ECLI:NL:RBOVE:2026:5360

ECLI:NL:RBOVE:2026:5360

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 08-292601-25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 40-jarige vrouw tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorhanden hebben van harddrugs in haar woning.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-292601-25 (P)

Datum vonnis: 1 september 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. M.J. van den Hoonaard, advocaat in Baarn, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 november 2025 in Zwolle en/of Steenwijk al dan niet in vereniging:

feit 1: ongeveer 333,84 gram cocaïne en ongeveer 220,50 gram MDMA aanwezig heeft gehad;

feit 2: een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, een CZ Vzor 70, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad;

feit 3: een vuurwapen van categorie III, onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, een CZ Vz61 (Skorpion), kaliber 7.65br/.32 auto, voorhanden heeft gehad;

feit 4: 272,16 gram aan hasjiesj aanwezig heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

feit 1 zij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 333,84 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 220,50 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2 zij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, type Vzor 70, kaliber 9xl9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

feit 3 zij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie,

te weten een machinepistool (Skorpion), van het merk CZ, type VZ61, kaliber 7.65 br/.32 auto zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;

feit 4 zij op of omstreeks 2 november 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 272,16 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het medeplegen. Ten aanzien van feit 1 dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van de drugs die in de schuur is aangetroffen. Ook dient verdachte voor de feiten 2 en 3 te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat verdachte integraal van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hieronder beschreven. Ten aanzien van de in de schuur van verdachte aangetroffen verdovende middelen moet verdachte partieel worden vrijgesproken. Voor het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van de onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde aanwezigheid van verdovende middelen

De aangetroffen verdovende middelen

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat in de woonkamer van de woning van verdachte op een houten kast twee blokken hasjiesj van 272,16 gram zijn aangetroffen. Daarnaast werd in een gouden beeld dat op de kast stond twee zakken van respectievelijk 294,25 en 38,07 gram cocaïne aangetroffen. Vervolgens werd in de schuur naast de woning in een gele tas 216,46 gram MDMA en in een rugzak 4,04 gram MDMA en 1,52 gram cocaïne aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat de onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde verdovende middelen zich in de woning en in de schuur van verdachte bevonden en bezigt daartoe de hieronder opgesomde bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen van 3 november 2025,

pagina’s 47 tot en met 63;

2. het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina’s 129 tot en met 150;

3. een geschrift, te weten een NFiDENT rapport van 5 november 2025, pagina 161, opgemaakt door ing. [verbalisant];

4. een geschrift, te weten een NFiDENT rapport van 5 november 2025, pagina 157, opgemaakt door ing. [verbalisant];

5. het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 augustus 2026, inhoudende de (bekennende) verklaring van verdachte..

Aanwezig hebben van de verdovende middelen

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte de verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Hiervoor is vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van deze verdovende middelen en hierover ook de beschikking heeft gehad.

De rechtbank is, zoals ook naar voren is gebracht door de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder feit 1 ten laste gelegde 220,50 gram MDMA en 1,52 gram cocaïne in bezit heeft gehad. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte wetenschap van of beschikking over heeft gehad van de cocaïne en MDMA in de schuur van haar woning. Weliswaar behoorde de schuur bij haar woning, maar niet valt uit te sluiten, gelet op de diverse verklaringen van medeverdachte [medeverdachte], haar zoon, en anderen, dat ook anderen toegang hadden tot de schuur. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het bezit van 220,50 gram MDMA en 1,52 gram cocaïne.

De rechtbank komt wel tot bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de aangetroffen drugs in de woning. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte ten tijde van het aantreffen van de drugs in haar woning daar woonde met twee zoons. Dit betekent dat de aangetroffen drugs zich bevond in de machtssfeer van verdachte. Degene die de beschikkingsmacht heeft over zoals in dit geval de woning en de daarbij behorende woonkamer, kan in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de aanwezigheid van wat zich daarin bevindt. Voorts kan diegene geacht worden wetenschap te hebben van hetgeen daar aanwezig is.

Verdachte heeft verklaard dat zij zich niet bewust was van de aanwezigheid van de drugs en dat zij voorafgaand aan de doorzoeking van 2 november 2025 niets heeft gezien. Zij heeft ook geen idee wie het daar kan hebben neergelegd omdat, behalve haar zoons en hun vriendinnen, niemand in haar huis komt. Bovendien is de kast ongeveer twee meter hoog en is zij nog geen 1 meter 60 lang. Dit maakt dat zij de drugs ook niet heeft kunnen zien.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de in het dossier opgenomen foto’s van de plaats delict, volgt dat de verdovende middelen binnen handbereik en in het zicht lagen op de kast in haar woonkamer. Hoewel uit het dossier niet valt af te leiden hoe lang de drugs in haar woonkamer hebben gelegen, moet dit in ieder geval vóór 2 november 2025 zijn geweest. Dat verdachte niets zou hebben gezien acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het is niet voorstelbaar dat verdachte op geen enkel moment in de buurt van de kast zou zijn geweest en niet heeft gezien dat er iets lag wat niet van haar of haar zoons zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zij totaal geen wetenschap zou hebben van wie de forse hoeveelheid verdovende middelen, die logischerwijs een aanzienlijke financiële waarde vertegenwoordigen, midden in haar woonkamer op een kast en in een beeldje kan hebben gelegd, ongeloofwaardig. Daarom zal de rechtbank de verklaring van verdachte terzijde schuiven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning en zodoende ook de beschikkingsmacht heeft gehad over deze verdovende middelen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde aanwezig hebben van verdovende middelen wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Partiële vrijspraak medeplegen

De rechtbank is het met de officier van justitie en raadsman eens dat het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat uit het dossier niet valt af te leiden dat een of meer anderen hierbij betrokken zijn geweest. Daarom zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bezit van vuurwapens

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De rechtbank kan op basis van het procesdossier en de behandeling op de zitting niet vaststellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de aangetroffen vuurwapens in de schuur van haar woning noch dat zij de beschikking heeft gehad over deze wapens. De rechtbank zal verdachte van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde vrijspreken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 zij op 2 november 2025 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 332,32 gram zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 4 zij op 2 november 2025 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 272,16 gram zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, onder C, 3, onder C, 10 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte voor het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat moet worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis of een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 2 november 2025 strafbaar gemaakt aan het bezit van 332,32 gram cocaïne en 272,16 gram hasjiesj. Deze verdovende middelen heeft verdachte in haar woning bewaard. Met haar gedragingen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de handel in verdovende middelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs schade kan aanrichten aan de gebruikers daarvan en kan leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Dit is een gevaar voor de volksgezondheid en het heeft zeer ernstige gevolgen voor zowel de gebruikers als hun naasten.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 6 juli 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op een reclasseringsrapport van 13 april 2026 en op wat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.

Verdachte is een nu 40-jarige vrouw die voorafgaand aan de aanhouding een eigen woning had waarin zij verbleef met haar twee zoons en bezig was met een opleiding tot schoonmaakster. Als gevolg van de bewezen verklaarde feiten is verdachte haar woning definitief kwijtgeraakt en verblijft zij nu bij haar vader. Haar potentiële baan als schoonmaakster staat op pauze zolang onduidelijkheid bestaat over de toekenning van een VOG. Twee van haar kinderen wonen bij de moeder van verdachte. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte zich aan de afspraken gehouden en is de gedragsinterventie CoVa afgerond. Tot op heden ontvangt verdachte hulpverlening.

De reclassering schat in dat het risico op recidive laag is.

De reclassering adviseert bij een veroordeling de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij voorwaarden (interventies of toezicht) niet nodig vindt. De oplegging van een gevangenisstraf wordt niet wenselijk geacht omdat het een negatieve invloed zal hebben op de huidige stabiele leefsituatie en het recidive verhogend kan zijn.

De strafoplegging

De rechtbank houdt naast wat zij hiervoor heeft overwogen bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd.

Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk negatieve gevolgen voor verdachte heeft, acht de rechtbank de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten dusdanig ernstig dat zij reden ziet om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank vindt, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

7. De in beslag genomen voorwerpen

De standpunten van partijen

De officier van justitie neemt het standpunt in dat de in beslag genomen weegschaal verbeurd moet worden verklaard.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde weegschaal vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie)maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

het in beslag genomen voorwerp

- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een weegschaal

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.M. Fluttert, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Struik, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.G.M. Fluttert
  • mr. A. van Holten
  • mr. S.H. Peper

Griffier

  • mr. C.L. Struik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand