RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12134484 \ RR FORM 26-15
Vonnis van 28 augustus 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het aanvraagformulier met bijlagen van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de e-mail van de griffier waarin is bevestigd dat ter zitting is afgesproken dat de zaak tot 30 juni 2026 wordt aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen alsnog een regeling te bereiken. Daarbij is [eiser] in de gelegenheid gesteld om, als geen regeling wordt bereikt, uiterlijk op 30 juni 2026 de hoogte van zijn vordering nader toe te lichten en te onderbouwen;
- de aanvullende stukken van [eiser] van 22 juni 2026;
- de e-mail van [eiser] van 30 juni 2026 waarin hij heeft meegedeeld dat partijen geen regeling hebben bereikt.
[gedaagde] heeft, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer op de aanvullende stukken van [eiser] gereageerd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil en de beoordeling daarvan
De achtergrond
Op 22 augustus 2025 heeft [eiser] bij MediaMarkt [plaats] op zijn naam, maar ten behoeve van [gedaagde], bij Odido een telefoonabonnement en een toestelkredietovereenkomst voor een iPhone 16 Pro Max 256GB Desert Titanium (hierna: iPhone) afgesloten. Beide overeenkomsten zijn aangegaan voor de duur van 24 maanden.
[eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [gedaagde] maandelijks alle kosten van het abonnement en de iPhone aan [eiser] zou betalen. [gedaagde] heeft dat echter, ondanks meerdere verzoeken van [eiser] daartoe, niet gedaan. [eiser] heeft het abonnement daarom op 18 januari 2026 laten blokkeren. Bij de beëindiging van de overeenkomst is een afkoopsom in rekening gebracht.
De vordering
[eiser] wil dat [gedaagde] de kosten die hij in verband met het telefoonabonnement en de iPhone heeft gemaakt, aan hem vergoedt. Hij vordert - samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.347,55, vermeerderd met de proceskosten.
Het verweer
[gedaagde] erkent dat [eiser] op zijn naam ten behoeve van [gedaagde] een telefoonabonnement en kredietovereenkomst heeft afgesloten, dat zij de kosten daarvan maandelijks zou terugbetalen en dat zij dat niet heeft gedaan. Verder voert [gedaagde] aan dat zij niet weet of de hoogte van de vordering klopt, omdat zij geen specificatie van alle gevorderde bedragen heeft.
Het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde] de kosten van het abonnement en de iPhone moet dragen. Alleen de hoogte van het door [eiser] gevorderde bedrag is nog in geschil. De vordering van [eiser] bestaat uit vier verschillende posten. De kantonrechter zal die hierna afzonderlijk beoordelen.
[gedaagde] moet € 170,94 aan kosten voor het abonnement en het toestelkrediet betalen
De eerste post bedraagt € 170,94 en ziet op de kosten van drie maanden van het abonnement en het toestelkrediet. [eiser] stelt dat per maand in totaal € 56,98 in rekening werd gebracht.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de kantonrechter af dat deze post betrekking heeft op de eerste drie maanden van het abonnement en het toestelkrediet, van 23 augustus 2025 tot en met 21 november 2025. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] het door hem gevorderde bedrag voldoende onderbouwd. Uit de door [eiser] overgelegde overeenkomst blijkt dat het toestelkrediet € 41,50 per maand bedraagt. Uit een door [eiser] overgelegde factuur van Odido blijkt verder dat voor het abonnement € 22,49 per maand in rekening werd gebracht, waarop een korting van € 7,01 in mindering kwam. De abonnementskosten bedroegen daarmee € 15,48 per maand. Samen met het toestelkrediet van € 41,50 komt dit neer op € 56,98 per maand. Over drie maanden is dat € 170,94. [gedaagde] heeft hier niets tegenin gebracht. Omdat vaststaat dat [gedaagde] de kosten van het abonnement en het toestelkrediet zou betalen, wijst de kantonrechter deze post toe.
[gedaagde] moet € 288,00 aan aanbetaling voor de iPhone betalen
De tweede post bedraagt € 288,00 aan aanbetaling voor de iPhone. Uit de overeenkomst blijkt dat de totale prijs van de iPhone € 1.284,00 bedraagt. Daarvan moest bij het aangaan van de overeenkomst € 288,00 worden betaald. Het resterende bedrag van € 996,00 werd gefinancierd door middel van een toestelkrediet, dat in 24 maandelijkse termijnen van € 41,50 moest worden afgelost. [eiser] stelt dat hij de aanbetaling van € 288,00 bij het aangaan van de overeenkomst heeft voldaan.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] niet betwist. Zij stelt echter dat zij dit bedrag later aan [eiser] heeft terugbetaald. Zij heeft daarbij gewezen op een betaling van € 400,00 aan [eiser] op 27 augustus 2025. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat hij een dag eerder € 400,00 aan [gedaagde] had overgemaakt, omdat zij geld tekortkwam voor de aanschaf van een auto, en dat de betaling van [gedaagde] volgens hem de terugbetaling van dat bedrag betrof. [gedaagde] heeft bevestigd dat [eiser] haar in verband met de aanschaf van een auto geld had voorgeschoten en dat het zou kunnen dat zij dit bedrag de volgende dag heeft terugbetaald. Tegen die achtergrond kan uit de betaling van € 400,00 niet worden afgeleid dat [gedaagde] daarmee de aanbetaling van € 288,00 heeft terugbetaald. Andere concrete gegevens waaruit dit blijkt, heeft [gedaagde] niet naar voren gebracht. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de aanbetaling nog niet door [gedaagde] aan [eiser] is vergoed en wijst ook deze post toe.
[gedaagde] moet ook € 137,65 aan overige kosten betalen
De derde post bedraagt € 137,65. [eiser] heeft toegelicht dat hij voor dit bedrag een betalingsregeling met Odido heeft getroffen. [eiser] heeft zijn stelling met aanvullende stukken onderbouwd. Uit een factuur van Odido blijkt dat over de periode van 22 november 2025 tot en met 21 december 2025 € 80,67 verschuldigd was. Dit bedrag bestaat uit € 15,48 aan abonnementskosten, € 41,50 aan toestelkosten en € 23,69 aan verbruikskosten buiten de bundel. Uit een andere factuur blijkt dat over de periode van 22 december 2025 tot en met 21 januari 2026 € 56,98 verschuldigd was. Samen bedragen deze facturen € 137,65.
[gedaagde] heeft deze bedragen onvoldoende gemotiveerd betwist. Voor zover het bedrag betrekking heeft op verbruik buiten de bundel, weegt de kantonrechter mee dat deze kosten betrekking hebben op het voor [gedaagde] afgesloten abonnement en dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het mogelijk is dat zij kosten buiten de bundel heeft gemaakt. De kantonrechter wijst daarom ook deze post toe.
[gedaagde] moet € 750,96 aan afkoopsom betalen
De laatste post bedraagt € 750,96. [eiser] stelt dat Odido dit bedrag bij beëindiging van de overeenkomst bij hem in rekening heeft gebracht.
De kantonrechter stelt vast dat dit bedrag in het door [eiser] als aanvullende productie overgelegde betalingsoverzicht van Odido als te betalen bedrag is opgenomen. [gedaagde] heeft na overlegging van dit stuk niet meer gereageerd. Zij heeft deze post ook niet gemotiveerd betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het door [eiser] gestelde en met stukken onderbouwde afkoopbedrag. Nu vaststaat dat [gedaagde] alle kosten van de telefoon zou betalen, zal ook deze post worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Voor salaris gemachtigde wordt geen bedrag toegekend, omdat niet is gebleken dat [eiser] zich door een professionele gemachtigde heeft laten bijstaan. De proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
€
265,00
- verletkosten
€
50,00
Totaal
€
315,00
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.347,55,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 315,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.