ECLI:NL:RBOVE:2026:5429

ECLI:NL:RBOVE:2026:5429

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer ZWO 26/732
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

WIA. Weigering WIA-uitkering. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. De belastbaarheid op de datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het UWV mocht uitgaan van de FML. Uitgaande van die FML is het aannemelijk dat betrokkene in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Beroep ongegrond en verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser]),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/732

en

gemachtigde: mr. C. Lubberts.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2025 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij met ingang van 7 april 2025 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

[eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 13 januari 2026 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dit besluit gebleven.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft EuroFoodGroup B.V., (ex-)werkgever van [eiser], als belanghebbende in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de procedure. Hierop heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam]. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. [eiser] is vanaf 1 januari 2023 werkzaam geweest als verkoper binnendienst voor gemiddeld 20,84 uur per week. Op 10 april 2023 heeft hij zich ziek gemeld. [eiser] is ziek uit dienst gegaan. Hij heeft vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. [eiser] heeft het UWV verzocht hem een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop".

Standpunten van partijen

Standpunt van het UWV

3. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat [eiser] met ingang van

7 april 2025 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum lager is dan 35%. Het UWV acht [eiser] met zijn beperkingen nog steeds in staat werk te verrichten. Met dit werk zou [eiser] 5,25% minder kunnen verdienen dan zijn maatman, in dit geval een gezonde verkoper binnendienst voor gemiddeld 20,84 uur per week. Het UWV heeft hierbij gewezen op het rapport van

5 december 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 9 januari 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Standpunt van [eiser]

stelt dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Hij heeft herhaaldelijk verzocht medische informatie op te vragen bij zijn behandelend specialisten. Dat in overleg met hem is afgezien van het opvragen van informatie is onjuist. Dat er geen medische informatie is opgevraagd is extra zorgelijk gezien de ernst van zijn medische situatie. Zonder informatie van zijn specialisten kan het UWV zijn belastbaarheid niet juist beoordelen.

[eiser] stelt dat hij meer arbeidsongeschikt is dan het UWV heeft aangenomen. Zijn medische situatie is ernstig, complex en instabiel. Zijn beperkingen zijn onvoldoende en onjuist beoordeeld. [eiser] acht zich niet in staat 20 uur per week te werken. Hij kan niet langer dan 10 minuten lopen of staan, heeft meerdere rustperiodes per dag nodig, moet elke middag slapen vanwege uitputting en kan zich niet langdurig concentreren. Fysieke arbeid lukt niet. Zelfs vrijwilligerswerk lukt maar heel beperkt. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft waargenomen dat hij merkbaar vermoeider werd gedurende het gesprek van één uur toont aan hoe beperkt [eiser] belastbaar is, met name nu hij voorafgaand aan het gesprek veel rust heeft genomen. Deze constatering is niet meegenomen in de beoordeling. [eiser] acht dit onzorgvuldig en onlogisch. Hij heeft een brief van 19 februari 2026 van MDL-arts L.R.H. de Wijkerslooth in geding gebracht. Ook heeft hij een medicijnlijst en een afsprakenkaart overgelegd.

[eiser] heeft opgemerkt dat zijn gezondheid instabiel is en is verslechterd. Hij is recent twaalf dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis vanwege nieuwe complicaties. Het oordeel van het UWV is daarom niet alleen onjuist, maar ook achterhaald door recente ontwikkelingen.

[eiser] stelt verder dat de arbeidsdeskundige functies heeft geduid die niet aansluiten bij zijn werkelijke belastbaarheid. Het UWV weegt bovendien onvoldoende mee dat hij al een volledig re-integratietraject heeft doorlopen, maar dat geen enkele passende functie gevonden kon worden. [eiser] heeft hierbij verwezen naar de 'Eindrapportage Werkfit maken' van 15 januari 2026. Ook heeft hij een e-mail van 20 november 2025 meegestuurd van een bakkerij waar hij heeft geprobeerd te werken. Hij wil niets liever dan werken, maar zijn gezondheid laat dit niet toe. Dat het UWV zegt dat hij 20 uur per week kan werken, is voor hem dan ook een klap in het gezicht.

Bij brief van 10 maart 2026 heeft [eiser] nog verschillende documenten in het geding gebracht. Hij heeft daarbij niet duidelijk gemaakt wat hij met die documenten wil onderbouwen. Tijdens de zitting heeft hij aangegeven, dat het insturen van deze documenten op een misverstand berust en dat deze brief met bijlagen daarom buiten beschouwing kan worden gelaten.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] met ingang van 7 april 2025 heeft vastgesteld op 5,25%. De rechtbank doet dit aan de hand van wat [eiser] in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.

Zorgvuldigheid van het medische onderzoek

5. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De verzekeringsarts heeft [eiser] zelf gesproken en lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 21 januari 2025. Hij heeft de dossiergegevens bestudeerd, heeft kennis genomen van de door [eiser] ingevulde medische vragenlijst, heeft een anamnese afgenomen en heeft het dagverhaal uitgevraagd. Zijn conclusies heeft de verzekeringsarts voldoende begrijpelijk neergelegd in het rapport van 21 januari 2025.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie voldoende inzichtelijk gemaakt in het rapport van 5 december 2025. Hij heeft een dossieronderzoek verricht en heeft [eiser] uitgebreid gesproken op zijn spreekuur van 25 november 2025.

Het aangevoerde leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont. De rechtbank ziet geen aanleiding te concluderen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de gezondheidstoestand van [eiser] heeft gemist of heeft onderschat. [eiser] betwist dat in overleg met hem is afgezien van het opvragen van medische informatie, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld in zijn rapport, maar daaraan verbindt de rechtbank niet het gevolg dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog informatie van de behandelend sector moet opvragen. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het volgende vermeld:

"In overleg met cliënt werd afgezien van het opvragen van aanvullende gegevens, omdat de situatie door hem en zijn partner voldoende duidelijk verwoord kon worden en er geen vragen zijn over de aard en ernst van zijn medische problematiek."

Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat in overleg met [eiser] is afgezien van het opvragen van medische informatie, hoeft hier niet te betekenen dat [eiser] het ook volledig eens is geweest met de beslissing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om geen nadere informatie bij de behandelende sector op te vragen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het uiteindelijk ter beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is of en in hoeverre hij informatie uit de behandelend sector nodig acht, dan wel of hij voldoende informatie heeft over de aard en ernst van de medische problematiek. Dit behoort immers tot de deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank begrijpt de desbetreffende vermelding in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aldus, dat hij in gesprek met [eiser] heeft onderzocht in hoeverre er meerwaarde viel te verwachten van aanvullende informatie uit de behandelende sector, en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens heeft besloten om daarvan af te zien. De rechtbank is van oordeel, dat dat op zichzelf niet onzorgvuldig is.

Medische grondslag

6. De belastbaarheid van [eiser] op de datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 21 januari 2025 overwogen dat [eiser] zich ziek meldde vanwege buikklachten, waarvan hij inmiddels geen klachten meer heeft. Als belemmeringen noemt [eiser] vooral een beperkte fysieke inspanningstolerantie. Bij onderzoek zijn er geen aanwijzingen voor psychopathologie. Wel is er sprake van snel optreden van kortademigheid bij lichte inspanning. Dat sprake is van vasculaire problemen is plausibel. Daarnaast is het bestaan van diabetes mellitus (DM) en pancreasinsufficiëntie plausibel. Er is sprake van kortademigheid bij inspanning, wat enerzijds als conditioneel probleem gezien wordt en anderzijds mogelijk te maken heeft met wat verminderde longfunctie op basis van vasculaire problemen. In verband daarmee is het plausibel dat [eiser] is aangewezen op werkzaamheden die geen groot beroep op zijn fysieke inspanningsvermogen doen, dat wil zeggen voor frequent reiken, zwaar duwen/trekken, tillen/dragen, langdurig of intensief lopen, traplopen, klimmen en frequent hurken. Gezien de DM is [eiser] aangewezen op regelmatige werkzaamheden. De verzekeringsarts heeft een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 december 2025 geconcludeerd dat er na bestudering van het dossier en eigen onderzoek aanleiding is om de FML aan te passen. [eiser] is bekend met gegeneraliseerd vaatlijden, wat in de afgelopen jaren tot ernstige problemen in uiteenlopende orgaansystemen heeft geleid. [eiser] blijft een kwetsbare gezondheid houden. Daarom heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien op energetische/preventieve gronden een urenbeperking aan te nemen van ongeveer vier uur per dag, 20 uur per week. Vanwege de vaatproblematiek in de buikslagader/liezen/benen acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep [eiser] ook aanvullend beperkt ten aanzien van staan. Ook heeft hij aan de FML een beperking toegevoegd vanwege de verhoogde infectiegevoeligheid. Daarnaast zijn in rubriek I aanvullend beperkingen opgenomen betreffende prikkelverwerking en schakelen/multitasken.

Dat [eiser] zwaardere beperkingen zegt te hebben, betekent niet zonder meer dat ook meer beperkingen moeten worden aangenomen. Van belang is immers niet alleen wat hij ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. De FML bevat beperkingen en er is geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet voldoende zijn. [eiser] heeft geen medische informatie in geding gebracht, waaruit moet worden geconcludeerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen op de datum in geding. Wél heeft hij nog een brief van 19 februari 2026 van MDL-arts L.R.H. de Wijkerslooth overgelegd, waaruit blijkt van een nieuw medisch probleem, waarvoor deze MDL-arts een nieuwe analyse heeft opgestart. In deze zaak is echter van belang de gezondheidssituatie van [eiser] op de datum in geding, namelijk 7 april 2025. Daarover bevat de brief van de MDL-arts geen nieuwe informatie. Voor zover na de datum in geding sprake is van een achteruitgang in de gezondheid van [eiser] en een toename van zijn beperkingen, kan hij daarvan een nieuwe melding doen bij het UWV.

Het UWV mocht voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] dan ook uitgaan van de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML van 5 december 2025.

Arbeidskundige grondslag

7. Uitgaande van de FML van 5 december 2025 is het aannemelijk dat [eiser] in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van schadecorrespondent (SBC-code 516080), medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), alsmede de reservefunctie administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080) te vervullen.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 9 januari 2026 en het resultaat functiebeoordeling uitgelegd waarom [eiser] geschikt is voor deze functies. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van [eiser] zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van [eiser] mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de functies toch passend zijn. Ook de totaalbelasting van de functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzocht. Hij heeft daarmee de geschiktheid voldoende overtuigend toegelicht.

Ten aanzien van het werk bij de bakkerij in het kader van de re-integratie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 december 2025 en het UWV ter zitting voldoende inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat de belasting in dit werk de belastbaarheid van [eiser], zoals vastgelegd in de FML van 5 december 2025, overschrijdt. In dit werk was immers sprake van continue lopen/staan en fysiek bezig zijn. Uit het feit dat het [eiser] niet is gelukt dit werk vol te houden, kan dus niet worden afgeleid dat hij niet in staat is om de geduide functies uit te voeren.

In zijn verweerschrift heeft het UWV ten slotte terecht opgemerkt dat het feit dat [eiser] ondanks de fors aangescherpte urenbeperking van 20 uur per week nog altijd geen recht heeft op een WIA-uitkering, mede wordt veroorzaakt door de omvang van de maatgevende arbeid van gemiddeld 20,84 uur per week. De aangenomen urenbeperking is nauwelijks geringer dan de omvang van de maatgevende arbeid, waardoor de urenbeperking slechts tot een geringe mate van arbeidsongeschiktheid kan leiden.

Conclusie en gevolgen

8. Het voorgaande betekent dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] per 7 april 2025 terecht heeft vastgesteld op 5,25%, zodat hij met ingang van die datum geen recht heeft op een WIA-uitkering.

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

10. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt [eiser] het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Voor veroordeling van het UWV tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente is evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand