ECLI:NL:RBOVE:2026:5332

ECLI:NL:RBOVE:2026:5332

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer C/08/323288 / HA ZA 24-417
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling na een faillissement.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/323288 / HA ZA 24-417

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

1. [partij A] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij A] ,

advocaat: mr. L. Meijerink,

2. MR. F. KOLKMAN Q.Q., in de hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gefailleerde bedrijf] B.V.,

kantoorhoudend in Almelo,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. F. Kolkman,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WLM HOLDING DE LUTTE B.V.,

gevestigd in Losser,

hierna te noemen: WLM Holding,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WLM VASTGOED EN MANAGEMENT B.V.,

gevestigd in Losser,

hierna te noemen: WLM Vastgoed,

3. 3. [partij B] ,

wonend in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: [partij B] ,

gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie

hierna samen te noemen: gedaagden,

advocaat: mr. M.A. Kerkdijk.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, die is betekend op 16 oktober 2024, met 41 producties (die zijn overgelegd bij akte van 30 oktober 2024),

- de conclusie van antwoord in conventie, met eis in reconventie, gedateerd 19 november 2025, met 18 producties,

- de brief van de rechtbank waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van [partij A] , gedateerd 25 februari 2026, met producties 42 tot en met 50,

- de conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van de curator, met wijziging van eis, gedateerd 25 februari 2026, met 5 producties,

- de akte van gedaagden, gedateerd 7 mei 2026, waarbij de producties 19 tot en met 26 zijn overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling,

- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de spreekaantekeningen namens de curator, door mr. Kolkman voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van 7 mei 2026,

- de spreekaantekeningen namens gedaagden, door mr. Kerkdijk voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van 7 mei 2026.

Aansluitend is vonnis bepaald.

2. Waar gaat de zaak over?

Deze zaak speelt tussen [partij A] , bestuurder van de gefailleerde vennootschap [gefailleerde bedrijf] en de curator van [gefailleerde bedrijf] enerzijds, en WLM Vastgoed, WLM Vastgoed en [partij B] anderzijds. [partij B] heeft, via zijn persoonlijke vennootschap WLM Vastgoed, op basis van een overeenkomst van opdracht (voorafgaand aan het faillissement) werkzaamheden verricht ten behoeve van [gefailleerde bedrijf] en ook anderszins diensten geleverd aan [gefailleerde bedrijf] . Er zijn door WLM Vastgoed forse bedragen gedeclareerd bij [gefailleerde bedrijf] , die grotendeels door [gefailleerde bedrijf] zijn betaald. In conventie vordert de curator bedragen terug van WLM Vastgoed, deels uit hoofde van onverschuldigde betaling en deels ten titel van schadevergoeding. In reconventie vordert WLM Vastgoed een verklaring voor recht dat zij nog een substantieel bedrag te vorderen heeft van [gefailleerde bedrijf] . De vorderingen in conventie van de curator worden deels toegewezen. De vordering in reconventie wordt afgewezen. De vordering van [partij A] in conventie wordt volledig afgewezen.

3. De feiten

Op 3 april 2023 is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tussen [gefailleerde bedrijf] en de vennootschap WLM Vastgoed & Bouwmanagement B.V. Op grond van die overeenkomst heeft [partij B] , de natuurlijk persoon achter WLM Vastgoed, werkzaamheden verricht ten behoeve van [gefailleerde bedrijf] . De werkzaamheden bestonden volgens de overeenkomst van opdracht uit het verrichten van werkvoorbereiding en het dragen van financiële, technische en kwalitatieve verantwoording over de onderhanden projecten ten behoeve van [gefailleerde bedrijf] . [partij A] was op 3 april 2023 bestuurder van [gefailleerde bedrijf] .

[partij B] verrichtte al vóór de totstandkoming van de overeenkomst op 3 april 2023 werkzaamheden ten behoeve van [gefailleerde bedrijf] , op basis van een detacheringsovereenkomst tussen [gefailleerde bedrijf] en een vennootschap waar [partij B] op dat moment op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was. Feitelijk heeft [partij B] vanaf februari/maart 2022 werkzaamheden verricht ten behoeve van [gefailleerde bedrijf] .

Op 15 februari 2004 is een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen, met als partijen WLM Vastgoed, [gefailleerde bedrijf] en [partij A] (hierna: ‘Overeenkomst van Geldlening 1’). In artikel 1.2 Overeenkomst van Geldlening 1 staat – voor zover van belang – het volgende:

“Met de ondertekening van deze overeenkomst bevestigen de schuldenaren [dat zijn volgens deze overeenkomst: [gefailleerde bedrijf] en [partij A] , rechtbank] dat [gefailleerde bedrijf] per 9 februari 2024 per saldo een bedrag van € 183.221,39 (…) verschuldigd is aan WLM.”

Op 10 augustus 2024 is wederom een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen, tussen dezelfde partijen (hierna: ‘Overeenkomst van Geldlening 2’). In artikel 1.2 Overeenkomst van Geldlening 2 staat – voor zover van belang – het volgende:

“Met de ondertekening van deze overeenkomst bevestigen de schuldenaren [dat zijn volgens deze overeenkomst: [gefailleerde bedrijf] en [partij A] ] dat [gefailleerde bedrijf] per 9 februari 2024 per saldo een bedrag van € 138.900,28 (…) verschuldigd is aan WLM.”

In de artikelen 8.1 en 8.3 van zowel Overeenkomst van Geldlening 1 als Overeenkomst van Geldlening 2, staat het volgende:

“8.1 [gefailleerde bedrijf] geeft WLM een pandrecht ter zekerheid van alle huidige en toekomstige schulden van de schuldenaar uit welke rechtsverhouding dan ook.

Het pandrecht wordt gevestigd door opname in een notariële akte, te ondertekenen door partijen binnen 30 dagen na ondertekening van deze overeenkomst.”

Op 6 maart 2024 heeft [partij A] namens zichzelf en namens [gefailleerde bedrijf] een recht van hypotheek verleend aan WLM Vastgoed op haar woonhuis, de bedrijfsruime en een perceel landbouwgrond. Op 28 augustus 2024 is opnieuw een recht van hypotheek verleend aan WLM Vastgoed, op de bedrijfsruimte van [gefailleerde bedrijf] .

Begin september 2024 is de werkrelatie tussen [gefailleerde bedrijf] en [partij B] beëindigd, op initiatief van [gefailleerde bedrijf] .

Bij exploot van 16 oktober 2024 zijn WLM Holding, WLM Vastgoed en [partij B] gedagvaard in de onderhavige procedure. De eisende partijen zijn [partij A] en [gefailleerde bedrijf] .

Op 6 november 2024 is [gefailleerde bedrijf] in staat van faillissement verklaard. De door [gefailleerde bedrijf] gestarte procedure is vervolgens door de curator voortgezet namens de gezamenlijke schuldeisers van [gefailleerde bedrijf] .

4. Het geschil

in conventie

Vordering [partij A]

vordert – samengevat weergegeven – onder meer het volgende:

( i) een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade, waarvan de omvang moet worden bepaald in een schadestaatprocedure,

( ii) een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot de verkoop van inventaris/rijdend materieel rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans dat de rechtbank deze vernietigt,

( iii) een verklaring voor recht dat Overeenkomst van Geldlening 1 en Overeenkomst van Geldlening 2 rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze vernietigt,

( iv) een veroordeling van WLM Vastgoed om medewerking te verlenen aan de doorhaling van hypotheken die zijn verbonden aan de Overeenkomsten van Geldlening 1 en 2, op straffe van een dwangsom.

Vordering curator

De curator vordert (na eiswijziging) – samengevat weergegeven – het volgende:

( i) een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot de verkoop van inventaris/rijdend materieel rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans dat de rechtbank deze vernietigt,

( ii) een verklaring voor recht dat de vestiging van de pandrechten door gedaagden rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans dat de rechtbank deze vernietigt,

( iii) gedaagden te veroordelen om aan de boedel te voldoen een bedrag van € 475.223,32, te vermeerderen met rente,

( iv) [partij B] te veroordelen om aan de boedel te voldoen een bedrag van € 15.113,87, te vermeerderen met rente.

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van zowel [partij A] als de curator.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

Gedaagden vorderen in reconventie – samengevat weergegeven – een verklaring voor recht dat de vordering van WLM Vastgoed op [partij A] en [gefailleerde bedrijf] € 170.762,32 bedraagt, te vermeerderen met contractuele rente en wettelijke rente.

[partij A] en de curator voeren beiden verweer in reconventie en concluderen tot afwijzing van de vordering van gedaagden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De rechtbank ziet aanleiding om eerst de vordering van de curator in conventie en aansluitend de reconventionele vordering van gedaagden te behandelen. Ten slotte volgt de behandeling van de vordering van [partij A] in conventie.

in conventie

Verklaring voor recht vernietiging koopovereenkomst inventaris/rijdend materieel (vordering I)

Deze vordering van de curator hangt samen met een koopovereenkomst die tot stand zou zijn gekomen tussen WLM Vastgoed en [gefailleerde bedrijf] , op grond waarvan [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed heeft verkocht de inventaris en rijdend materieel van het bouwbedrijf, voor een bedrag van € 24.525,00 exclusief btw. De curator vordert een verklaring voor recht dat deze koopovereenkomst bij brief van 13 december 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd. Subsidiair verzoekt de curator de rechtbank om de overeenkomst te vernietigen. De curator legt aan zijn beroep op vernietiging het standpunt ten grondslag dat de koopovereenkomst ter zake de inventaris/rijdend materieel moet worden aangemerkt als paulianeus in de zin van artikel 42 Faillisementswet.

De curator neemt echter tegelijkertijd (en primair) het standpunt in dat een koopovereenkomst met betrekking tot de inventaris/rijdend materieel nooit tot stand is gekomen, omdat hij een dergelijke overeenkomst niet in de administratie van [gefailleerde bedrijf] heeft aangetroffen.

Gedaagden betogen dat de koopovereenkomst ter zake de inventaris/rijdend materieel wel degelijk tot stand is gekomen en dat het geen paulianeuze rechtshandeling betrof. Gedaagden stellen dat [gefailleerde bedrijf] een factuur heeft gestuurd ten aanzien van de koopovereenkomst, waarna de daarmee corresponderende betalingsverplichting van WLM Vastgoed teniet zou zijn gegaan door verrekening.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De rechtbank constateert dat geen van de partijen een schriftelijke overeenkomst heeft overgelegd waaruit de verkoop van inventaris/rijdend materieel blijkt.

Ook uit de e-mailwisseling van januari 2024 tussen partijen en de accountant en financieel/juridisch adviseur (productie 4 bij conclusie van antwoord), kan geen totstandkoming van een koopovereenkomst worden afgeleid. De rechtbank komt tot die conclusie op grond van het hiernavolgende.

Uit de e-mailwisseling blijkt dat de accountant partijen adviseert om, nu WLM Vastgoed inmiddels geld heeft overgemaakt aan [gefailleerde bedrijf] en er openstaande facturen zijn, afspraken hierover op papier te zetten. Vanuit [gefailleerde bedrijf] is vervolgens een overzicht van de balanswaarde gemaakt. Na aanpassing daarvan door [partij A] , is de waarde van inventaris (“balanswaarde investeringen”) en transportmiddelen daarbij vastgesteld op € 24.826,00.

Volgens een reactie van [partij B] ontbreekt in deze lijst nog een aantal zaken. Vervolgens doet hij een voorstel. Dit voorstel houdt in dat er een nieuwe BV wordt opgericht door WLM Holding en indien mogelijk [bedrijf 1] . De huidige BV ( [gefailleerde bedrijf] ) krijgt een andere naam en daarin zullen alle kleine opdrachten worden ondergebracht.

WLM Vastgoed koopt de volledige werkplaatsinventaris en vervoersmiddelen en aanhangers. WLM Vastgoed zal de gehele inventaris weer verhuren op papier aan de nieuwe BV. De nieuwe BV zal de grotere winstgevende projecten draaien.

De financieel/juridisch adviseur constateert echter een aantal tegenstrijdigheden in dit voorstel. Onder andere noemt hij:

- (…)

- de schuldpositie bij [gefailleerde bedrijf] maakt dat een directe participatie niet gewenst is;

- de inventaris etc wordt wel overgenomen;

- er moeten nog wel inkomsten gegenereerd worden om schulden te kunnen aflossen in [gefailleerde bedrijf] ;

- hoe moet dan de omzet in [gefailleerde bedrijf] vallen?

- (…).

Volgens gedaagden waren deze bedenkingen de reden dat de ideeën uiteindelijk niet zijn uitgevoerd. Onderdeel van de samenwerking zou ook zijn dat de inventaris zou worden overgenomen en weer aan het bouwbedrijf zou worden (terug)verkocht. Dat onderdeel is volgens gedaagden wel geëffectueerd, ook om beslag door schuldeisers op deze inventaris te voorkomen. De waarde is in overleg tussen partijen vastgesteld. De waarde is zelfs door [partij A] nog enigszins aangepast, aldus gedaagden. Voor de terugverkoop is een factuur gestuurd, die is verrekend met de vorderingen van WLM Vastgoed op [gefailleerde bedrijf] .

Het – door de curator betwiste – standpunt van gedaagden dat de door hen gestelde koopovereenkomst voor de inventaris daadwerkelijk tot stand is gekomen, kan uit de feiten niet worden afgeleid. Integendeel, de door gedaagden gestelde overeenkomst vindt geen steun in deze feiten.

Ten eerste is de reden om de inventaris over te nemen, namelijk de oprichting van een nieuwe BV, weggevallen.

Ten tweede komt de terugverhuurconstructie zoals gedaagden stellen dat is afgesproken, niet overeen met het voorstel. Daarin zou de inventaris etc. immers door de nieuwe BV worden teruggehuurd en niet door [gefailleerde bedrijf] .

Ten derde komt de koopprijs die gedaagden noemen en die door [partij A] nog zou zijn aangepast ook niet overeen met de correspondentie tussen partijen. De lijst die ten grondslag lag aan het idee en door [partij A] nog is aangepast, komt slechts op een heel beperkt aantal onderdelen overeen met de lijst die gedaagden presenteren als taxatie van de inventaris (en waarvan overigens ook niet duidelijk is wanneer die is opgemaakt). Op de lijst van gedaagden komen veel meer items voor, maar wel voor (zo goed als) dezelfde koopprijs (€ 24.525,00 exclusief btw).

Dat de koopprijs verrekend zou zijn is - ten vierde - ook onjuist. In overzichten van openstaande vorderingen die WLM Vastgoed op verschillende momenten in het voorjaar van 2024 heeft gemaakt, komt de koopsom voor de overname van de inventaris telkens apart voor als schuld van [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed.

Ten vijfde maakt het feit dat de factuur voor de inventaris gedateerd is op 28 december 2023 de door gedaagden gestelde gang van zaken te meer onaannemelijk. Op dat moment was er in elk geval nog geen overeenstemming. Bovendien is deze factuur in de hiervoor bedoelde overzichten van openstaande vorderingen, geen enkele keer opgenomen als openstaande factuur. Dat doet vermoeden dat er, in elk geval op dat moment, nog geen factuur was.

De rechtbank komt op grond van al het bovenstaande tot de conclusie dat er geen overeenstemming kan zijn geweest tussen partijen over de door gedaagden gestelde (inhoud van de) koopovereenkomst voor inventaris en transportmiddelen. Er kan derhalve geen koopovereenkomst tot stand zijn gekomen.

Het feit dat [partij A] in haar dagvaarding wel uitgaat van een koopovereenkomst, doet daar niet aan af. Zij is kennelijk uitgegaan van het bestaan daarvan, en heeft een beroep gedaan op vernietiging wegens dwaling.

Nu moet worden aangenomen dat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen,

kan de door de curator gevorderde verklaring voor recht, dat hij die heeft vernietigd, niet worden toegewezen. Ook kan de rechtbank zelf niet overgaan tot de vernietiging van een koopovereenkomst die niet bestaat. Vordering sub I van de curator wordt, bij gebrek aan belang (artikel 3:303 BW), afgewezen.

Verklaring voor recht vernietiging vestiging pandrechten (vordering II)

De curator vordert een verklaring voor recht dat de vestiging van “de pandrechten” door gedaagden rechtsgeldig (door de curator) buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze alsnog vernietigt. In het petitum specificeert de curator niet om welke pandrechten het gaat, maar uit het lichaam van zijn conclusie van antwoord in reconventie valt af te leiden dat de curator het oog heeft op pandrechten waarover tussen WLM Vastgoed, [gefailleerde bedrijf] en [partij A] afspraken zijn gemaakt in Overeenkomst van Geldlening 1 en Overeenkomst van Geldlening 2.

In artikel 8.3 van Overeenkomst van Geldlening 1 en Overeenkomst van Geldlening 2 staat dat een pandrecht (op alle activa van [gefailleerde bedrijf] ) wordt gevestigd door opname in een notariële akte, te ondertekenen door partijen binnen 30 dagen na ondertekening van de overeenkomst van geldlening.

De primaire stelling van de curator is dat een notariële akte als bedoeld in artikel 8.3 van de overeenkomsten van geldlening nooit is gepasseerd en dat de pandrechten daarom nooit zijn gevestigd (conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 47). De rechtbank constateert echter dat zowel in de hypotheekakte van 6 maart 2024 als die van 28 augustus 2024 op pagina 3, onder 5 (laatste alinea) staat:

“Voorts geeft de Hypotheekgever, voor zover nodig nu voor alsdan, aan de Hypotheekhouder in pand, die deze inpandgeving aanneemt, die roerende zaken, die bestemd zijn het onderpand duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen die machinerieën en werktuigen die bestemd zijn om daarmede een bedrijf in het daartoe ingerichte onderpand uit te oefenen. Deze kunnen tezamen met de verhypothekeerde goederen volgens de voor hypotheek geldende regels worden geëxecuteerd.”

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom dit niet als pandakte kan gelden.

Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat er wel rechtsgeldige pandrechten tot stand zijn gekomen, stelt de curator subsidiair dat deze paulianeus zijn. De curator vordert daarom een verklaring voor recht dat de vestiging van de pandrechten rechtsgeldig door hem is vernietigd, althans dat de rechtbank deze vernietigt.

De rechtbank overweegt hierover dat in het midden kan blijven of de pandrechten paulianeus gevestigd zijn, nu gedaagden geen gebruik hebben gemaakt van hun pandrechten en uit het vervolg van dit vonnis zal blijken dat zij ook geen vorderingen meer hebben op [gefailleerde bedrijf] . Zij kunnen dus ook in de toekomst geen gebruik meer maken van de ten behoeve van deze vordering gevestigde pandrechten. De vordering van de curator wordt daarom, bij gebrek aan belang (artikel 3:303 BW), afgewezen.

Veroordeling betaling geldsom € 475.223,32 (vordering III)

De curator vordert onder III een veroordeling tot betaling van gedaagden aan de boedel van een bedrag van € 475.223,32. In randnummer 8 van de conclusie van antwoord heeft de curator deze vordering uitgesplitst in diverse posten. Bij de beoordeling zal de rechtbank die onderverdeling in posten aanhouden.

De juridische grondslag waarop de curator zich beroept, is deels onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) en deels onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW). De rechtbank zal dan ook aan die grondslagen toetsen.

Een deel van de geldvordering van de curator ziet op facturen die door gedaagden aan [gefailleerde bedrijf] zijn gestuurd, maar die niet door [gefailleerde bedrijf] zijn betaald. In die gevallen is niet een (gestelde) onverschuldigde betaling aan de orde, maar een vordering tot nakoming van gedaagden (artikel 3:296 BW), die in reconventie is ingesteld. De bewijslastverdeling kan hierdoor soms genuanceerd anders komen te liggen.

a. Declaraties en facturen werkzaamheden

De stelling van de curator is dat [gefailleerde bedrijf] een bedrag van € 431.620,21 onverschuldigd heeft betaald aan gedaagden, als gevolg van excessief declareren en onjuist factureren van de zijde van WLM Vastgoed. De curator maakt een onderverdeling in drie bedragen:

( i) € 125.652,45 in verband met excessief declareren. De stelling van de curator is dat waar facturen (met specificatie) zijn gestuurd die een werkweek van 40 uur te boven gaan, het gedeelte boven de 40 uur niet hoeft te worden betaald, omdat die niet corresponderen met daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden door [partij B] ;

( ii) € 2.964,50 in verband met een niet overeengekomen uurtarief. De curator stelt dat een uurtarief van € 60,00 is overeengekomen, terwijl op sommige facturen € 75,00 of € 95,00 per uur in rekening is gebracht;

( iii) € 303.003,26 in verband met het ontbreken van specificaties op de facturen. De stelling van de curator is dat, daar waar een specificatie op de factuur ontbreekt, de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd niet door [partij B] zijn verricht.

Het meest verstrekkende verweer van gedaagden betreft een beroep op de klachtplicht (artikel 6:89 BW). Het standpunt van gedaagden is dat [gefailleerde bedrijf] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd over de facturen, met als gevolg dat zij niet meer kan klagen over de hoogte van de facturen.

Dit verweer van gedaagden wordt door de rechtbank verworpen. Het sturen van een factuur is niet een ‘prestatie’ in de zin van artikel 6:89 BW. Het is dus ook niet zo dat een klachttermijn van artikel 6:89 BW gaat lopen op het moment dat een schuldeiser een factuur naar een schuldenaar stuurt. Waar artikel 6:89 BW op ziet, is de onderliggende prestatie waarvoor wordt gefactureerd. Indien een schuldenaar meent dat die prestatie van de schuldeiser in feitelijke zin gebrekkig is geweest, moet de schuldenaar binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldeiser protesteren. Het standpunt van de curator is echter niet zozeer dat [partij B] gebrekkig heeft gepresteerd, maar veeleer dat er is gefactureerd voor werkzaamheden die [partij B] niet heeft verricht. Dat is een wezenlijk andere discussie.

Gedaagden betwisten verder dat ter zake de facturen onverschuldigde betalingen hebben plaatsgevonden van [gefailleerde bedrijf] naar WLM Vastgoed. Volgens gedaagden maakte [partij B] lange werkweken, omdat [gefailleerde bedrijf] het financieel-economisch gezien zwaar had.

De rechtbank verwerpt het betoog van de curator over excessief declareren door WLM Vastgoed (zie rechtsoverweging 5.20, sub (i)). Het standpunt van de curator komt er in de kern op neer dat – wat betreft de facturen die een specificatie bevatten – niet wordt betwist dat [partij B] 40 uur per week werkzaamheden heeft verricht, maar wel alles boven de 40 uur per week. Dit standpunt is veel te generiek van aard en bovendien niet door de curator onderbouwd. Het bedrag van € 125.652,45 wordt afgewezen.

Het bedrag van € 2.964,50 (rechtsoverweging 5.20 sub (ii)) wordt door de curator aangemerkt als onverschuldigd betaald, vanwege een gesteld te hoog in rekening gebracht uurtarief. De curator voert aan dat voor 20 uur advies en begeleiding ten onrechte een uurtarief van € 75,00 per uur in rekening is gebracht en voor engineeringswerkzaamheden ten onrechte een bedrag van € 95,00 per uur. De curator wijst er daarbij op dat [gefailleerde bedrijf] en WLM Vastgoed zijn overeengekomen dat voor de werkzaamheden van [partij B] een uurtarief van € 60,00 in rekening zou worden gebracht.

