RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11165647 \ CV EXPL 24-1307
Vonnis van 12 mei 2026
in de zaak van
1. [eiser] ,
wonende te [woonplaats 1],2. [eiseres] ,
wonende te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser] c.s. (in mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. T.R.H. van Erp Taalman Kip,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. F. Kolkman.
1. De zaak in het kort
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] in de woning van [eiser] c.s. een ondervloer egaliseert en tegels legt. [eiser] c.s. is ontevreden over het werk van [gedaagde]; hij stelt dat de tegels ongelijk zijn gelegd, de voegkleur te licht is en de voegbreedte teveel varieert. Hij vordert in deze procedure onder meer een schadevergoeding.
Bij tussenvonnis van 25 maart 2025 heeft de kantonrechter een deskundige benoemd. De deskundige heeft een rapport uitgebracht.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat de tegelvloer voldoet aan wat [eiser] c.s. redelijkerwijs mocht verwachten. Op slechts twee plekken zijn hoogteverschillen geconstateerd die de norm met maximaal 1,6 mm overschrijden, terwijl deze afwijkingen niet visueel waarneembaar zijn en bij normaal gebruik geen voelbare hinder opleveren. Daarnaast acht de kantonrechter het te vroeg afdekken van de vloer de meest aannemelijke oorzaak van het feit dat de voegen lichter van kleur zijn dan overeengekomen. Dit komt voor risico en rekening van [eiser] c.s., omdat hij de stelling – dat de door [gedaagde] ingeschakelde tegelzetter na het weekend zou hebben gezegd dat de vloer mocht worden afgedekt – onvoldoende heeft onderbouwd.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] c.s. af en veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 28 januari 2025 en het tussenvonnis van 25 maart 2025. Bij tussenvonnis van 25 maart 2025 is De Bouwexpert als deskundige benoemd. Na het ontvangen van het deskundigenbericht van De Bouwexpert, heeft de rechtbank op 19 januari 2026 en op 17 februari 2026 van respectievelijk [eiser] c.s. en [gedaagde] een conclusie na deskundigenbericht ontvangen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
De kantonrechter verwijst naar de vastgestelde feiten in het tussenvonnis van 28 januari 2025. Nadien heeft De Bouwexpert op 7 november 2025 een deskundigenrapport uitgebracht.
In het rapport van De Bouwexpert staat:
ten aanzien van de toepasselijke norm:
“(…) NEN 2747 niet geschikt is als beoordelingskader voor het aangebrachte vloertegelwerk. Deze norm is uitsluitend van toepassing op de vlakheid van onafgewerkte vloerconstructies zoals cementgebonden dekvloeren, gietvloeren en betonvloeren, en sluit expliciet vloerafwerkingen zoals tegelwerk uit van haar toepassingsgebied.
(…)
De URL 35-101 is technisch relevant, maar volgens ondergetekende technisch juridisch niet bindend in deze zaak, omdat [gedaagde] niet gecertificeerd is, en partijen niet hebben afgesproken dat URL 35-101 zou gelden;
De beoordeling van het werk moet volgens ondergetekende daarom plaatsvinden op basis van algemene technische maatstaven, visuele inspectie, en het beginsel van goed en deugdelijk werk, waarbij URL 35-101 slechts als referentiekader kan dienen.
De stelling van de heer [eiser] dat de versie van URL 35-101 d.d. 13 april 2018 niet als maatgevend zou kunnen worden beschouwd, wordt door ondergetekende niet onderschreven. Immers, deze versie is op 13 april 2017 door het bestuur van SKG-IKOB Certificatie B.V. als bindend verklaard (…). Naar aanleiding van de opmerkingen van de heer [eiser] heeft ondergetekende een inhoudelijke analyse verricht van de verschillen tussen de versies van URL 35-101 uit 2015 en 2018. (…) Ten aanzien van maattoleranties en toegestane maatafwijkingen stelt ondergetekende vast dat er in de versie van 2018 geen wijzigingen zijn doorgevoerd die zouden leiden tot een andere beoordeling of uitkomst van het onderzoek.”
