de hals van die [slachtoffer] dicht te drukken en/of dicht te knijpen en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen te houden, en/of
- (daarbij) zijn hand op de mond van die [slachtoffer] te houden en/of te drukken,
feit 2
hij op of omstreeks 14 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
- op die [slachtoffer] te zitten, en/of
- een of meerdere malen op het gezicht en/of tegen de rug en/of tegen de benen en/of de billen, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
feit 3
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] (indirect) dreigend de woorden toe te voegen
-“Kom haar meenemen of doden. Doe wat je wilt. Het maakt mij niet meer uit.”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- “Als jullie wisten dat jullie dochter een hoer was, dan hadden jullie haar daar moeten doden of vermoorden”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.
De aangifte van [slachtoffer]
(hierna: aangeefster) heeft op 14 februari 2026 aangifte gedaan tegen verdachte van mishandeling en bedreiging met de dood. Aangeefster was met haar drie kinderen en verdachte in hun woning. Verdachte kwam de slaapkamer in, ging op haar te zitten en begon haar te slaan. Hij sloeg haar heel vaak. Hij raakte haar zowel met zijn vuist als met zijn platte hand in haar gezicht, op haar bovenlip en op haar linkerwang. Zij voelde daarbij een scherpe pijn ontstaan. Ook raakte hij haar op haar rug en beide benen en greep hij met een hand haar keel dicht. Zijn andere hand hield hij op haar mond, zodat zij geen geluid kon maken. Zij voelde zich duizelig worden en kreeg het gevoel dat hij haar wilde doden. Om los te komen uit zijn greep beet zij hem in zijn hand.
Bevindingen letsel door verbalisant
De verbalisant die ter plaatse kwam zag bij aangeefster een rood hoofd, dikke opgezwollen lippen, striemen op de rechterbovenarm, rode schaafplekken op de nek, rode striemen op een borst en striemen op het bovenbeen en de bil.
De letselrapportage namens het LOEF
L. van den Berg, forensisch arts KNMG, heeft op 15 februari 2026 bij het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van niet-fatale strangulatie (FMO-NFS).
Tijdens dit onderzoek werd vastgesteld dat uitwendig sprake was van:
- een zwelling op de linkerbovenzijde van de behaarde hoofdhuid;
- bloeduitstortingen op de oogleden van het linkeroog, op de rechterwang, op de binnenzijde van de bovenlip, aan beide zijden van de hals, op beide boven- en onderarmarmen;
- een krasletsel op de achterzijde van de rechter bovenarm.
Bij de aanvullende visualisatietechnieken is geconstateerd dat sprake was van:
- geen afwijkingen op de netvliesfoto’s;
- roodheid van beide bekerkraakbeentjes in de keelholte;
- op de MRI-scan werd vocht in de huid en in de onderhuidse wekedelen ter plaatse van
de rechterwang en een diepe zwelling, met daarbij bloedproducten in de kauwspier links gezien.
De letselinterpretatierapportage namens het LOEF
G. Reijnen, forensisch arts KNMG, is namens het LOEF benoemd tot deskundige en heeft onderzoek verricht naar het letsel en de ernst hiervan.
Reijnen heeft beschreven dat op de wang twee uitwendige bloeduitstortingen zichtbaar waren, waarbij inwendig ter hoogte van de bovenste bloeduitstorting ook een onderhuidse zwelling op de MRI zichtbaar was. Aan de binnenzijde van de bovenlip links was een genezende (gezien de korstvorming) slijmvliesbeschadiging zichtbaar. De beschreven letsels kunnen ontstaan door afzonderlijke stomp botsende krachtsinwerkingen, maar ook door een samendrukkende krachtsinwerking waarbij de mond kan zijn afgesloten. De bloeduitstortingen op de oogleden van het linkeroog kunnen ontstaan door een stomp botsende krachtsinwerking, maar kunnen ook ontstaan ten gevolge van stuwing door een samendrukkende kracht op de hals. De vorm en locatie van de bloeduitstortingen op de rechter bovenarm zouden kunnen passen bij fingertip bruises. Dit is een vorm van patroonletsel wat gezien wordt bij het hard knijpen in een lichaamsdeel, waarbij de bloeduitstortingen ontstaan door de vingers van de hand waarmee geknepen wordt. Daarnaast waren in de hals aan de linkerzijde twee bloeduitstortingen aanwezig. De bloeduitstortingen aan de linkerzijde zijn vlekkerig van aspect en bevinden zich op twee (dicht bij elkaar gelegen) locaties. Deze karakteristieken kunnen ontstaan bij een samendrukkende kracht op de hals of door het samendrukken van de huid (bijvoorbeeld knijpen).
Reijnen heeft verder beschreven dat de ernst van het letsel, bloeduitstortingen van de huid, onderhuidse zwellingen en krasletsel, wordt geclassificeerd als ‘licht’ letsel (AIS-score = 1). Het daadwerkelijke opgetreden letsel is niet levensbedreigend geweest. De bloeduitstortingen aan de linkerzijde van de hals kunnen ontstaan ten gevolge van een samendrukkende kracht op de hals. De bloeduitstortingen rondom het linkeroog kunnen ontstaan door een stomp botsende krachtsinwerking maar ook door stuwing in het hoofd ten gevolge van een samendrukkende kracht op de hals.
De letsels die zijn vastgesteld zijn waarschijnlijker onder hypothese H1: (de letsels en/of afwijkingen zijn het gevolg van grijpen en/of dichthouden van de keel (naar aanleiding van de verklaring van het slachtoffer)), dan onder hypothese H2: (de letsels en/of afwijkingen zijn het gevolg van slaan en/of krabben door verdachte in/tegen de hals (naar aanleiding van de verklaring van verdachte bij de politie en het standpunt van de verdediging bij de rechter-commissaris).
Concluderend zijn er letsels bij aangeefster die verklaard kunnen worden door een samendrukkende kracht op de hals. Indien wordt uitgegaan van het scenario van verwurging dan kan deze handeling op basis van de letsels, met in achtneming van de beperkingen van deze studie, geclassificeerd worden als matige verwurging (categorie 2). Dit is mogelijk levensbedreigend.
Het gevaar van de handeling strangulatie, gedefinieerd als samendrukkend geweld uitgeoefend door een derde op de hals, bestaat uit het optreden van zuurstoftekort. Dit kan via twee mechanismes optreden; namelijk door het dichtdrukken van de bloedvaten of het dichtdrukken van de ademweg. Bij het uitoefenen van deze handeling kan letsel optreden (zoals bloeduitstortingen, inwendig letsel en/of krasletsel). Dit letsel op zichzelf is niet levensbedreigend, maar de kans op zuurstoftekort is groter naarmate de uitgeoefende kracht op de hals groter is of langer duurt. Indien het zuurstoftekort niet tijdig wordt opgeheven, leidt dit tot bewustzijnsverlies en uiteindelijk tot de dood. Het kritieke punt waarop verwurging levensbedreigend wordt, is niet precies vast te stellen, net zoals de exacte duur dat een verwurging moet worden aangehouden na bewusteloosheid om het punt zonder spontaan herstel van het bewustzijn en de ademhaling te bereiken. Zonder medisch ingrijpen leidt deze situatie tot de dood. De ernst van de niet-fatale verwurging bij aangeefster kan op basis van de letsels geclassificeerd worden als matige verwurging (Plattner’s classificatie klasse 2). Dit is mogelijk levensbedreigend. Het daadwerkelijk opgetreden letsel is niet levensbedreigend geweest. De Plattnerclassificatie moet volgens het rapport met voorzichtigheid worden benaderd.
De rechtbank heeft Reijnen ter zitting van 18 augustus 2026 als deskundige gehoord. Reijnen heeft in aanvulling op zijn deskundigenrapport over het risico van verwurging toegelicht dat bij vrijwel alle gevallen van verwurging licht letsel optreedt. In zoverre wijkt dit af van bijvoorbeeld een steekincident of een schietpartij. Het komt zelfs voor dat slachtoffers die komen te overlijden aan verwurging geen zichtbaar letsel hebben. Bij licht letsel durft de deskundige dan ook niet te zeggen dat het niet gevaarlijk kan zijn. De blauwe plek die is geconstateerd in de hals ontstaat niet zomaar omdat een blauwe plek ontstaat doordat weefsel samen wordt gedrukt, bijvoorbeeld tegen bot. In de hals zijn geen botten aan de voorzijde aanwezig en is alles heel flexibel. Daarom ontstaat daar niet zomaar een blauwe plek en is een bepaalde (kracht)inspanning vereist.
De slijmvliesbeschadiging in de mond moet zijn ontstaan door een serieuze krachtwerking. Dit kan plaatsvinden door bijvoorbeeld een hand krachtig op de mond te drukken of een vuistslag op de tandenrij. Bloeduitstortingen bij het oog kunnen zowel ontstaan door stompe krachtinwerking direct op het oog, maar ook door stuwing door een samendrukkende kracht op de hals. Wel is het zo dat bij een bloeduitstorting als gevolg van een vuistslag eerder een bloeding van de oogkas zou zijn zien en dat is in deze zaak niet prominent aanwezig.
Dat het letsel mogelijk levensbedreigend is geweest, betekent dat de geweldshandeling, in het geval van verwurging, niet zonder risico is geweest. Bij een samendrukking waardoor de functies van de hals, luchtstroming naar longen en bloeddoorstroming naar hersenen, onderbroken zijn geweest, kan dat mogelijk tot de dood leiden. Het is niet vast te stellen wanneer het kantelpunt tot de dood is bereikt. In het algemeen is bij een wurghandeling geen duur bekend waarmee de hals veilig kan worden dichtgedrukt. Het eventueel smoren van de mond door een hand op de mond te houden, belemmert het zuigen van lucht naar de longen wat niet positief zal bijdragen aan verwurging. Op basis van eerder gedane onderzoeken van de deskundige naar slachtoffers van verwurging, waaronder 300 slachtoffers het afgelopen jaar, is de combinatie van letsel en eventuele grijpsporen op de bovenarm, één van de ernstigere gevallen wanneer sprake zou zijn van verwurging.
Overwegingen en oordeel
De betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van aangeefster gedetailleerd en consistent. Ook heeft verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris en op de terechtzitting verklaard dat onderdelen van de aangifte juist zijn. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door aangeefster afgelegde verklaring op concrete onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, zoals het proces-verbaal van bevindingen als hiervoor vermeld. Ook past het door de forensisch arts omgeschreven letsel bij de geweldshandelingen die aangeefster heeft omschreven.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte betrouwbaar en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.
De rechtbank stelt op basis van de hierboven uiteengezette feiten en omstandigheden vast dat verdachte op 14 februari 2026 zijn echtgenote, aangeefster, terwijl hij boven op haar zat, op enig moment met zijn ene hand heeft vastgepakt bij de keel, de andere hand op de mond heeft gedaan en vervolgens zijn hand om haar keel heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft verricht.
Gelet op het feit dat verdachte door aangeefster bij de keel of hals vast te pakken en dit heeft dicht geknepen waardoor aangeefster zich duizelig begon te voelen, bloeduitstortingen zijn ontstaan en blauwe plekken zijn achtergebleven in de hals en bovenarm, en tegelijkertijd met zodanige kracht de mond heeft gesmoord waardoor een slijmvliesbeschadiging is ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat de kans op het overlijden van aangeefster aanmerkelijk moet zijn geweest.
Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat aangeefster in de duim van verdachte heeft gebeten om los te komen terwijl hij de geweldshandelingen aan het verrichten was. Dit wijst erop dat verdachte pas is gestopt nadat dit zich heeft voorgedaan. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen dat sprake is van vol opzet, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
Verdachte heeft bekend dat hij het onder feit 2 ten laste gelegde heeft gepleegd. Tijdens de zitting is door verdachte of zijn raadsvrouw ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2026, pagina’s 7 tot en met 9;
het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 augustus 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde
De ten laste gelegde uitlatingen
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 13 februari 2026 de onder feit 3 ten laste gelegde uitlatingen heeft gedaan en dat aangeefster hiervan op de hoogte is geraakt. Zowel verdachte als de aangeefster hebben hierover verklaard. De rechtbank stelt op basis van de onderstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte de ten laste gelegde uitlatingen heeft gedaan:
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2026, pagina’s 7 tot en met 9;
het proces-verbaal van bevindingen van 14 februari 2026, pagina’s 29 en 30;
het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 augustus 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
(Voorwaardelijk) opzet op bedreiging aangeefster
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door het verzenden van deze spraakberichten met de ten laste gelegde uitlatingen naar familieleden evident de bedoeling heeft gehad om aangeefster angst aan te jagen. De verklaring van verdachte dat hij het niet zo heeft bedoeld, strookt niet met de hierboven beschreven context. De rechtbank betrekt hierbij ook de onder feit 1 primair bewezen verklaarde verwurgingshandelingen die een dag na deze spraakberichten hebben plaatsgevonden.
De bedreiging is van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij aangeefster redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De ten laste gelegde bewoordingen resulteren in een (indirecte) bedreiging van aangeefster met enig misdrijf tegen het leven gericht.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 primair
hij op 14 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] bij de keel en/of de hals heeft gegrepen en heeft vastgehouden,
- de keel en/of de hals van die [slachtoffer] dicht heeft gedrukt en dichtgeknepen en dichtgedrukt en dichtgeknepen heeft gehouden, en
- (daarbij) zijn hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gehouden en gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op 14 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
- op die [slachtoffer] te zitten, en
- meerdere malen op het gezicht en tegen de rug en tegen de benen en billen van die [slachtoffer] te slaan, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
feit 3
hij op 13 februari 2026 te Heeten, gemeente Raalte, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] (indirect) dreigend de woorden toe te voegen
-“Kom haar meenemen of doden. Doe wat je wilt. Het maakt mij niet meer uit.”,
en
- “Als jullie wisten dat jullie dochter een hoer was, dan hadden jullie haar daar moeten doden of vermoorden”.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 primair
het misdrijf: poging doodslag;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van de 38v Sr maatregel, bestaande uit een contactverbod met aangeefster en de drie kinderen voor de duur van drie jaren. Bij elke overtreding moet verdachte een week in voorlopige hechtenis. Deze maatregel moet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 13 en 14 februari 2026 schuldig gemaakt aan in totaal drie strafbare feiten tegen aangeefster, destijds zijn echtgenote. Verdachte heeft aangeefster geprobeerd te doden door haar te verwurgen en tegelijkertijd haar mond te smoren. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan een mishandeling door op aangeefster te gaan zitten en haar te slaan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij deze feiten heeft begaan tegen zijn echtgenote en dat de mishandelingen plaats hebben gevonden in hun woning. Men hoort zich bij uitstek veilig en vertrouwd te kunnen voelen bij hun levenspartner en in hun eigen woning. Slachtoffers van mishandeling in de huiselijke sfeer ervaren als gevolg van wat hun is aangedaan vaak nog voor langere tijd gevoelens van onveiligheid en angst. De omstandigheid dat de mishandelingen bovendien hebben plaatsgevonden terwijl hun drie kinderen ook in de woning waren, rekent de rechtbank verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte aangeefster bedreigd met de dood door bedreigende spraakberichten te verzenden naar zijn familie, en in het verlengde daarvan ook de familie van aangeefster.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 3 april 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de inhoud van de reclasseringsrapporten van 16 februari en 16 juli 2026. De reclassering heeft in de rapporten beschreven dat verdachte een 42-jarige man is uit Syrië die inmiddels een jaar in Nederland is en tot aan de bewezen verklaarde feiten heeft samengewoond met zijn echtgenote, aangeefster, en hun drie minderjarige kinderen. Zij zijn tien jaren lang gehuwd geweest. Ze gaan nu scheiden.
De reclassering schat het risico op recidive en het risico op letsel in als hoog zolang het ontbreekt aan het cruciale besef dat het handelen vanuit traditionele erecodes en zijn eigen culturele achtergrond in strijd is met de Nederlandse wet- en regelgeving. Het risico op hernieuwd geweld blijft onverminderd hoog.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met voorwaarden (interventies of toezicht) de risico’s te beperken en/of het gedrag van verdachte te veranderen.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij voornemens is de wettelijke scheiding via zijn advocaat definitief te laten maken. Hij wil voor de kinderen een goede omgangsregeling bewerkstelligen.
De strafoplegging
De gevangenisstraf
De rechtbank houdt naast wat zij hiervoor heeft overwogen bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd.
Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de poging doodslag kent de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten.
De rechtbank houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat verdachte slechts voor een beperkt deel zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris en op de terechtzitting bagatelliseert verdachte namelijk zijn eigen gedrag en legt hij de schuld consequent bij aangeefster neer.
Vanwege de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals hiervoor omschreven, kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.
De rechtbank vindt, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
De op te leggen maatregel
Tot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met:
• [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2] ;
• [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 3] ;
• [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 4] 2019 te [geboorteplaats 4] ;
• [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 5] 2022 te [geboorteplaats 5] .
Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie geldt dit contactverbod voor de duur van drie jaren. Iedere overtreding van het contactverbod levert een week hechtenis op, met een maximum van zes maanden.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de artikel 38v Sr maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7. De schade van de benadeelde
De vorderingen van de benadeelde partijen
Als gemachtigde van de benadeelde partijen heeft mr. S. Vermeulen zich namens [slachtoffer] en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , en [minderjarige 3] (hierna de minderjarigen) in dit strafproces gevoegd. Zij vordert verdachte te veroordelen om ten aanzien van [slachtoffer] € 19.320,-- aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit € 620,62 materiële schade en € 18.700,-- immateriële schade, en voor de minderjarigen € 15.000,--, te weten € 5.000,-- per minderjarige, aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade van [slachtoffer] bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico 2026: € 235,62;
- eigen risico 2027: € 385,--.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verzochte schadevergoeding van [slachtoffer] toewijsbaar is tot een bedrag van € 235,62 aan materiële schade en € 18.700,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het overige moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
De namens de minderjarigen verzochte schadevergoedingen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en het een onevenredige belasting van het strafproces oplevert als de benadeelde partijen in de gelegenheid worden gesteld om de vorderingen nader te onderbouwen. Subsidiair moeten de toe te wijzen bedragen worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [slachtoffer]
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De materiële schade
De opgevoerde materiële schadepost ‘Eigen risico 2027: € 385,--‘, betreft toekomstige schade. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat deze gevorderde toekomstige schade daadwerkelijk zal worden geleden. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadepost ‘Eigen risico 2026: € 235,62’ voldoende is onderbouwd is. De gevorderde materiële schadepost is dus toewijsbaar voor een bedrag van € 235,62,--.
De immateriële schade
Op basis van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. In dit geval is sprake van lichamelijk letsel, zoals uitvoerig uiteen is gezet tijdens de beoordeling van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde. Om die reden kan zij reeds aanspraak maken op smartengeld. Daarnaast is de rechtbank, gelet op wat de rechtbank eerder in dit vonnis in de bewijsmotivering en de strafmotivering heeft vastgesteld over de aard van het handelen van verdachte waarvan de benadeelde het slachtoffer is geworden en ook de omstandigheden waaronder verdachte dat heeft gedaan, van oordeel dat de aard en de ernst van door verdachte begane normschendingen en de gevolgen daarvan voor de benadeelde in dit geval onmiskenbaar met zich brengen dat de benadeelde op andere wijze in haar persoon is aangetast.
De rechtbank stelt daartoe vast dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte een zeer ingrijpende ervaring is geweest waarvan zij nadeel heeft ondervonden en tot op heden nog steeds nadeel ondervindt, zoals is gebleken uit de schriftelijke en mondelinge toelichting op de vordering en uit de slachtofferverklaring.
De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de in de Rotterdamse schaal vermelde bedragen (een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen). De rechtbank zoekt wat betreft de bewezen verklaarde poging tot doodslag, mishandeling en bedreiging aansluiting bij de onder 14.2 PTSS onder geestelijk letsel genoemde categorie “ernstig”. Naar het oordeel van de rechtbank is een bedrag van € 15.000,-- aan smartengeld billijk.
De rechtbank zal, op basis van het voorgaande, de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding vaststellen op een bedrag van € 15.235,62, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 13 februari 2026. De benadeelde partij wordt in de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover die benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan als dwangmiddel gijzeling worden toegepast. De rechtbank zal bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling vaststellen op 101 dagen. Het toepassen van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De benadeelde partijen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat onvoldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte en de namens de minderjarigen gestelde schade om te kunnen aannemen dat de minderjarigen door dit handelen rechtstreekse schade zijn toegebracht. Uit het dossier volgt niet dat zij getuige zijn geweest van de bewezen verklaarde handelingen. Daarom zal de rechtbank de vorderingen van de minderjarigen niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat de gemachtigde de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de 38w en 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair
het misdrijf: poging doodslag;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;
- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met:
• [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2] ;
• [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 3] ;
• [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 4] 2019 te [geboorteplaats 4] ;
• [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 5] 2022 te [geboorteplaats 5] ;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 1 (een) week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 15.235,62 (vijftienduizendtweehonderdenvijfendertig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 15.235,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2026;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ten aanzien van het bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 15.235,62 (vijftienduizendtweehonderdenvijfendertig euro en tweeënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2026, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 101 (honderd en een) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van de benadeelde partijen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
- bepaalt dat de benadeelde partijen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het geheel niet-ontvankelijk zijn in de vordering en dat de benadeelde partijen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen, die ten aanzien van deze vordering zijn gemaakt;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Struik en F. Dussel MSc, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
Buiten staat
De eerste griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.