Gedaagden verweren zich met de stelling dat de werkzaamheden waar de curator het over heeft andere werkzaamheden betroffen dan de reguliere werkzaamheden volgens de overeenkomst van opdracht en dat partijen dit hogere uurtarief waren overeengekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator, in het licht van de betwisting van gedaagden, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden aangenomen dat het uurtarief van € 75,00 voor de advieswerkzaamheden en de € 95,00 voor de engineeringswerkzaamheden onverschuldigd zijn betaald. De rechtbank acht hierbij van belang dat ‘advies en begeleiding’ en ‘engineeringswerkzaamheden’ iets anders zijn dan ‘Het verrichten van werkvoorbereiding en het dragen van financiële, technische en kwalitatieve verantwoording over de onderhanden projecten ten behoeve van [gefailleerde bedrijf] BV te [vestigingsplaats] ’, zoals omschreven in artikel 1 van de overeenkomst van opdracht tussen [gefailleerde bedrijf] en WLM Vastgoed. De curator heeft bovendien niet voldoende gemotiveerd betwist dat [partij B] de genoemde afwijkende werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht. Het bedrag van € 2.964,50 wordt afgewezen.

Het bedrag van € 303.003,26 (rechtsoverweging 5.20 sub (iii)) heeft betrekking op 46 facturen, met factuurdata gelegen tussen 16 januari 2023 en 26 juli 2024 (productie 24 bij de inleidende dagvaarding). De curator stelt dat bij deze facturen iedere vorm van onderbouwing ontbreekt, zelfs een urenspecificatie. De redenering van de curator is dat, omdat de facturen niet van een specificatie zijn voorzien, [partij B] de onderliggende werkzaamheden (waarvoor is gefactureerd) niet heeft verricht en dat dús door [gefailleerde bedrijf] zonder rechtsgrond is betaald.

Gedaagden verweren zich met de stelling dat alle facturen die door WLM Vastgoed aan [gefailleerde bedrijf] zijn verstuurd, steeds voorzien waren van urenspecificaties. Zie conclusie van antwoord in conventie, randnummer 77, onder c. Ter motivering van die betwisting, hebben gedaagden als productie 19 een groot aantal facturen – deels voorzien van specificaties – in het geding gebracht. Meer in het algemeen betogen gedaagden dat [partij B] alle werkzaamheden die zijn gefactureerd, daadwerkelijk heeft verricht.

De rechtbank is het niet eens met de curator voor zover hij aanvoert dat, indien een deugdelijke specificatie ontbreekt, er dus van moet worden uitgegaan dat de onderliggende werkzaamheden niet door [partij B] zijn uitgevoerd. Het één vloeit niet noodzakelijkerwijs voort uit het ander.

Wel is het zo dat op WLM Vastgoed de verplichting rustte om zich als een goed opdrachtnemer ten opzichte van [gefailleerde bedrijf] te gedragen (artikel 7:401 BW). Naar het oordeel van de rechtbank verplichtte die norm – in dit concrete geval – WLM Vastgoed ten opzichte van [gefailleerde bedrijf] om de gestuurde facturen van een deugdelijke specificatie te voorzien. De rechtbank hecht hierbij specifieke waarde aan de omvang van het urenaantal dat door WLM Vastgoed is gefactureerd aan [gefailleerde bedrijf] .

Door de curator is onbetwist aangevoerd dat WLM Vastgoed over het jaar 2023 gemiddeld 73,5 uur per week en in het jaar 2024 gemiddeld 60 uur per week aan werkzaamheden bij [gefailleerde bedrijf] in rekening heeft gebracht. Het is theoretisch niet uitgesloten dat een opdrachtnemer een dergelijk groot aantal uren ten behoeve van een opdrachtgever werkt, maar naar het oordeel van de rechtbank zal een opdrachtnemer dan wel goed moeten aangeven hoe hij dat grote aantal uren heeft besteed. Dit om het voor de opdrachtgever controleerbaar te maken of sprake is geweest van een daadwerkelijke en doelmatige besteding van uren. Dit klemt in dit geval temeer omdat de curator tijdens de mondelinge behandeling voorbeelden heeft aangehaald van dubbel gerekende uren en uren die niet gemaakt kunnen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank rust op gedaagden een verzwaarde betwistingsplicht/motiveringsplicht ten aanzien van het door hen ingenomen standpunt dat de facturen steeds waren voorzien van deugdelijke specificaties, ter betwisting van de door de curator ingenomen stelling dat de genoemde 42 facturen in het geheel geen specificatie bevatten. Het is immers WLM Vastgoed die de facturen met (gestelde) specificaties heeft verstuurd aan [gefailleerde bedrijf] . De facturen met specificatie moeten zich daardoor – in ieder geval – in het (bewijs)domein van WLM Vastgoed bevinden. Een dergelijke verzwaarde gemotiveerde betwisting door gedaagden, zou de curator aanknopingspunten kunnen geven voor (nadere) bewijslevering.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden niet aan hun verzwaarde betwistingsplicht/motiveringsplicht voldaan. Uit productie 19 van gedaagden blijkt niet dat de door WLM Vastgoed aan [gefailleerde bedrijf] verstuurde facturen steeds voorzien waren van een deugdelijke specificatie. De algemene toelichting van gedaagden op dit punt (akte overlegging producties van 7 mei 2026, randnummer 2), is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. Gelet daarop verwerpt de rechtbank het standpunt van gedaagden dat de verstuurde facturen steeds voorzien waren van een deugdelijke specificatie.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het aan de feitenrechter is om te bepalen wat de bewijsrechtelijke gevolgen moeten zijn van het niet voldoen aan een verzwaarde betwistingsplicht/motiveringsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank moet het bewijsrechtelijke gevolg in deze zaak zijn dat als feit kan worden vastgesteld dat WLM Vastgoed de werkzaamheden van [partij B] deels onvoldoende deugdelijk heeft gespecificeerd op de facturen.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het veel te ver om te concluderen dat tegenover de facturering van € 303.003,26 door WLM Vastgoed aan [gefailleerde bedrijf] in het geheel geen werkzaamheden van [partij B] staan, louter vanwege het ontbreken van gespecificeerde facturen. Dit alleen al omdat de facturen deels wel zijn gespecificeerd, zie productie 19 van gedaagden. Maar ook overigens staat voor de rechtbank voldoende vast dat [partij B] werkzaamheden heeft verricht voor [gefailleerde bedrijf] .

De rechtbank oordeelt dat WLM Vastgoed ten opzichte van [gefailleerde bedrijf] in strijd heeft gehandeld met artikel 7:401 BW, wegens het deels ondeugdelijk specificeren van facturen. Gelet op die normschending van de zijde van WLM Vastgoed, in combinatie met de grote omvang van de in rekening gebrachte uren door WLM Vastgoed, acht de rechtbank ongeclausuleerde nakoming – lees: betaling – van alle in rekening gebrachte uren, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW). Alles afwegende, neemt de rechtbank aan dat, van het bedrag van € 303.003,26 dat door WLM Vastgoed in rekening is gebracht, 80% correspondeert met daadwerkelijke werkzaamheden door [partij B] . De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [gefailleerde bedrijf] in zwaar weer verkeerde en aannemelijk is dat er daarom veel werk verzet moest worden om het bedrijf weer winstgevend te maken.

Een bedrag van 20% moet daarom worden aangemerkt als zijnde onverschuldigd betaald. Een bedrag van € 60.606,52 zal worden toegewezen.

b. Koopsom trailer

De curator vordert een bedrag van € 10.587,50 terug als zijnde onverschuldigd betaald. Volgens de curator heeft [gefailleerde bedrijf] dit bedrag aan gedaagden betaald voor de aankoop van een trailer, maar is die trailer nooit door gedaagden geleverd. Volgens de curator is daarom zonder rechtsgrond betaald door [gefailleerde bedrijf] .

