RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-292605-25 (P), 08-334527-23 (vnvv)
Datum vonnis: 1 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven en verblijvende in de PI [verblijfsplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Karakaya, advocaat in Apeldoorn, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 28 april 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 november 2025 in Zwolle en/of Steenwijk:
feit 1: zich schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden of bevorderen van het in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, waarbij het gaat om cocaïne, heroïne en/of MDMA;
feit 2: ongeveer 163,35 gram cocaïne en ongeveer 37,38 gram heroïne aanwezig heeft gehad;
feit 3: in vereniging met anderen ongeveer 333,84 gram cocaïne en ongeveer 220,50 gram MDMA aanwezig heeft gehad;
feit 4: in vereniging met anderen een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, een CZ Vzor 70, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad;
feit 5: in vereniging met anderen een vuurwapen van categorie III, onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, een CZ Vz61(Skorpion), kaliber 7.65br/.32 auto, voorhanden heeft gehad;
feit 6: in vereniging met anderen 272,16 gram aan hasjiesj aanwezig heeft gehad;
feit 7: als bestuurder van een auto de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1 hij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle en/of Steenwijk, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of - het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, heroïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - een hoeveelheid cocaïne, een hoeveelheid heroïne en/of een hoeveelheid MDMA, - een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal, bestaande uit plastic, gripzakjes en/of ponypacks - een (keuken)weegschaal en/of - een grote hoeveelheid contant geld, voorhanden te hebben;
feit 2 hij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle en/of Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 163,35 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 37,38 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3 hij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 333,84 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 220,50 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 4 hij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, type Vzor 70, kaliber 9x19 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
feit 5 hij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool (Skorpion), van het merk CZ, type VZ61, kaliber 7.65 br/.32 auto zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;
feit 6 hij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 272,16 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 7 hij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, IJsselallee en/of Hanzelaan, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - te rijden met hoge snelheid, althans met een aanzienlijk grotere snelheid dan de daar krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, - in strijd met het gestelde in artikel 55 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 alvorens één of meerdere voertuigen in te halen geen teken te geven met de richtingaanwijzer van het door hem bestuurde voertuig, - met een snelheid van 120 kilometer per uur, althans met een aanzienlijk grotere snelheid dan de daar krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, een voetgangersoversteekplaats te naderen en/of - in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen voorrang te verlenen aan een of meerdere voetgangers, die een voetgangersoversteekplaats overstaken en/of op het punt stonden om dat te doen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde moet verdachte partieel worden vrijgesproken van de verdovende middelen en de weegschaal aangetroffen in de woning van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), de moeder van verdachte. Voor het onder feit 6 ten laste gelegde moet verdachte in het geheel worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder
feit 1, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde. Voor het onder feit 2 en feit 7 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 7 ten laste gelegde heeft begaan. Voor het overige ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte vrijspreken.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank zal bij de bespreking van de feiten, in afwijking van de volgorde van de tenlastelegging, eerst het onder feit 2, feit 3 en feit 6 ten laste gelegde en vervolgens het onder feit 1, feit 4, feit 5 en feit 7 ten laste gelegde behandelen.
Ten aanzien van het onder feit 2, feit 3 en feit 6 ten laste gelegde bezit van verdovende middelen
- Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde bezit van verdovende middelen. Het gaat hierbij om het bezit van in totaal 163,35 gram cocaïne en 37,78 gram heroïne, dat is aangetroffen in het voertuig en de woning van verdachte. Verdachte heeft dit feit bekend en door verdachte of zijn raadsman is ten aanzien daarvan geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal om die reden - overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv - met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
1. het proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen van 3 november 2025,
pagina’s 29 tot en met 41;
2. het proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen van 3 november 2025, pagina’s 111 tot en met 128;
3. het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina’s 129 tot en met 150 inclusief bijlagen van 5 november 2025, pagina’s 129 tot en met 163;
4. het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting op 18 augustus 2026, voor zover inhoudende de (bekennende) verklaring van verdachte.
- Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat in de woonkamer van de woning van [medeverdachte] in een gouden beeld dat op de kast stond twee zakken van respectievelijk 294,25 en 38,07 gram cocaïne werd aangetroffen. Vervolgens werd in de schuur naast de woning in een gele tas 216,46 gram MDMA en in een rugzak 4,04 gram MDMA en 1,52 gram cocaïne aangetroffen.
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde 332,32 gram cocaïne aanwezig heeft gehad, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aangetroffen cocaïne noch dat hij hier beschikking over heeft gehad.
Voorts acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde 216,46 gram MDMA in de gele tas en 4,04 gram MDMA en 1,52 gram cocaïne in de rugzak aanwezig heeft gehad. Ook in dit geval kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van deze verdovende middelen dan wel hier de beschikking over heeft gehad. Verdachte, die niet woonachtig is op het adres van [medeverdachte] , is weliswaar gezien bij de woning kort voor zijn aanhouding, maar daarbij is niet gezien dat hij een tas of iets dergelijks bij zich had. Het dossier bevat verder geen observaties of andere aanwijzingen waaruit blijkt dat verdachte eerder bij de woning is gezien met een tas of de inhoud hiervan. De observatie van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat in de tas die is aangetroffen in de schuur van [medeverdachte] soortgelijk geel verpakkingsmateriaal is aangetroffen dat ook in de auto van verdachte is gevonden, vormt weliswaar een aanwijzing dat de tas aan verdachte zou kunnen toebehoren, maar is op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat de tas en de zich daarin bevindende drugs van verdachte waren.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan. Daarom zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.
- Ten aanzien van het onder feit 6 ten laste gelegde
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder feit 6 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De rechtbank kan op basis van het dossier en de behandeling op de zitting niet vaststellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aangetroffen hasjiesj in de woning van [medeverdachte] noch dat hij hier beschikking over heeft gehad.
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde verrichten van voorbereidingshandelingen
De aangetroffen voorwerpen
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 2 november 2025 in zijn auto en woning een hoeveelheid verdovende middelen, te weten cocaïne en heroïne, voorhanden heeft gehad. Daarnaast zijn ponypacks, verpakkingsmateriaal en contant geld ter waarde van € 1.000,- en € 185,- in verschillende coupures aangetroffen. Verdachte heeft ook bekend dat deze voorwerpen in zijn auto en woning lagen. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de ten laste gelegde weegschaal omdat die is gevonden in de woning van medeverdachte [medeverdachte] en niet kan worden vastgesteld dat deze aan verdachte toebehoort.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de onder feit 1 ten laste gelegde voorwerpen, met uitzondering van de weegschaal, voorhanden heeft gehad op grond van de hieronder opgesomde bewijsmiddelen:
1. het proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen van 3 november 2025,
pagina’s 29 tot en met 41;
2. het proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen van 3 november 2025, pagina’s 111 tot en met 128;
3. het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina’s 129 tot en met 150 inclusief bijlagen van 5 november 2025, pagina’s 129 tot en met 163;
4. het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting op 18 augustus 2026, voor zover inhoudende de (bekennende) verklaring van verdachte.
De voorbereidingshandelingen
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of verdachte met deze voorwerpen voorbereidende handelingen in het kader van de Opiumwet heeft verricht.
Verdachte heeft hierover verklaard dat hij geen voorbereidingshandelingen heeft verricht, maar dat hij de voorwerpen alleen in bewaring had voor een onbekend gebleven persoon. Hij zou dit bewaren tot aan de kerstperiode voor een niet nader afgesproken geldbedrag. Verdachte was ervan uitgegaan dat hij een ‘goede betaling’ zou ontvangen.
De rechtbank is van oordeel dat het samenstel van de reeds opgesomde voorwerpen niet anders kan worden uitgelegd dan dat zij dienden als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De aangetroffen goederen passen naadloos bij de handel in en het bewerken en verwerken van de verdovende middelen die zijn aangetroffen en kunnen volgens de rechtbank onder de gegeven omstandigheden geen ander, legaal doel hebben gehad.
De rechtbank acht de door verdachte gegeven verklaring over de voorwerpen ongeloofwaardig. Verdachte heeft op geen enkele wijze informatie, zoals de naam van de persoon, naar voren gebracht waarmee zijn verklaring kan worden geverifieerd. Daarbij komt het de rechtbank onaannemelijk over dat verdachte akkoord zou zijn gegaan met het bewaren van een behoorlijk grote hoeveelheid verdovende middelen, met alle risico’s van dien, zonder daarvoor een concrete vergoeding af te spreken. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat de goederen niet netjes waren bewaard in een of twee tassen, maar dat ze verspreid lagen in zowel de woning als de auto. Daarom zal de rechtbank de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde schuiven. De rechtbank stelt dan ook vast dat de aangetroffen voorwerpen aan verdachte toebehoren.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde verrichten van voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend is bewezen.
Ten aanzien van het onder feit 4 en feit 5 ten laste gelegde
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat in de schuur bij de woning van [medeverdachte] in een rugzak twee vuurwapens zijn aangetroffen. Het eerste vuurwapen betreft een pistool van het merk CZ model Vzo(r) 70 dat onder artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1, van de Wet wapens en Munitie (WWM) valt. Het tweede vuurwapen betreft een machinepistool van het merk CZ type VZ61 dat onder artikel 2, eerste lid, categorie II onder 2, van de WWM valt. Dee rechtbank is van oordeel dat het voorhanden hebben van deze vuurwapens onder de verbodsbepaling van artikel 26, eerste lid, van de WWM valt.
Verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap heeft gehad van de vuurwapens of dat hij daarbij op een andere manier betrokken is geweest. Hoewel verdachte bekend is met de personen wiens DNA zich op het wapen bevinden, [naam 1] , een oud klasgenoot, en [naam 2] , zijn neef, heeft hij niets met de vuurwapens te maken. Wel heeft hij [naam 1] lang geleden verteld dat hij wel dingen kon opslaan in het schuurtje. Destijds woonde verdachte ook nog op het adres van [medeverdachte] . Hij zou toen hebben gezegd dat [naam 1] geen vreemde of gevaarlijke dingen mocht opslaan.
De rechtbank kan niet dan wel onvoldoende vaststellen dat verdachte eigenaar was van de vuurwapens, dan wel zich bewust was van de vuurwapens in de schuur of dat hij de beschikkingsmacht heeft gehad over deze vuurwapens. Zoals de rechtbank eerder heeft vastgesteld, is verdachte niet woonachtig op het adres. Daar komt bij dat zijn DNA niet is aangetroffen op de wapens. Dit geldt wel voor [naam 1] en [naam 2] . Hoewel [naam 2] geen verklaring heeft willen afleggen, heeft [naam 1] in een politieverhoor van 8 juli 2026 verklaard dat hij omstreeks oktober 2025, toen verdachte op vakantie was in Egypte, de vuurwapens in de schuur heeft neergelegd zonder dat verdachte of [medeverdachte] wisten dat verdachte op 2 november 2025 contact heeft gehad met [naam 1] en [naam 2] , dat zij voorafgaand en na de aanhouding van verdachte zijn gezien bij de woning van [medeverdachte] en de telefoon van [naam 1] is uitgestraald bij dit adres in de tijdsperiode waarin verdachte in de woning moet zijn geweest, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarom acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan en zal hem daarom voor deze feiten vrijspreken.
Ten aanzien van het onder feit 7 ten laste gelegde
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 7 ten laste gelegde. Verdachte heeft dit feit bekend en door verdachte of zijn raadsman is ten aanzien daarvan geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal om die reden - overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv - met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
1. het proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen van 3 november 2025,
pagina’s 29 tot en met 41;
2. het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 augustus 2026, voor zover inhoudende de (bekennende) verklaring van verdachte.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 hij op 2 november 2025 te Zwolle en Steenwijk, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten - voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - een hoeveelheid cocaïne, een hoeveelheid heroïne en een hoeveelheid MDMA, - een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal, bestaande uit plastic, gripzakjes en ponypacks en - een grote hoeveelheid contant geld, voorhanden te hebben;
feit 2 hij op 2 november 2025 te Zwolle en Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 163,35 gram cocaïne en ongeveer 37,38 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 7 hij op 2 november 2025 te Zwolle, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, IJsselallee en Hanzelaan, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - te rijden met hoge snelheid, althans met een aanzienlijk grotere snelheid dan de daar krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, - in strijd met het gestelde in artikel 55 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 alvorens één of meerdere voertuigen in te halen geen teken te geven met de richtingaanwijzer van het door hem bestuurde voertuig, - met een aanzienlijk grotere snelheid dan de daar krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, een voetgangersoversteekplaats te naderen en - in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen voorrang te verlenen aan een of meerdere voetgangers, die een voetgangersoversteekplaats overstaken en op het punt stonden om dat te doen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, onder C, 10 en 10a van de Opiumwet, de artikelen 5a en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met de artikelen 49 en 55 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 7
het misdrijf: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte voor het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast moet een ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat moet worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis. Ten aanzien van de OBM refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 2 november 2025 schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Verdachte heeft in totaal 163,35 gram cocaïne en 37,78 gram heroïne voorhanden gehad en voorbereidingshandelingen inzake de handel van verdovende middelen verricht. Dit zijn ernstige feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs kan leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Dit is een gevaar voor de volksgezondheid en het heeft zeer ernstige gevolgen voor zowel de gebruikers als hun naasten. Daarbij komt dat de handel in harddrugs gepaard gaat met vele andere vormen van criminaliteit.
Daarnaast heeft verdachte zich, als bestuurder van een Seat Leon, op een zondagavond in Zwolle in het verkeer ernstig misdragen door met extreme snelheden te rijden en daardoor gevaarlijk in te halen en voetgangers geen voorrang te verlenen. Verdachte heeft zich in een poging te ontkomen aan de politie onverantwoordelijk gedragen en heeft welbewust onaanvaardbare risico’s genomen, waarmee hij andere weggebruikers en voetgangers/andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar heeft gebracht. Het gedrag van de verdachte vormt een welbewuste ernstige overtreding van de verkeersregels. De verklaring van verdachte dat hij uit paniek heeft gehandeld doet daar niets aan af. Door zo te handelen heeft verdachte levensgevaarlijke situaties gecreëerd en onaanvaardbare risico’s genomen. Het is aan toeval te danken dat er geen ongelukken zijn gebeurd. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Vanwege de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals hiervoor omschreven, kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 6 juli 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare Opiumwet feiten.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op een reclasseringsrapport van 29 januari 2026 Daarin heeft de reclassering beschreven dat verdachte een 20-jarige jongeman is met een inmiddels vijfjarig zoontje bij zijn ex-partner. Als gevolg van zijn aanhouding is verdachte zijn woning kwijtgeraakt, heeft hij zijn opleiding voortijdig moeten afbreken en heeft hij alleen telefonisch contact gehad met zijn zoontje. De reclassering schat in dat het risico op recidive en het risico op letsel aanwezig is. Vanwege de overwegend sociaal wenselijke alsook berekende en pro-criminele houding van verdachte wordt onvoldoende zicht verkregen op (de belevingswereld van) verdachte waardoor gedragsverandering en/of recidive vermindering niet of nauwelijks van de grond komt. Bij een veroordeling is ook sprake van een delictpatroon.
De reclassering adviseert bij een veroordeling toepassing van het volwassenenstrafrecht en de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij voorwaarden (interventies of toezicht) niet nodig vindt.
Verdachte heeft op de zitting van 18 augustus 2026 verklaard dat hij het liefst zo snel mogelijk vrij wilt komen om aan het werk te gaan en om er voor zijn zoontje te zijn. Hij zou graag hulp willen hebben bij praktische zaken zoals het zoeken naar een woning.
De strafoplegging
De gevangenisstraf
De rechtbank houdt naast wat zij hiervoor heeft overwogen bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd.
Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank houdt er in het nadeel van verdachte rekening mee dat verdachte alleen opening van zaken heeft gegeven die hij redelijkerwijs niet kon ontkennen en verder geen verantwoordelijkheid heeft genomen. Daarbij komt dat verdachte kennelijk niets heeft geleerd van de eerdere veroordeling in 2024 voor soortgelijke Opiumwet feiten en willens en wetens is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank ziet in zoverre geen andere mogelijkheid dan verdachte af te straffen en zal hierbij niet volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Tegelijkertijd zal de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf lager uitvallen dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van meerdere feiten.
De rechtbank vindt, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
De ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM)
De rechtbank zal daarnaast, gelet op de ernst van het onder feit 7 bewezen verklaarde en in afwijking van de eis van de officier van justitie, een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden opleggen.
8. De in beslag genomen voorwerpen
De standpunten van partijen
De officier van justitie neemt het standpunt in dat het in beslag genomen personenvoertuig, een Seat Leon, met kenteken [kenteken] , moet worden onttrokken aan het verkeer en dat een geldbedrag van € 1.000,- en € 185,- verbeurd moet worden verklaard.
De verdediging verzoekt om teruggave van het geldbedrag van € 1.000,- en de Seat Leon. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en op de beslaglijst van 10 juni 2026 vermelde Seat Leon, met kenteken [kenteken] , op grond van artikel 36b in samenhang bezien met artikel 36c Sr vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en zij zal dit dan ook beslissen. Het onder feit 7 bewezen verklaarde is met behulp van dit voorwerp begaan.
De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde geldbedrag, totaal € 1.185,-, vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat het een voorwerp betreft dat aan verdachte toebehoort en dat geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de het strafbare onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde is verkregen.
9. De vordering tenuitvoerlegging
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de toewijzing van de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om afwijzing van de vordering.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de jeugddetentie van 6 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), die de meervoudige kamer in deze rechtbank op 25 maart 2024 voorwaardelijk aan verdachte heeft opgelegd, moet worden toegewezen. Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig gemaakt. De consequentie daarvan is dat hij deze voorwaardelijke jeugddetentie alsnog moet uitzitten. De rechtbank is, gelet op het advies van de reclassering, van oordeel dat de veroordeelde niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie, zodat de straf ten uitvoer dient te worden gelegd in de vorm van een gevangenisstraf.
10. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 57 Sr en artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.
11. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2, en feit 7 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 7
het misdrijf: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 (één) jaar);
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten
een geldbedrag van in totaal € 1.185,-;
- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen voorwerp, te weten
een Seat Leon met kenteken [kenteken];
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-334527-23
- beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel van 25 maart 2024 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden, in de vorm van een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.M. Fluttert, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Struik, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.