ten aanzien van de hoogteverschillen:
“Uit de metingen blijkt dat:
de meerderheid van de onderzochte locaties voldoet aan de vlakheids- en hoogte criteria zoals omschreven in de URL 35-101 voor tegelgroep 2 / vlakheidsklasse 3;
op twee specifieke locaties (bij de voormalige open haard en de overgang tussen bijkeuken en garage) is sprake van een zeer beperkte overschrijding van de normatieve toleranties.
deze afwijkingen zijn, m.u.v. het raamkozijn t.p.v. de voorgevel, visueel niet waarneembaar en tijdens normaal gebruik nergens voelbaar (voelbaar oplopend);
de afwijkingen zijn bovendien verklaarbaar door de bestaande bouwkundige situatie, zoals het verwijderen van de haard en het niveauverschil tussen de oorspronkelijke vloer van de garage en de bijkeuken.
Ondergetekende concludeert dat de vloer in overwegende mate voldoet aan wat een consument redelijkerwijs mag verwachten, en dat de geconstateerde hoogteverschillen niet duiden op ondeugdelijk werk.
(…)
De URL 35-101 biedt een technisch adequaat kader voor het beoordelen van zowel lokale hoogteverschillen als het bredere verloop van de vloer. (…) De verrichte metingen (…), bieden voldoende inzicht in de hoogteverschillen en het verloop van de vloer om de door de rechtbank gestelde vragen adequaat te beantwoorden.
(…)
Deze uitvoeringsrichtlijn (…) besteedt tevens aandacht aan visuele beoordeling en gebruikservaring.
(…)
In de onderhavige casus betreft het een tegelvoer van circa 90 m2, verdeeld over meerdere ruimten, waarbij maar op twee locaties de normgrens nagenoeg wordt overschreden. Nu op deze locaties geen visuele afwijkingen waarneembaar zijn en er bij normaal gebruik geen voelbare hinder optreedt, acht ondergetekende afkeuring op basis van ISO 7976-2 en URL 35-101 niet gerechtvaardigd. (…)
In de URL 35-101 dient men conform de diverse tabellen de maximale afwijkingen in mm op 0,5 mm nauwkeurig af te ronden (0,5 mm is al heel erg weinig), hetgeen niet betekent dat men deze afwijking naar boven moet afronden, hetgeen volgens ondergetekende ook niet reëel zou zijn, omdat men de afwijking groter zou maken dan dat deze daadwerkelijk is.
(…)
Ondergetekende heeft Kuiper expliciet de gelegenheid gegeven om meetlocaties aan te wijzen (…)
(…)(…)
Daarbij geldt dat de kosten van volledige vervanging van de vloer niet in verhouding staan tot de aard en ernst van de geconstateerde afwijkingen.
(…)
Een afwijking van 14 mm over 1,5 meter zou in beginsel buiten deze tolerantie vallen, maar in het onderhavige geval is een dergelijke afwijking niet gemeten op de onderzochte locaties. De gemeten afwijkingen zijn beperkt tot maximaal 1,6 mm ( zie productie 2D, foto 104) .
(…)
Hoogteverschillen over grotere afstanden kunnen technisch worden gemeten (…)
In deze zaak/casus is dat niet noodzakelijk gebleken, omdat:
De toegepaste meetmethode (2-meter rei) voldoet aan de richtlijn;
Er zijn geen visueel storende of functioneel hinderlijke afwijkingen geconstateerd;
De vloer voldoet in overwegende mate aan de eisen van goed en deugdelijk werk;
De NEN 2747 is niet van toepassing op tegelwerk.”
ten aanzien van de voegkleur:
“De recente beelden tonen (…) aanzienlijke vervuiling/(vergeling) van het tegeloppervlak, hetgeen ondergetekende tot de conclusie brengt dat de huidige situatie niet representatief is voor de oorspronkelijke opleverstaat. (…) De huidige toestand kan derhalve niet dienen als grondslag voor een beoordeling van de oorspronkelijke uitvoering, noch als basis voor het vaststellen van eventuele gebreken.
(…)
De foto’s uit (oktober) 2018 tonen een voegwerk dat consistent grijs en egaal van kleur is, hetgeen duidt op een correcte en cementsluiervrij oplevering conform de eisen van goed en deugdelijk werk. De latere beelden uit 2025 tonen daarentegen aanzienlijke vervuiling van het tegeloppervlak, hetgeen met redelijke mate van aannemelijkheid het gevolg is van gebruik, reiniging met ongeschikte middelen zoals groene zeep, en het afdekken van de vloer met niet-ademend materiaal.
(…)
Cementsluier acht ondergetekende in deze situatie als primaire oorzaak van de kleurverschillen niet aannemelijk. Volgens ondergetekende en op basis van de bevindingen in het rapport van Jabjo uit 2018 was de vloer bij oplevering sponsschoon en cementsluiervrij. De voegkleur was toen egaal grijs.
(…)
Ondergetekende acht het niet aannemelijk dat sprake is van een kleurverandering van de voegen in een later stadium als gevolg van de aanwezigheid van cementsluier. Het toegepaste voegmateriaal betrof een geprefabriceerd voegmiddel met een homogene kleursamenstelling. De cementsluier die op de tegelvloer is waargenomen is afkomstig van ditzelfde voegmateriaal en beschikt derhalve over een identieke pigmentering.
(…)
(…) kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] zijn werk op dit punt niet goed heeft gedaan. De vloer is, (…) bij oplevering visueel schoon en ‘cementsluiervrij’ opgeleverd. (…)
Verkleuringen zijn aannemelijkerwijs ontstaan door het te vroeg afdekken van de vloer en reiniging door [eiser], niet door ondeugdelijk werk of pigmentuittreding.
(…)
Verkleuringsklachten worden eerder toegeschreven aan afdekken met niet-ademend materiaal en reiniging met groene zeep.
(…)
Ondergetekende merkt op dat het gebruik van groene zeep als reinigingsmiddel bij tegelvloeren technisch gezien niet per definitie onjuist is, maar dat herhaald gebruik ervan kan leiden tot een vettige laag en verkleuring van lichte voegen. (…)
(…)
Wat betreft de vraag of het gebruik van groene zeep in 2018 thans nog steeds verkleuring veroorzaakt, stelt ondergetekende dat dit niet aannemelijk is
(…)
De waarschijnlijke oorzaken van de lichtere voegkleur zijn:
Afdekken van de vloer met niet-ademend materiaal (zoals stucloper) kort na het voegen, waardoor het natuurlijke droogproces van het voegmiddel is verstoord;
Reiniging met groene zeep, waarvan bekend is dat bij herhaald gebruik de natuurlijke oliën zich kunnen ophopen in de poreuze structuur van de voeg, wat leidt tot een grauwe of gelige tint (…);
Normale veroudering en gebruik, waarbij vuilophoping, vocht en reinigingsmiddelen cumulatief invloed hebben op de visuele uitstraling van de voeg.”
4. 4. Het geschil
[eiser] c.s. vordert kort gezegd:
een schadevergoeding van € 19.475.30 inclusief btw;
een vergoeding van € 559,- in verband met benodigde opslagruimte c.q. het inhuren van een verhuisbedrijf als gevolg van vervanging van de vloer;
vergoeding van de expertisekosten van Technoconsult van € 1.945,08 inclusief btw;
e buitengerechtelijke kosten van € 1.203,70 (inclusief btw);
de proceskosten (inclusief nakosten);
de wettelijke rente over de onder a, c, d en e gevorderde bedragen.