Gedaagden hebben de stellingen van de curator op dit punt onvoldoende gemotiveerd betwist. Gedaagden hebben niet betwist het bedrag van € 10.587,50 van [gefailleerde bedrijf] te hebben ontvangen, terwijl zij evenmin hebben betwist dat de trailer niet door hen aan [gefailleerde bedrijf] is geleverd. Het bedrag van € 10.587,50 is onverschuldigd betaald en zal worden toegewezen.

c. Ford Transit en paardentrailer

De curator stelt dat hij een aan [gefailleerde bedrijf] in eigendom toebehorende Ford Transit en een paardentrailer niet in de faillissementsboedel heeft aangetroffen. Volgens de curator hebben gedaagden zich deze goederen onrechtmatig toegeëigend, met als gevolg dat de boedel € 2.722,50 schade heeft geleden. Die € 2.722,50 was volgens de curator de waarde waarvoor de Ford Transit en de paardentrailer hadden kunnen worden verkocht, waarbij de opbrengst ten gunste van de boedel zou zijn gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden de stellingen van de curator onvoldoende gemotiveerd betwist, mede in het licht van hun eigen stelling dat zij de aanhangwagen (paardentrailer) hebben verkocht aan een derde voor € 5.100,00. Het bedrag van € 2.722,50 is als schadevergoeding toewijsbaar.

d. Koopsom gereedschap

De curator vordert een bedrag van € 9.817,02. De stelling van de curator houdt in dat gedaagden op naam van [gefailleerde bedrijf] bij een derde gereedschap hebben besteld, ten behoeve van gedaagden. Het betreft onder meer hamers, beitels, schroefstempels en muurzaagmachines maar ook onderdelen voor een verreiker. De curator heeft het betreffende gereedschap niet in de boedel aangetroffen. Het gereedschap is volgens de curator in bezit gekomen van gedaagden, terwijl de facturen voor het gereedschap door [gefailleerde bedrijf] zijn betaald. De curator vordert dit bedrag als schadevergoeding terug van gedaagden, waarbij de redenering is dat [gefailleerde bedrijf] aan een derde heeft betaald voor goederen die uiteindelijk door gedaagden in gebruik zijn genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden de stellingen van de curator onvoldoende gemotiveerd betwist. Gedaagden hebben louter in algemene zin ontkend dat zij zich gereedschap hebben toegeëigend. Het gereedschap is volgens gedaagden in gebruik geweest bij de werknemers van [gefailleerde bedrijf] . Naar het oordeel van de rechtbank is deze algemene betwisting in dit verband onvoldoende. Dit in het licht van het door de curator gestelde in de randnummers 23 tot en met 25 van de conclusie van antwoord in reconventie (en de daarin opgenomen verwijzing naar randnummer 50 van de dagvaarding), waaronder zijn constatering dat het gereedschap niet in de boedel is aangetroffen en dat [gefailleerde bedrijf] niet beschikt over een verreiker en daar dus ook geen onderdelen voor nodig heeft. Bovendien sluit het standpunt van gedaagden dat de gereedschappen zijn gebruikt door werknemers van [gefailleerde bedrijf] niet uit dat gedaagden deze uiteindelijk voor zichzelf hebben gekocht en behouden. Het bedrag van € 9.817,02 is toewijsbaar als schadevergoeding.

e. Voorraden

De curator vordert een bedrag van € 22.929,50 wegens door gedaagden onttrokken goederen uit de voorraad van [gefailleerde bedrijf] . De curator stelt dat [partij B] – met behulp van werknemers van [gefailleerde bedrijf] – op 26 augustus 2024 goederen uit de voorraad van [gefailleerde bedrijf] heeft opgehaald en ondergebracht bij het door hem gekochte [bedrijf 2] . Dit in navolging van de stelling van [partij A] in de dagvaarding dat [partij B] een brief van de belastingdienst in de mailbox van [partij A] heeft aangetroffen met een bevel tot betaling, en de aankondiging dat bij niet-betaling op 28 augustus 2024 tot beslaglegging zou worden overgegaan. [partij B] wist volgens [partij A] dat de belastingdienst niet betaald kon worden, omdat hij betalingen had laten storneren. Om die reden zouden (voor beslag vatbare) voorraden door [partij B] zijn weggehaald, waarbij [partij B] zich volgens [partij A] beriep op zijn pandrecht. De curator stelt bovendien dat hij bij [bedrijf 2] , waarvan hij na faillissement ook de curator is, slechts een klein deel van deze voorraad aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden de stellingen van de curator (en [partij A] ) onvoldoende gemotiveerd betwist. Gedaagden hebben louter in algemene zin ontkend dat zij zich voorraadgoederen hebben toegeëigend, waarbij zij overigens wel erkennen (slechts) hout te hebben meegenomen. Deze algemene betwisting is in dit verband onvoldoende, gelet op het door de curator gestelde in de randnummers 26 tot en met 28 van de conclusie van antwoord in reconventie. De waarde van de aanwezige voorraad heeft de curator (in navolging van [partij A] ) gewaardeerd op de waarde die door de jaren heen aan de voorraad werd toegekend (productie 28 bij dagvaarding). Het bedrag van € 18.950,00 (de gestelde voorraadwaarde exclusief btw) is toewijsbaar als schadevergoeding.

f. Project [project 1]

Voor het project [project 1] zijn kozijnen besteld bij [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). WLM Vastgoed heeft de kosten voor de kozijnen doorberekend aan [gefailleerde bedrijf] . Het betreffende bedrag van € 67.760,00 is door [gefailleerde bedrijf] betaald aan WLM.

[bedrijf 3] heeft haar vordering ter zake deze kozijnen echter bij de curator ingediend, omdat zij niet betaald was. De curator heeft de vordering van [bedrijf 3] voor een bedrag van € 55.339,34 inclusief btw opgenomen in de lijst van voorlopig erkende crediteuren. Uit het feit dat [bedrijf 3] deze vordering bij de curator heeft ingediend en [bedrijf 3] een ingebrekestelling had gestuurd naar [gefailleerde bedrijf] , blijkt volgens de curator dat [bedrijf 3] van mening is dat zij heeft gecontracteerd met [gefailleerde bedrijf] en bovendien dat WLM Vastgoed deze kozijnen niet van [bedrijf 3] heeft gekocht en ook ter zake niets aan [bedrijf 3] heeft voldaan. Het bedrag van € 67.760,00 dat door [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed is betaald is dus onverschuldigd betaald, aldus de curator.

De rechtbank overweegt als volgt. [bedrijf 3] heeft op 31 maart 2023 een factuur ad € 55.139.69 gestuurd aan WLM Vastgoed (productie 31 dagvaarding). Op 1 april 2023 heeft WLM een factuur voor € 67.760,00 gestuurd aan [gefailleerde bedrijf] voor de kozijnen van [bedrijf 3] voor het project [project 1] (productie 30 dagvaarding). Deze factuur is door [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed voldaan. Tegelijkertijd is de factuur van [bedrijf 3] ad € 55.139,69 bij [gefailleerde bedrijf] ingeboekt als inkoopkosten. Uit het feit dat deze factuur nog moet worden betaald, volgt dat [bedrijf 3] nog geen betaling voor de kozijnen heeft ontvangen. De stelling van WLM Vastgoed – in randnummer 76a van haar conclusie van antwoord (in conventie) – dat zij [bedrijf 3] zou hebben betaald, is in het licht van deze feiten en omstandigheden onvoldoende onderbouwd. De factuur die WLM Vastgoed heeft gestuurd naar [gefailleerde bedrijf] ten aanzien van deze kozijnen, is derhalve onterecht. Het bedrag van € 67.760,00 is onverschuldigd betaald.

g. Project [project 2]

De curator stelt dat gedaagden in dit project een bedrag van € 15.000,00 ten onrechte in rekening hebben gebracht bij [gefailleerde bedrijf] . Dit bedrag is door [gefailleerde bedrijf] niet betaald. Volgens de curator is dat terecht.

De curator voert, met een verwijzing naar het rapport van DRS Advies, aan dat er een dubbeltelling zit in de ten behoeve van dit project gefactureerde kozijnen. Er zijn twee facturen voor kozijnen (50%) ad € 7.500,00 exclusief btw gestuurd maar daarnaast nog één factuur van € 15.000,00 exclusief btw. Volgens de curator is er twee keer gefactureerd voor dezelfde kozijnen.

Omdat het bedrag van € 15.000,00 niet door [gefailleerde bedrijf] is betaald, is hier feitelijk sprake van een vordering tot nakoming (ingesteld in reconventie) van de zijde van gedaagden. Gedaagden dienen daarom feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat de facturering in project [project 2] door WLM Vastgoed correspondeert met levering van kozijnen aan [gefailleerde bedrijf] .

Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan hun nakomingsvordering kan worden toegewezen. Volgens gedaagden is er in het project [project 2] voor € 30.000,00 aan kozijnen besteld, en is er dus geen sprake van een dubbeltelling. Deze algemene stelling is door gedaagden onvoldoende toegelicht en is bovendien in strijd met haar eerdere standpunt. Dat blijkt uit het volgende. Het gaat hier om drie facturen:

1. factuur [factuurnummer 1] betreffende: “50% voor te leveren kozijnen werk [nummer] ” ad € 7.500,00 (door [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed betaald);

2. factuur [factuurnummer 2] waarop onder meer hardhouten kozijnen, deuren en ramen staan ad € 15.000,00 (niet betaald);

3. factuur [factuurnummer 3] met betrekking tot “kozijnen en materialen werk [nummer] ( [project 2] )” waar onder meer op staat: “geleverde kozijnen 50% bij levering” ad € 7.500,00 (niet betaald).

Na uitbrengen van de dagvaarding hebben gedaagden bij brief van 26 november 2024 betwist dat factuur [factuurnummer 1] op het project [project 2] ziet. Daarnaast schrijven zij dat het er op lijkt dat er € 7.500 teveel in rekening is gebracht. In het kader van een eventuele regeling heeft WLM Vastgoed dit bedrag in mindering gebracht op haar vordering.

Bij brief van 11 april 2025 heeft WLM Vastgoed een correctie op het project [project 2] doorgevoerd ad € 9.075,00 (= € 7.500,00 plus BTW).

De rechtbank overweegt dat als factuur 3 op het project [project 2] ziet (dat staat immers expliciet op deze factuur), factuur 1 daar ook op ziet (dat heeft immers het zelfde projectnummer). Gedaagden erkennen dat € 7.500,00 teveel in rekening is gebracht op dit project. In eerste instantie lijken zij dat nog te doen in het kader van een schikkingspoging, maar in de brief van april 2025 trekt WLM Vastgoed dit bedrag zonder voorbehoud af van haar vordering. Waar WLM Vastgoed op dat moment uitgaat van een totaal gefactureerd bedrag van € 22.500,00 voor project [project 2] (factuur 2 + 3) waarvoor € 7.500,00 teveel in rekening is gebracht, zijn de totale kosten voor kozijnen op dit project ook volgens WLM Vastgoed dus € 15.000,00. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat factuur 1 ook op het project [project 2] ziet, is er in totaal € 30.000,00 gefactureerd waarvan € 15.000,00 ten onrechte.

Gelet daarop oordeelt de rechtbank dat [gefailleerde bedrijf] het bedrag van € 15.000,00 niet verschuldigd is aan WLM Vastgoed.

Eén van de facturen van € 7.500,00 is niet door [gefailleerde bedrijf] betaald. WLM Vastgoed heeft deze € 7.500,00 opgenomen in haar totale vordering, die in reconventie wordt besproken.

h. Project [project 3]

De curator stelt dat er in dit project een bedrag van € 16.342,34 ten onrechte is gefactureerd door gedaagden aan [gefailleerde bedrijf] . Tevens stelt de curator dat een bedrag van € 16.342,34 onverschuldigd is betaald [gefailleerde bedrijf] aan gedaagden.

De stellingen van de curator zijn door gedaagden niet betwist. Het bedrag is in reconventie door gedaagden dan ook in mindering gebracht op hun vordering. Het bedrag van € 16.342,34 aan onverschuldigde betaling is toewijsbaar.

i. Project [project 4]

Ter zake het project [project 4] is een bedrag van € 15.125,00 (inclusief btw) door WLM Vastgoed gefactureerd aan [gefailleerde bedrijf] . Deze factuur is door [gefailleerde bedrijf] niet voldaan. Volgens de curator is er terecht niet betaald, omdat een grondslag voor de factuur ontbreekt.

De stellingen van de curator zijn door gedaagden niet betwist. De rechtbank oordeelt daarom dat [gefailleerde bedrijf] het bedrag van € 15.125,00 niet verschuldigd is aan WLM Vastgoed.

j. Project [project 5]

Ook bij dit project zijn door WLM Vastgoed facturen gestuurd die door [gefailleerde bedrijf] niet zijn voldaan. De curator stelt dat dit terecht is, omdat in dit project voor een bedrag van € 6.421,72 (inclusief btw) dubbel is gefactureerd. De facturen zien volgens de curator op het leveren en plaatsen van beglazing.

Gedaagden betwisten het standpunt van de curator. Volgens gedaagden zien de facturen waarnaar de curator verwijst op verschillende zaken. De facturen [factuurnummer 4] en [factuurnummer 5] hebben volgens gedaagden betrekking op kozijnen die door WLM Vastgoed zijn ingekocht. Factuur [factuurnummer 6] heeft volgens gedaagden betrekking op de levering en plaatsing van glas.

Omdat het bedrag van € 6.421,72 niet door [gefailleerde bedrijf] is betaald, is hier feitelijk sprake van een vordering tot nakoming (ingesteld in reconventie) van de zijde van gedaagden. Gedaagden dienen daarom feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat de facturering in project [project 5] door WLM Vastgoed correct is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden op dit punt onvoldoende aangevoerd, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de curator (productie 38 bij dagvaarding). Uit de inhoud van de opdracht (offerte) in het project [project 5] blijkt dat het leveren en plaatsen van beglazing daar onderdeel van is. De rechtbank acht het daardoor aannemelijk dat de prijs daarvan is opgenomen in de facturen [factuurnummer 7] en [factuurnummer 8] , nu die vrijwel op hetzelfde bedrag uitkomen als de offerte. Bovendien staat op deze facturen dat het telkens om 50% gaat, hetgeen suggereert dat tezamen 100% is gefactureerd. Factuur [factuurnummer 6] is daarom dubbelop. De conclusie is dat [gefailleerde bedrijf] het bedrag van € 6.421,72 (inclusief btw) niet verschuldigd is aan WLM Vastgoed.

k. Project [project 6]

De curator stelt dat in dit project een bedrag van € 13.375,00 onverschuldigd is betaald. De curator stelt dat door WLM Vastgoed gefactureerd is voor kozijnen, maar dat die kozijnen niet door WLM Vastgoed zijn geleverd.

Het standpunt van de curator is door gedaagden onvoldoende gemotiveerd betwist. Hetgeen gedaagden hierover stellen is niet navolgbaar: [project 6] zou de opdracht hebben beëindigd, maar de kozijnen wel hebben betaald aan [gefailleerde bedrijf] . Dat er geen kozijnen zijn geleverd, is door gedaagden echter niet betwist. Dat de niet geleverde kozijnen door [project 6] zijn betaald is derhalve onvoldoende aannemelijk. Het bedrag van € 13.375,00 is toewijsbaar als zijnde onverschuldigd betaald.

l. Onterechte huurfacturen

De curator stelt dat [gefailleerde bedrijf] een bedrag van € 34.303,50 (inclusief btw) aan huurpenningen heeft betaald aan WLM Vastgoed. Volgens de curator is dit bedrag onverschuldigd betaald.

Gedaagden hebben betwist dat een bedrag van € 34.303,50 aan huurpenningen is betaald (conclusie van antwoord in conventie, randnummer 30).

De curator heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit, in het licht van de betwisting van gedaagden, kan worden afgeleid dat een bedrag van € 34.303,50 ter zake huurpenningen is betaald door [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed. Deze vordering wordt afgewezen.

