RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/349469 / KG ZA 26-162
Vonnis in kort geding van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R. Neurink,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. T.J. Roest Crollius.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 12 producties,
- de producties 1 – 4 van [gedaagde], - de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [gedaagde].
2. De zaak in het kort
[eiser] vordert afgifte van een machine, waarvan zij stelt eigenaar te zijn. [gedaagde] betwist dat [eiser] eigenaar is. Omdat in het bestek van dit kort geding niet kan worden vastgesteld wie de eigenaar is van de machine, zal de vordering worden afgewezen.
3. De feiten
Eiseres is [eiser] B.V. (hierna: [eiser]). Enig bestuurder en aandeelhouder van [eiser] is [naam 1] (hierna: [naam 1]).
Gedaagde is [gedaagde] (hierna [gedaagde]). [gedaagde] is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V., die op haar beurt weer enig bestuurder en aandeelhouder is van [bedrijf 2] B.V.
[eiser] en [bedrijf 2] B.V. zijn alleen/zelfstandig bevoegde bestuurders van [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]).
[naam 1] is met een andere onderneming, [bedrijf 4] B.V., bestuurder van [bedrijf 5] B.V. De tweede bestuurder van [bedrijf 5] B.V. is [bedrijf 6] B.V., die op haar beurt wordt bestuurd door [bedrijf 7] B.V. De heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) is bestuurder van [bedrijf 7] B.V.
[bedrijf 5] B.V. is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 8] B.V. (hierna: [bedrijf 8]).
Op 18 september 2023 hebben [bedrijf 9] B.V. / [bedrijf 3], vertegenwoordigd door de heer [naam 3] (hierna: [naam 3]) als verkoper en [eiser] B.V., vertegenwoordigd door [naam 1] als koper, een overeenkomst gesloten. Zij zijn overeengekomen dat het product [bedrijf 3] met de bijbehorende machines, licenties, instructies en rechten (hierna: de machine) wordt verkocht voor € 100.000,-, te betalen in vier termijnen van € 25.000,-.
Op 7 december 2023 stuurde [eiser] aan [bedrijf 10] B.V./[naam 4] een factuur voor een bedrag van € 75.000,-, onder vermelding van: “Koop [bedrijf 3] vouwwanden 2, 3 en 4e termijn”.
In maart 2024 is de onderneming [bedrijf 3] opgericht. De onderneming richtte zich op het ontwerpen en vervaardigen van Prefab-panelen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de daarvoor ontworpen [bedrijf 3]-machine. De onderneming is gevestigd in het bedrijfspand aan de [adres] in Vroomshoop.
Na een afname van de bedrijfsactiviteiten zijn die eind 2025 gestaakt. Tot liquidatie van [bedrijf 3] is het nog niet gekomen.
september 2025 vond bij [gedaagde] thuis een bespreking plaats, waaraan de drie aandeelhouders van [bedrijf 3]: [naam 1], [gedaagde] en [naam 3] deelnamen. Van die bijeenkomst is een verslag gemaakt. In dat verslag is opgenomen dat [naam 1] heeft gezegd dat de machine van [eiser] is, terwijl [naam 3] en [gedaagde] opmerkten dat zij dachten dat de machine in [bedrijf 3] zit.
In reactie op voornoemd verslag heeft [gedaagde] op 3 oktober 2025 een mail aan [naam 1] en [naam 3] gestuurd. [gedaagde] schreef een paar dingen in het verslag te missen die naar zijn inzicht wel belangrijk zijn. [gedaagde] schrijft dat [naam 1] stelde dat [gedaagde] € 75.000 heeft betaald voor de aanschaf van de machine en dat het ook voor [naam 1] een verrassing is dat de machine niet in de BV is terecht gekomen, zoals [naam 1] denkt dat het juridisch nu blijkt te zijn.
[naam 1] heeft, aldus [gedaagde] in zijn e-mailbericht, gezegd dat als de machine verkocht moet worden de opbrengst door drie wordt gedeeld.
Op 4 november 2025 heeft [naam 1] een mail aan [gedaagde] gestuurd met als onderwerp ‘Afspraken m.b.t. [bedrijf 3]’ waarin staat: ‘Volgens mij hebben we afgelopen vrijdag onderstaande afspraken gemaakt. Graag jou reactie hierop voor akkoord. (…) [naam 1] is juridisch eigenaar van [bedrijf 3] en de machine. (…) Bij verkoop door [naam 1] maakt [naam 1] naar verwachting 75 K over naar [bedrijf 10]. (…)’.
Op 11 november 2025 is [bedrijf 6] B.V. in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van [bedrijf 8] B.V. in oprichting een Overeenkomst van Overname van Activa en Contractuele Positie aangegaan met [bedrijf 3].
In de overeenkomst is onder meer vastgelegd:
Overwegingen
A. [bedrijf 3] heeft tot voor kort bedrijfsactiviteiten uitgevoerd in hal 1 aan het adres [adres].
B. [bedrijf 8] is een nieuw op te richten onderneming, die geen rechtsopvolger is van [bedrijf 3] en geen bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] voortzet.
C. [bedrijf 8] wenst enkel bepaalde activa en contractuele posities van [bedrijf 3] over te nemen, zonder enige verdere aansprakelijkheid of betrokkenheid bij de onderneming van [bedrijf 3].
(…)
Artikel 1 — Datum van overdracht
De overdracht van de hieronder genoemde activa en contracten vindt plaats met ingang van 1 november 2025 (“de Overdrachtsdatum”).
Artikel 2 — Overname van activa en contracten
Woonunit
[bedrijf 8] i.o. koopt van [bedrijf 3] de woonunit die zich bevindt in hal 1, voor een bedrag van € 45.000 (inclusief btw). De eigendomsoverdracht vindt plaats op de Overdrachtsdatum, na betaling van de koopprijs.
(…)
Huurcontract hal 1
[bedrijf 8] i.o. neemt per Overdrachtsdatum het bestaande huurcontract van hal 1 aan de
[adres] over van [bedrijf 3], onder dezelfde voorwaarden als in de bestaande huurovereenkomst met de verhuurder.
Artikel 3 — Overname boedel
In ruil voor het overnemen van bovengenoemde risico’s en contracten koopt [bedrijf 8] i.o.
van [bedrijf 3]:
- De boedel van [bedrijf 3] zoals beschreven in het document “Inventarisatie en taxatierapport van de boedel van [bedrijf 11] B.V.” opgesteld door NTBA;
- (…)
Artikel 4 — Betaling
De financiële afrekening (voor zowel de woonunit als de boedel) vindt uiterlijk plaats op
15 november 2025, per bankbetaling op een door [bedrijf 3] schriftelijk opgegeven rekeningnummer.
(…)
Bij e-mail van 6 november 2025 heeft [naam 2] aan [gedaagde] en [naam 1] laten weten: ‘(…) Bijgaand stuur ik de overeenkomst tussen [bedrijf 8] B.V. i.o. (vertegenwoordigd door [bedrijf 6] B.V.) en [bedrijf 3] B.V. (…) Even onder voorbehoud dat jij en [naam 1] akkoord zijn over jullie situatie. Zodra dat akkoord er is, kan de overeenkomst definitief worden bekrachtigd’.
De [bedrijf 3]-machine maakte geen deel uit van deze overeenkomst.
De overeenkomst is op 14 november 2025 namens [bedrijf 3] ondertekend door [gedaagde].
Bij e-mail van 21 november 2025 liet [gedaagde] in reactie op de e-mail van [naam 1] van 4 november 2025 weten: ‘Dit is wat we afgesproken hebben’.
In januari 2026 is [bedrijf 8] B.V. opgericht en ingeschreven in het handelsregister. Deze onderneming richt zich - blijkens de vermelding in het Handelsregister - op het ontwikkelen, produceren, assembleren, bewerken en verpakken van modulaire bouwsystemen, woningmodules, prefab bouwcomponenten en andere biobased bouwproducten. [bedrijf 8] gebruikt de [bedrijf 3]-machine niet.
[naam 1] heeft de [bedrijf 3]-machine gereed gemaakt voor verwijdering uit de bedrijfshal te Vroomshoop, teneinde deze – na verkoop – aan de koper te kunnen leveren, waarna de bedrijfshal in zijn geheel voor [bedrijf 8] beschikbaar is. Dat laatste is mede van belang omdat [bedrijf 8] de betaling van een gedeelte (de helft) van de koopprijs van de woonunit (zoals vermeld in artikel 2 van bovengenoemde overeenkomst) heeft opgeschort in afwachting van het ter vrije beschikking komen van de gehele bedrijfsruimte.
Op 23 juni 2026 heeft [gedaagde] eigener beweging de reeds gedemonteerde [bedrijf 3]-machine afgevoerd en overgebracht naar een eigen bedrijfsruimte elders in het land. [naam 1] heeft [gedaagde] aangeschreven en gesommeerd om de [bedrijf 3]-machine binnen 24 uur af te leveren bij het pand aan de [adres]. Dat is niet gebeurd, waarna de onderhavige procedure aanhangig is gemaakt.
Op 1 juli 2026 heeft [naam 1] namens [eiser] aangifte van diefstal gedaan.
4. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad dat de rechtbank [gedaagde]:
I. op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt tot afgifte van de [bedrijf 3]-machine in de staat waarin deze verkeerde op het moment dat deze daar werd weggenomen, binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis,
II. veroordeelt tot betaling van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de [bedrijf 3]-machine zonder recht of titel heeft weggenomen en sindsdien onder zich houdt. Dit kwalificeert als een voortdurende inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser]. [eiser] vordert teruggave van de [bedrijf 3] machine op grond van artikel 5:2 Burgelijk Wetboek (hierna: BW).
Daarbij merkt [eiser] op dat het handelen van [gedaagde] ook kwalificeert als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. De onrechtmatige situatie, waar momenteel sprake van is, dient dan ook te worden opgeheven. De schade die [eiser] lijdt als gevolg van het onrechtmatige handelen van [gedaagde], kan momenteel echter nog niet worden begroot. Deze schade is immers onder meer afhankelijk van de vraag óf [gedaagde] de [bedrijf 3]-machine zal afgeven, in welke staat de [bedrijf 3]-machine wordt afgegeven en of de verkoop van de [bedrijf 3]-machine nog doorgang zal kunnen vinden.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Procedureel
Ter zitting heeft mr. Roest Crollius namens [gedaagde] als productie 4 een e-mailbericht van [naam 3] aan [gedaagde] d.d. 25 augustus 2026 in het geding gebracht. Hiertegen is namens [eiser] geen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft het stuk aan het procesdossier toegevoegd.
Spoedeisend belang
[gedaagde] betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. Hij wijst er in dat kader op dat [eiser] weliswaar stelt dat het spoedeisend belang is gelegen in de op handen zijnde verkoop haar machine aan een derde, maar zij heeft die op handen zijnde verkoop niet onderbouwd. Revindicatie levert in de visie van [gedaagde] niet per definitie een spoedeisend belang op.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vorderingen voortvloeit uit de aard van de vordering, namelijk een einde maken aan een volgens [eiser] onrechtmatige situatie, waarbij inbreuk wordt gemaakt op het door haar gestelde eigendomsrecht. Van [eiser] kan niet worden verlangd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Inhoudelijk
Kern van het onderhavige geschil is de vraag of [eiser] eigenaar is geworden van de machine en of zij in die hoedanigheid afgifte van de machine kan vorderen van [gedaagde], die de machine onder zich heeft genomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag wie eigenaar is van de machine niet in kort geding kan worden beantwoord. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Partijen verschillen van mening over de vraag bij welke onderneming de eigendom van de machine rust: [eiser] of [bedrijf 3]. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] de koopovereenkomst met betrekking tot de machine met [bedrijf 9] B.V. heeft gesloten, betwist [gedaagde] dat [eiser] eigenaar is geworden van de machine. Dat strookt, zo stelt [gedaagde], niet met de bedoeling van partijen en ook niet met de betaling van de koopsom. [gedaagde] wijst erop dat [bedrijf 10] B.V. in december 2023 € 75.000,- aan [eiser] heeft betaald ten behoeve van de aanschaf van de machine. [eiser] heeft volgens [gedaagde] € 25.000,- bijgelegd, waarna de machine voor een bedrag van € 100.000,- is gekocht.
De bedoeling van partijen was volgens [gedaagde] om de machine te kopen in [bedrijf 3]. Maar omdat [bedrijf 3] nog moest worden opgericht (dat is gebeurd in maart 2024) hebben de aandeelhouders van [bedrijf 3] afgesproken dat de koopovereenkomst (van 18 september 2023) op naam werd gezet van [eiser]. Die bedoeling blijkt, aldus [gedaagde], ook uit het verslag van de aandeelhoudersvergadering van september 2025, waarin staat dat [naam 1] heeft toegezegd dat als de machine verkocht moet worden de opbrengst door drie wordt gedeeld.
Ter zitting heeft [gedaagde] ter onderbouwing van zijn stelling dat enkel op basis van het feit dat de overeenkomst op 18 september 2023 is gesloten met [eiser] niet gezegd kan worden dat [eiser] ook eigenaar is geworden van de machine gewezen op de e-mail van 25 augustus 2026 van [naam 3] aan [gedaagde]. Daarin schrijft [naam 3]:
‘Op 25 september vorig jaar hebben we een vergadering van [bedrijf 3] gehouden op jouw kantoor in Groenekan. Aanwezig de drie aandeelhouders, [naam 1], [naam 4], ondergetekende en de heer [naam 5], die als notulist aanwezig was.
Voornaamste punt van gesprek werd onverwacht de machine die de vouwpanelen produceert. Volgens [naam 1] zou de machine geen onderdeel van de opgerichte BV zijn maar voor 100% zijn eigendom zijn (Rendoor Holding BV). Wij waren op dat moment volledig onthutst en er ontstond een hevige discussie.
Het klopt dat in een eerder stadium er een overeenkomst is geweest tussen mij en [naam 1] op 18 september 2023, waar [naam 1] voor 100% eigenaar zou worden. (Met allerlei voorwaarden natuurlijk) Maar dit is later, op verzoek van [naam 1], terzijde geschoven en er deelname van 3 x33 1/3% in de op te richten [bedrijf 3] BV van te maken. Omdat hij jou ook als aandeelhouder erbij wilde hebben. Later begreep ik wel waarom. Eind maart 2024 bij de notaris in Almelo opgericht. Net als jij, ging ik er van uit dat de machine etc dan ook voor eenieder voor 1/3 in eigendom zou komen. Hoe juridisch de zaak in elkaar zit, weet ik nog niet, maar moreel, gaf [naam 1] ook toe, niet geheel juist. Hij verklaarde dan ook dat bij verkoop van [bedrijf 3] en de machine, de opbrengst naar verhouding van de aandelen verdeeld zou worden’.
[gedaagde] heeft ook nog gewezen op de e-mail van 4 november 2025 van [naam 1] aan [gedaagde]. Daarin staat niet alleen: ‘[naam 1] is juridisch eigenaar van [bedrijf 3] en de machine. (…) Bij verkoop door [naam 1] maakt [naam 1] naar verwachting 75 K over naar [bedrijf 10]’, maar ook ‘Hans gebruikt de gelden die nog binnenkomen (…) verkoop Woning en opbrengst machine, om alle openstaande rekeningen te betalen van [bedrijf 3]’. Dit sluit volgens [gedaagde] aan bij de bedoeling van partijen dat de machine eigendom van [bedrijf 3] zou worden.
Volgens [naam 1] is de eigendom van de machine bij [eiser] gebleven, die de eerste betalingstermijn van € 25.000,- heeft verricht ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 18 september 2023. De € 75.000,- die [bedrijf 10] B.V. op
7 december 2023 aan [eiser] heeft betaald, is volgens [eiser] niet betaald als aankoopsom voor de machine, maar als inkoopsom, zodat [gedaagde] via zijn besloten vennootschap aandeelhouder in [bedrijf 3] zou worden.
Gelet op het voorgaande heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] zijn stelling dat [eiser] eigenaar is van de machine, onvoldoende onderbouwd. De overeenkomst van 18 september 20023 vermeldt weliswaar [eiser] als koper, maar dat het mogelijk niet de bedoeling was dat [eiser], maar [bedrijf 3] eigenaar van de machine zou worden volgt uit de volgende feiten en omstandigheden:
de uitlating van [naam 3], de verkoper van de machine, dat de eigendom van de machine, op verzoek van [naam 1], terzijde is geschoven en er 3 x 33 1/3 % in de op te richten [bedrijf 3] BV van is gemaakt,
de betaling van 75% van de koopprijs door [gedaagde], beoogd aandeelhouder van [bedrijf 3],
dat die betaling een ‘inkoopsom’ zou zijn, valt niet te verenigen met de door [eiser] verzonden factuur voor € 75.000,--,
ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat bij verkoop van de machine de verkoopopbrengst niet naar [eiser], maar naar [bedrijf 3] zal gaan.
Om te kunnen vast stellen wie eigenaar is van de machine is nader feitenonderzoek noodzakelijk naar de vraag bij welke onderneming het eigendom van de machine rust en of [gedaagde] gehouden is tot afgifte van de machine aan [eiser]. Voor de beoordeling van deze vragen en de eventuele rechtsgevolgen daarvan zal nader onderzoek moeten worden ingesteld en nader bewijs moeten worden geleverd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de onderhavige procedure zich daar niet voor.
[gedaagde] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door de machine weg te halen uit het pand aan de [adres]. [gedaagde] was daartoe naar zijn zeggen bevoegd omdat hij, net als [naam 1], als bestuurder zelfstandig handelingsbevoegd was namens [bedrijf 3]. Bovendien heeft [gedaagde] naar zijn zeggen de belangen van [bedrijf 3] behartigd. Het weghalen van de machine uit het pand was immers, zoals overwogen in r.o. 3.13., een eis van de koper van de woonunit voor betaling van de resterende helft van de koopsom aan [bedrijf 3]. De opbrengst van deze koopsom zou worden gebruikt voor de financiële afwikkeling van de staking van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3].
De juistheid van de stellingen van [gedaagde] over het ontbreken van het onrechtmatig karakter van zijn handelen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven, vanwege de onduidelijkheid over de eigendom van de machine. Reeds vanwege die onduidelijkheid, waarover binnen het bestek van dit kort geding geen uitsluitsel kan worden verkregen, zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.707,00
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart onderdeel 6.2. van het dictum dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op
2 september 2026.