In het tussenvonnis van 28 januari 2025 staat hetgeen [eiser] c.s. daartoe heeft aangevoerd. Naar aanleiding van het deskundigenbericht van De Bouwexpert voert [eiser] c.s. onder meer nog het volgende aan:
Ten aanzien van het hoogteverschil
De deskundige zegt dat URL 35-101 juridisch niet bindend is tussen partijen, maar feitelijk legt de deskundige het werk wel langs de meetlat van (onder meer) URL 35-101. Bovendien is URL 35-101 niet van toepassing omdat deze pas is vastgesteld nadat de vloer is gelegd. In de vorige URL-versie was NEN 2747 de norm voor de ondervloer. [gedaagde] is verantwoordelijk voor zowel de ondervloer als het tegelwerk.
De rapportage is onvolledig, omdat het niet ingaat op het rapport van Technoconsult, waarin juist aanwijzingen staan dat de ondervloer/egalisatielaag niet aan de te stellen eisen voldoet, dan wel het tegelwerk het resultaat slechter heeft gemaakt.
Het deskundigenbericht leunt in de uitwerking sterk op lokale vlakheids- en hoogtemetingen over beperkte meetlengtes, terwijl het verwijt van [eiser] c.s. juist (ook) ziet op het hoogteverloop/afschot.
Tijdens de schouw zijn hoogteverschillen van 14 en 18 millimeter verschil gemeten en die zijn door de deskundige niet in de meetwaarden opgenomen. [eiser] c.s. kan bewijs overleggen aan de hand van een geluidsopname/transcriptie.
Door afronden zijn meetwaarden/grenswaarden net passend gemaakt. Meetwaarden moeten volgens [eiser] c.s. niet worden afgerond.
Bovendien is bij de schouw niet de maximale afwijking opgezocht.
De deskundige gaat er op basis van ongefundeerde stellingen van [gedaagde] van uit dat de garage/berging “later” of “niet oorspronkelijk” zou zijn geweest. Het achteraf verwijzen naar een zogenaamde “bestaande bouwkundige situatie” kan niet dienen als vrijbrief om een resultaat met ongewenst hoogteverloop of afschot toch als goed en deugdelijk aan te merken, zonder dat vooraf duidelijk is gemaakt dat een vlak resultaat niet haalbaar zou zijn.
Als de bouwkundige situatie bovendien zo beperkend zou zijn dat een vlak en bruikbaar eindresultaat niet haalbaar was, dan had [gedaagde] hem daarvoor moeten waarschuwen en had een en ander met [eiser] c.s. moeten worden afgestemd.
Ten aanzien van de voegkleur:
Er zijn meer objectiveerbare aanknopingspunten dan de deskundige heeft benut. [eiser] c.s. beschikt over originele foto’s en beeldmateriaal waaruit blijkt dat cementsluier destijds aanwezig was. [eiser] c.s. heeft niet de gelegenheid gehad om dit materiaal alsnog over te leggen. Door verkeerd of te vroeg reinigen/afnemen bij donkere voegkleuren bestaat het risico op verkleuring. De deskundige heeft onterecht een afbeelding doorslaggevend gemaakt.
Als nu sprake is van vervuiling zou dat de voeg juist donkerder maken en niet lichter/witter. De initiële klacht (voorjaar 2018) was juist dat de voegen wit waren geworden. De deskundige beoordeelt dit visueel/subjectief, zonder kleurenkaart als referentie te gebruiken.
[eiser] verzoekt om de deskundige aanvullend te laten rapporteren dan wel een nieuwe deskundige te benoemen en biedt aan een geluidsopname/transcriptie van het onderzoek over te leggen.
[gedaagde] voert verweer. In het tussenvonnis van 28 januari 2025 staat hetgeen [gedaagde] daartoe heeft aangevoerd. Naar aanleiding van het deskundigenbericht van De Bouwexpert voert [gedaagde] nog aan dat de deskundige zowel de juiste norm heeft toegepast, als de juiste meetmethode heeft gebruikt en de juiste conclusie heeft getrokken op basis van de onderzoeksresultaten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Oplevering
Zoals al in het tussenvonnis van 28 januari 2025 overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de vloer niet is opgeleverd en [eiser] c.s. zijn rechten dus niet op grond van artikel 7:758 lid 3 BW is verloren. Voor de motivering van dat oordeel, verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis.
Rechtsverwerking
Evenzeer is al in het tussenvonnis van 28 januari 2025 overwogen dat de kantonrechter van oordeel is dat het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking niet slaagt. Voor de motivering van dat oordeel, verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis.
Uitlijning voegen
In het tussenvonnis van 28 januari 2025 is ook al overwogen dat de stelling van [eiser] c.s., dat de voegbreedte/uitlijning van de tegels teveel varieert, onvoldoende is onderbouwd. Ook voor deze motivering verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis.
De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] op dit gebied niet is tekortgeschoten.
Norm hoogteverschillen
Tussen partijen is in geschil welke norm moet worden gehanteerd bij de beoordeling van de hoogteverschillen tussen de tegels. [eiser] c.s. stelt dat de hoogteverschillen tussen de tegels niet aan de NEN 2747-norm voldoen en [gedaagde] verwijst naar URL 35-101.
In het rapport van De Bouwexpert staat dat NEN 2747 niet geschikt is als beoordelingskader, omdat tegelwerk niet onder het toepassingsgebied valt. De beoordeling moet volgens De Bouwexpert plaatsvinden op basis van algemene technische maatstaven, visuele inspectie en het beginsel van goed en deugdelijk werk, waarbij URL 35-101 als referentiekader kan dienen. In het rapport van Technoconsult staat bovendien dat (naast de toepasselijkheid van NEN 2747) URL 35-101 kan worden gezien als stand van de techniek. In de reactie op het rapport van Technoconsult schrijft Jabjo ook vanuit URL 35-101 te werken.
De kantonrechter overweegt dat alle deskundigen het erover eens zijn dat URL 35-101 als referentiekader kan dienen om te beoordelen of de gelegde tegelvloer voldoet aan hetgeen een consument (in dit geval: [eiser] c.s.) mocht verwachten. De kantonrechter volgt bovendien De Bouwexpert, dat de NEN 2747 daartoe niet geschikt is. Weliswaar heeft [gedaagde] ook de ondervloer geëgaliseerd, maar het gaat er uiteindelijk om dat [eiser] c.s. een tegelvloer heeft die qua vlakheid voldoet aan hetgeen hij mocht verwachten. Dit is te beoordelen met URL 35-101 als referentiekader.
[eiser] c.s. voert nog aan dat URL 35-101 pas op 13 april 2018 is vastgesteld, dus nadat de vloer is gelegd en dat in de vorige URL-versie NEN 2747 de norm voor de ondervloer was.
De kantonrechter gaat aan deze stelling voorbij. Niet gebleken is dat partijen (formeel) gebonden zijn aan URL 35-101. URL 35-101 geeft alleen de stand van de techniek in die periode weer en dient alleen als referentiekader van wat een consument in die periode van een tegelvloer mocht verwachten. Bovendien zijn de eisen aan de vlakheid van de ondergrond niet gewijzigd ten opzichte van de URL-versie van daarvoor. Ook in het rapport van De Bouwexpert staat dat ten aanzien van maattoleranties en toegestane maatafwijkingen in URL 35-101 uit 2018 geen wijzigingen zijn doorgevoerd die zouden leiden tot een andere beoordeling of uitkomst van het onderzoek ten opzichte van de versie uit 2015.
[eiser] c.s. heeft onvoldoende onderbouwd dat de uitkomst toch anders zou zijn geweest als een eerdere versie van URL 35-101 zou zijn toegepast. Dat NEN 2747 in de eerdere URL-versie wel als norm wordt gehanteerd – zoals [eiser] c.s. stelt – leest de kantonrechter niet in de eerdere versie van URL 35-101 terug.
Hoogteverschil
De kantonrechter heeft De Bouwexpert als deskundige benoemd, omdat Jabjo en Technoconsult tot andere conclusies kwamen ten aanzien van de door [gedaagde] gelegde tegelvloer; volgens Jabjo voldoet de vloer aan de daaraan gestelde eisen, terwijl Technoconsult concludeert dat de vlakheid van de vloer buiten de normen valt.
De kantonrechter volgt de conclusie van De Bouwexpert dat de vloer in overwegende mate voldoet aan wat een consument redelijkerwijs mag verwachten, en dat de twee geconstateerde hoogteverschillen– die de normen maximaal 1,6 mm overschrijden – niet duiden op ondeugdelijk werk. Volgens het rapport van De Bouwexpert zijn de afwijkingen visueel niet waarneembaar en tijdens normaal gebruik nergens voelbaar. Bij de afwijking die wel visueel zichtbaar was (bij het raamkozijn ter plaatse van de voorgevel) is geen normoverschrijding geconstateerd. Volgens De Bouwexpert is afkeuring op grond van URL 35-101 binnen de branche niet proportioneel. De kantonrechter deelt dat oordeel.
[eiser] c.s. brengt naar voren dat De Bouwexpert een meting van 3,4 naar 3 mm en een meting van 4,5 naar 4 mm heeft afgerond, waardoor die metingen door De Bouwexpert als binnen de norm van 3 c.q. 4 mm worden beoordeeld. De door [eiser] c.s. gestelde afronding van 4,5 naar 4 mm ziet de kantonrechter echter niet terug in de meetresultaten.
Ten aanzien van de afronding met 0,4 mm overweegt de kantonrechter dat dit kennelijk voor De Bouwexpert geen reden was om haar eindoordeel over de deugdelijkheid van de vloer te wijzigen. Ook de kantonrechter acht deze mogelijke ‘extra’ overschrijding van 0,4 mm geen reden om anders te oordelen dan hiervoor. De vloer voldoet – op enkele kleine hoogteverschillen na – aan wat [eiser] c.s. van de vloer mocht verwachten.
Daarnaast brengt [eiser] c.s. naar voren dat De Bouwexpert niet de maximale afwijking heeft opgezocht. De kantonrechter gaat aan dat verweer voorbij, aangezien uit het rapport blijkt dat [eiser] c.s. de gelegenheid heeft gehad plekken aan te wijzen om te meten.
Bovendien stelt [eiser] c.s. dat tijdens de schouw een hoogteverschil van 14 en 18 mm is gemeten, maar dat dit niet in (de meetresultaten van) het deskundigenrapport is opgenomen. [eiser] c.s. heeft echter niet onderbouwd op welke locatie die hoogteverschillen zouden zijn gemeten, en of die op de manier zijn gemeten conform de juiste beoordelingsmethodiek. De kantonrechter oordeelt dan ook dat [eiser] hiertoe onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld.
De Bouwexpert heeft daarnaast voldoende toegelicht waarom op grotere afstonden meten in dit geval niet noodzakelijk was; onder meer omdat de toegepaste meetmethode (2-meter rei) conform URL 35-101 is en geen visueel storende of functioneel hinderlijke afwijkingen waren geconstateerd.
De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat [gedaagde] op dit vlak niet tekort is geschoten.
Voegkleur
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een lichtere voegkleur dan overeengekomen. Zij verschillen alleen van mening over de oorzaak van het kleurverschil.
De kantonrechter acht het meest aannemelijk dat de voegen lichter zijn geworden dan overeengekomen, doordat de vloer te snel na het leggen/voegen door [eiser] c.s. is afgedekt. Alle deskundigen constateren dat dit een oorzaak zou kunnen zijn voor het lichter uitvallen van de voegkleur.
In het rapport van Jabjo lijkt te staan dat door het te laat reinigen van de vloer, het zou kunnen dat er cementsluier in de voegen terecht is gekomen en dat de voegen ook daardoor lichter kunnen zijn geworden. De kantonrechter volgt echter De Bouwexpert dat het niet aannemelijk is dat cementsluier in de voegen terecht is gekomen, onder meer omdat De Bouwexpert op basis van de foto’s uit 2018 concludeert dat sprake was van een cementsluiervrije oplevering en de cementsluier bovendien dezelfde pigmentering als de voegen had. De kantonrechter acht het daarom niet aannemelijk dat de voeg lichter is geworden door het te laat reinigen.
Volgens De Bouwexpert zouden latere verkleuringen wel nog toegerekend kunnen worden aan herhaald gebruik van groene zeep. In dit geval gaat het echter niet om de verkleuringen die later zijn ontstaan en na herhaaldelijk gebruik van groene zeep, maar over het lichter zijn van de voegen, vlak nadat de vloer door [gedaagde] was gelegd. [eiser] c.s. stelt – en zoals ook in een opmerking van [eiser] c.s. in het deskundigenrapport van De Bouwexpert staat – dat hij de groene zeep slechts enkele keren heeft gebruik, en pas nadat de klachten (op 4 april 2024) gemeld zijn. Bovendien staat in het rapport van De Bouwexpert dat bij (herhaald) gebruik van groene zeep de voegen een grauwe of gelige tint kunnen krijgen; in het onderhavige geval gaat het echter over het lichter worden van de voegen. Bovendien stelt [eiser] c.s. dat de voegen nog altijd lichter zijn van kleur en constateert De Bouwexpert dat het niet aannemelijk is dat gebruik van groene zeep in 2018 thans nog steeds verkleuring veroorzaakt. De kantonrechter gaat dan ook aan het verweer van [gedaagde] – dat de vloer door [eiser] c.s. met groene zeep is gereinigd en dat de oorzaak is van de lichtere voeg – voorbij.
Aangezien het meest aannemelijk is dat de lichtere kleur van de voegen is veroorzaakt door het te vroeg afdekken van de vloer, is het vervolgens de vraag voor wiens rekening dit dan behoort te komen.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op de dag dat hij klaar was met het voegen van de tegels tegen [eiser] c.s. heeft gezegd dat hij de vloer niet mocht afdekken; dit heeft [eiser] c.s. ter zitting erkent. [eiser] c.s. stelt daarbij echter dat de maandag erna een door [gedaagde] ingeschakelde tegelzetter tegen [eiser] c.s. had gezegd dat de vloer nu wel afgedekt mocht worden. Dit wordt door [gedaagde] betwist; dit zou een tegelzetter volgens hem nooit zeggen.
Aangezien [eiser] c.s. zich beroept op de gevolgen van hetgeen de ingeschakelde tegelzetter zou hebben gezegd, is het aan [eiser] c.s. om hiertoe voldoende (onderbouwd) te stellen. De kantonrechter acht de stelling van [eiser] c.s. – mede gezien de betwisting van [gedaagde] – echter onvoldoende onderbouwd. Het is het woord van [eiser] c.s. tegen het woord van [gedaagde]. [eiser] c.s. heeft niet gesteld dat er iemand anders dan hij en de tegelzetter bij waren toen de tegelzetter dat zei, en de kantonrechter heeft begrepen dat de tegelzetter inmiddels is overleden. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat het te vroeg afdekken voor rekening van [eiser] c.s. komt. De gevorderde schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser] c.s., zodat de door [eiser] c.s. gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen. Voor een aanvullende rapportage van de deskundige bestaat geen noodzaak.
Kosten
Aangezien de gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, worden ook de nevenvorderingen (wettelijke rente, kosten voor opslagruimte/verhuisbedrijf, expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten) afgewezen.
[eiser] c.s. heeft het voorschot voor De Bouwexpert betaald. Aangezien [eiser] c.s. in het ongelijk wordt gesteld, blijven ook deze kosten voor rekening van [eiser] c.s.
Proceskosten
[eiser] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
138,89
- griffierecht
€
706,00
- salaris gemachtigde
€
1.731,00
(3 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.719,89
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] c.s. af;
veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden begroot op € 2.719,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiser] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de veroordelingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.W. van Tol en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026. (JK)