Conclusie ten aanzien van vordering III

De curator vordert een bedrag van € 475.223,32, dat is uitgesplitst in randnummer 8 van de conclusie van antwoord in reconventie.

De curator erkent dat [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed nog een bedrag verschuldigd was van € 117.891,91. Van dat bedrag gaat de rechtbank ook uit.

De vordering van de boedel op WLM Vastgoed uit hoofde van onverschuldigde betaling/onrechtmatig handelen, komt uit op een bedrag van € 200.160,88. Dit is de optelsom van de toegewezen bedragen die zijn onderstreept.

In totaal is een bedrag van € 200.160,88 -/- € 117.891,91 = € 82.268,97 als bedrag van vordering III van de curator toewijsbaar.

De curator vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen. De ingangsdatum van de wettelijke rente is de datum waarop de dagvaarding bij exploot is betekend.

Veroordeling betaling geldsom € 15.113,87 (vordering IV)

De vordering op [partij B] betreft een vordering tot nakoming (artikel 3:296 BW). De stelling van de curator is dat werknemers van [gefailleerde bedrijf] werkzaamheden hebben verricht aan de privéwoning van [partij B] , in opdracht van [partij B] . Als productie 41 bij dagvaarding zijn 3 facturen overgelegd, gericht aan [partij B] en gedateerd 7 mei 2024, 10 juni 2024 en 26 september 2024. De totale omvang van de facturen is € 15.113,87. Deze facturen zijn niet betaald door [partij B] .

[partij B] betwist deels de verschuldigdheid van de facturen. [partij B] betwist niet dat werknemers van [gefailleerde bedrijf] in opdracht van hem werkzaamheden hebben verricht aan zijn privéwoning. Het standpunt van [partij B] is dat [gefailleerde bedrijf] een hoger uurtarief factureert voor haar werknemers dan vooraf tussen hem en [gefailleerde bedrijf] is overeengekomen. Volgens [partij B] is een uurtarief van € 30,00 en € 50,00 overeengekomen. Daarnaast betwist hij verschuldigdheid de laatste factuur omdat een specificatie daarvan ontbreekt.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op de facturen van 7 mei 2024 en 10 juni 2024 zijn uurtarieven van € 30,00 en € 50,00 gehanteerd. Van de zijde van [partij B] is de verschuldigdheid van deze facturen onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat deze al zijn betaald is evenmin onderbouwd door [partij B] , ondanks dat stelplicht en bewijslast van dit (bevrijdende) verweer bij hem liggen. De bedragen van € 3.726,80 en € 339,77 zijn daarom toewijsbaar.

Op de factuur van 26 september 2024 zijn door [gefailleerde bedrijf] hogere uurtarieven in rekening gebracht. Voor werknemer [naam 1] gaat het om een uurtarief van € 60,00, waar dat op de eerdere facturen nog € 50,00 was. Voor werknemer [naam 2] gaat het om een uurtarief van € 45,00, waar dat op de eerdere facturen nog € 30,00 was. Voor werknemer [naam 3] gaat het om een uurtarief van € 60,00. De naam van [naam 3] komt op de eerdere facturen niet voor.

De curator heeft de stelling van [partij B] dat uurtarieven van € 30,00 en € 50,00 zijn overeengekomen, niet betwist. Hij stelt slechts dat een uurtarief van € 60,00 marktconform is. Die stelling van de curator is te mager en wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de door [partij B] genoemde tarieven. Voor [naam 1] wordt een uurtarief gehanteerd van € 50,00 en voor [naam 2] van € 30,00. Het uurtarief van [naam 3] stelt de rechtbank vast op € 40,00.

De rechtbank verwerpt het verweer van [partij B] dat inhoudt dat hij alleen facturen zou hoeven te betalen die gespecificeerd zijn. Dat verweer van [partij B] is onvoldoende in het licht van het feit dat hij (niet voldoende gemotiveerd) betwist dat er werkzaamheden ten behoeve van zijn huis zijn verricht door werknemers van [gefailleerde bedrijf] . Bovendien geldt dat de facturen niet volledig ongespecificeerd zijn. Er staat immers op welke werknemers werkzaamheden hebben verricht en de hoeveelheid die daarmee gemoeid was.

Voor de factuur van 26 september 2024, komt de rechtbank tot een lager verschuldigd bedrag.

[naam 1] : 64 x € 50,00 = € 3.200,00

[naam 2] : 24 x € 30,00 = € 720,00

[naam 3] : 57,5 x € 40,00 = € 2.300,00

In totaal is van de factuur van 26 september 2024 verschuldigd een bedrag van € 3.200,00 + € 720,00 + € 2.300,00 + € 760,00 = € 6.980 x 1,21 (btw) = € 8.445,80. Een correctie op de factuur van 7 mei 2024 is niet nodig.

De totale vordering gericht tegen [partij B] wordt toegewezen tot een bedrag € 12.512,37.

in reconventie

Gedaagden vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat WLM Vastgoed een vordering op [gefailleerde bedrijf] (lees: de faillissementsboedel) én [partij A] heeft ter grootte van € 170.762,32, te vermeerderen met de contractuele rente (uit de overeenkomsten van geldlening) en wettelijke rente. Ter onderbouwing verwijzen gedaagden naar productie 17 bij de conclusie van antwoord in conventie.

De curator en [partij A] voeren verweer in reconventie, aan de hand van de standpunten die zij in conventie hebben ingenomen. Volgens de curator en [partij A] is het niet WLM Vastgoed dat op hen een vordering heeft, maar hebben zij een vordering op WLM Vastgoed.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de reconventionele vordering worden afgewezen. De rechtbank verwijst hierbij naar de beoordeling in conventie, waarin is vastgesteld dat de faillissementsboedel van [gefailleerde bedrijf] een vordering heeft op WLM Vastgoed van € 82.268,97. Bij die beoordeling in conventie zijn meegenomen de declaraties die door WLM Vastgoed zijn verstuurd aan [gefailleerde bedrijf] . Als de uitkomst daarvan is dat [gefailleerde bedrijf] – althans de boedel – een vordering heeft op WLM Vastgoed, kan niet juist zijn het standpunt van WLM Vastgoed, althans gedaagden, dat zij een vordering van € 170.762,32 heeft/hebben op de boedel en/of [partij A] .

De rechtbank constateert daarnaast dat productie 17 bij conclusie van antwoord (in conventie) door gedaagden niet of nauwelijks is toegelicht. Zonder een deugdelijke toelichting kan niet worden vastgesteld dat WLM Vastgoed een vordering van € 170.762,32 op de boedel en [partij A] heeft. Ook om die reden is de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar.

De rechtbank weegt hierbij mee dat productie 17 bij conclusie van antwoord wel een weergave bevat van facturen die WLM Vastgoed aan [gefailleerde bedrijf] zou hebben gestuurd (totaalbedrag: € 1.071.269,37), maar dat de onderliggende facturen niet zijn overgelegd. Als productie 19 hebben gedaagden een deel van de onderliggende facturen alsnog in het geding gebracht, maar een deel ook niet. Al met al vormt productie 17 op zichzelf voor de rechtbank onvoldoende onderbouwing om de vordering in reconventie te kunnen toewijzen.

De conclusie is dat de reconventionele vordering van gedaagden wordt afgewezen.

Vordering [partij A] (in conventie)

[partij A] vordert onder I een verklaring voor recht dat gedaagden ten opzichte van haar onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de door haar als gevolg daarvan geleden schade, waarvan de omvang moet worden bepaald in een schadestaatprocedure.

Deze vordering wordt afgewezen. [partij A] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat gedaagden ten opzichte van specifiek haar een norm hebben geschonden, dus afgezien van eventuele normschendingen door gedaagden ten opzichte van [gefailleerde bedrijf] .

De vorderingen van [partij A] onder II en III zijn een doublure van elkaar. Het betreft een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot de inventaris/rijdend materieel rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd.

Deze vorderingen moeten alleen al worden afgewezen omdat [partij A] geen partij is bij de (gestelde) koopovereenkomst met betrekking tot de inventaris/rijdend materieel. [partij A] heeft daarom geen belang bij deze vordering in de zin van artikel 3:303 BW.

Afgezien daarvan heeft de rechtbank een gelijksoortige vordering van de curator beoordeeld en afgewezen. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.11 van dit vonnis.

[partij A] vordert onder IV een verklaring voor recht dat de overeenkomsten van geldlening, gedateerd 15 februari 2024 en 10 augustus 2024, rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd. Subsidiair verzoekt [partij A] de rechtbank om de beide overeenkomsten te vernietigen.

Ter onderbouwing van haar beroep op dwaling, heeft [partij A] het standpunt ingenomen dat de dwaling te wijten is geweest aan onjuiste inlichtingen die door WLM Vastgoed zijn gegeven voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomsten (artikel 6:228 lid 1 sub a BW). [partij A] heeft gesteld dat:

WLM Vastgoed/ [partij B] haar heeft laten geloven dat de door hen genoemde bedragen die [gefailleerde bedrijf] aan WLM Vastgoed verschuldigd was, correct en actueel waren.

WLM Vastgoed/ [partij B] haar heeft laten geloven dat de leningen verrekend zouden worden bij de overname van [gefailleerde bedrijf] , terwijl [partij B] al wist dat die overname niet door zou gaan.

WLM Vastgoed/ [partij B] haar heeft laten geloven dat het ondertekenen van de overeenkomsten van geldlening in haar belang was.

Als [partij A] had geweten dat de bedragen niet juist waren dat WLM niet voornemens was [gefailleerde bedrijf] te kopen, had zij de overeenkomsten nimmer getekend. [partij B] /WLM hebben [partij A] aldus bewust onjuist ingelicht.

Gedaagden hebben de feitelijke juistheid van bovenstaande stellingen betwist. Volgens gedaagden waren de bedragen die [gefailleerde bedrijf] op dat moment aan WLM Vastgoed verschuldigd was correct en actueel. Gedaagden voeren aan dat de mogelijke overname van [gefailleerde bedrijf] met de geldleningen niets van doen had, en betwisten dat zij tegenover [partij A] hebben aangegeven dat het ondertekenen van de overeenkomsten van geldlening in haar belang was.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het beroep van [partij A] op vernietiging wegens dwaling slaagt niet. Zelfs als veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van de feitelijke juistheid van de stellingen van [partij A] , geldt dat sprake is van een dwaling die, in verband met de in het verkeer geldende opvattingen, voor rekening van [partij A] behoort te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW).

[partij A] miskent met haar stellingen volledig dat zij, ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten van geldlening, bestuurder was van [gefailleerde bedrijf] . [partij A] moet, als bestuurder van [gefailleerde bedrijf] , geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de vermogenspositie van [gefailleerde bedrijf] . Indien dat niet het geval zou zijn geweest, behoort dat voor rekening van [partij A] als bestuurder van [gefailleerde bedrijf] te blijven.

Voor de rechtsgevolgen die voor [partij A] als partij bij de overeenkomsten van geldlening voortvloeien uit het aangaan van deze overeenkomsten, geldt hetzelfde. Als [partij A] op dat punt al een onjuiste voorstelling van zaken had ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten, behoort dat voor rekening van haarzelf te blijven. Die rechtsgevolgen – te weten: aansprakelijkheid voor de schulden van [gefailleerde bedrijf] naast [gefailleerde bedrijf] en het verlenen van een hypotheekrecht op haar privéwoning – staan immers duidelijk in de overeenkomsten verwoord. Zie de considerans onder F en artikelen 1 en 8 van beide overeenkomsten. [partij A] mag worden geacht de implicaties daarvan te hebben kunnen overzien, mede gelet op het feit dat zij de functie van bestuurder van [gefailleerde bedrijf] bekleedde. Van een bestuurder mag immers worden verwacht dat hij op zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult.

[partij A] heeft als rechtsgrond ook een beroep gedaan op misbruik van omstandigheden van de zijde van WLM Vastgoed voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomsten van geldlening, maar dat standpunt van [partij A] wordt door de rechtbank verworpen. [partij A] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat WLM Vastgoed/ [partij B] wist of moest begrijpen dat [partij A] door bijzondere omstandigheden als een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid (of andere omstandigheden als genoemd in artikel 3:44 lid 4 BW) werd bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten van geldlening.

De conclusie is dat vordering IV van [partij A] wordt afgewezen.

Vordering V van [partij A] betreft een veroordeling van WLM Vastgoed om medewerking te verlenen aan het doorhalen van de hypotheken verbonden aan de overeenkomsten van geldlening, op straffe van een dwangsom. Omdat vordering IV wordt afgewezen en de overeenkomsten van geldlening dus in stand blijven, ontvalt de grondslag aan vordering V. Vordering V wordt dus ook afgewezen.

De vorderingen VI en VII worden ook afgewezen. Deze vorderingen zijn in de inleidende dagvaarding ingesteld namens [gefailleerde bedrijf] . Na het faillissement van [gefailleerde bedrijf] heeft de curator de procedure op dit punt overgenomen, namens de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van [gefailleerde bedrijf] . De advocaat van [partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien aangegeven dat [partij A] , wat betreft de gevorderde bedragen op dit punt, aansluiting zoekt bij de stellingen van de curator.

Proceskosten in conventie en reconventie

5.100. Gedaagden zijn in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] en [gefailleerde bedrijf] betalen. Deze veroordeling in de proceskosten is hoofdelijk van aard. [partij A] en [gefailleerde bedrijf] procedeerden ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog bij dezelfde advocaat (en met een gelijkluidende dagvaarding). De proceskosten van [partij A] en [gefailleerde bedrijf] worden daarom begroot alsof zij bij dezelfde advocaat procedeerden en gelijkluidende processtukken hebben ingediend. De proceskosten van [partij A] en [gefailleerde bedrijf] in conventie worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

135,97

- griffierecht

6.617,00

- salaris advocaat

7.446,00

(2 punten × € 3.723,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

14.387,97

[partij A] en [gefailleerde bedrijf] hebben als schuldeisers ieder voor een gelijk deel recht op het totaalbedrag van de proceskosten (artikel 6:15 lid 1 BW). Beide maken dus aanspraak op de helft van het bedrag € 14.387,97.

5.101. Gedaagden zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] en [gefailleerde bedrijf] betalen. Deze veroordeling in de proceskosten is hoofdelijk van aard (zie voetnoot 20 van dit vonnis).

5.102. Gedaagden vorderen in reconventie weliswaar een verklaring voor recht, maar deze verklaring voor recht ziet op het vaststellen van een geldbedrag met een bepaalde omvang. De rechtbank ziet daarom aanleiding om bij de post ‘salaris advocaat’ aansluiting te zoeken bij het tarief dat correspondeert met de omvang van het geldbedrag ten aanzien waarvan de verklaring voor recht wordt gevraagd. Materieel gezien is dat immers het geldelijk belang waar het om gaat.

5.103. De proceskosten van [partij A] in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat

3.723,00

(0,5 x 2 punten × € 3.723,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.912,00

5.104. De proceskosten van de curator in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat

3.723,00

(0,5 x 2 punten × € 3.723,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.912,00

5.105. De proceskosten van de curator en [partij A] in reconventie worden gesplitst, omdat zij in reconventie niet bij dezelfde advocaat hebben geprocedeerd en andersluidende processtukken hebben ingediend.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt WLM Vastgoed om aan de boedel te betalen een bedrag van € 82.268,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [partij B] om aan de boedel te betalen een bedrag van € 12.512,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagden – hoofdelijk – in de proceskosten van € 14.387,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1, 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eisers in reconventie – hoofdelijk – in de proceskosten van € 3.912,00, te betalen aan [partij A] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt eisers in reconventie – hoofdelijk – in de proceskosten van € 3.912,00, te betalen aan de boedel binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.7 en 6.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand