RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-320384-25 (P)
Datum vonnis: 10 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2003 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.H.C.K. Reijans, advocaat in Echt, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens hem door mr. D.W. Jansen, advocaat in Zutphen, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 november 2024 tot en met 18 juni 2025 [slachtoffer], toen 7 en 8 jaar oud, meermalen heeft verkracht (feit 1) en aangerand (feit 2).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2024 tot en met 18 juni 2025 te [plaats 1] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [slachtoffer];
2
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2024 tot en met 18 juni 2025 te [plaats 1] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het vastpakken, betasten en/of omhoog en omlaag bewegen van de penis van die [slachtoffer].
3. De bewijsmotivering
Inleiding
Sinds november 2024 woont verdachte, toen 21 jaar, in een stacaravan op een particulier terrein in [plaats 1]. Aanvankelijk verbleef hij daar bij zijn vader; later woonde hij in een eigen stacaravan op datzelfde terrein. De zevenjarige [slachtoffer] verbleef doordeweeks samen met zijn zusje bij zijn moeder, die een stacaravan huurde naast die van de vader van verdachte. In de weekenden verbleef [slachtoffer] bij zijn vader.
In juni 2025 heeft de vader van [slachtoffer] bij de politie melding gemaakt van seksueel misbruik van [slachtoffer] door verdachte, nadat hij [slachtoffer] hierover tegen zijn zusje had horen vertellen toen zij samen in bad zaten. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij regelmatig ’s avonds bij verdachte was. Zij gingen dan naar zijn slaapkamer, waar verdachte vervolgens steeds aan zijn piemel zat.
Verdachte ontkent de beschuldiging bij politie. Hij heeft verklaard dat hij [slachtoffer] wel eens sprak, omdat zij op hetzelfde vakantiepark wonen. Hij kan zich niet herinneren dat [slachtoffer] regelmatig in zijn stacaravan is geweest en dus ook niet dat hij [slachtoffer] seksueel heeft misbruikt. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat zijn geheugen slecht is, dat hij geen herinneringen heeft aan de bezoeken van [slachtoffer] of het misbruiken van [slachtoffer], maar dat het best mogelijk is dat het wel is gebeurd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens haar is de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en vindt deze voldoende steun in het dossier, in het bijzonder in de door zijn ouders waargenomen gedragsverandering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De verklaring van [slachtoffer] en de betrouwbaarheid daarvan
[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte bij hem op het vakantiepark woont en dat hij vaak ’s avonds naar zijn stacaravan toeging. Ze zaten dan eerst een tijdje in de woonkamer, maar op een gegeven moment verplaatsten zij zich naar het bed in de slaapkamer. [slachtoffer] wilde dit niet, maar verdachte zei dat het daar koeler was. [slachtoffer] moest ook altijd eerst van verdachte gaan plassen. [slachtoffer] zei dan steeds dat hij niet moest plassen, maar toch moest hij dit van verdachte doen. [slachtoffer] luisterde hiernaar. Daarna, in de slaapkamer op het bed, trok verdachte de broek van [slachtoffer] omlaag en zat hij met zijn hand aan de piemel van [slachtoffer]. Verdachte bewoog dan met zijn hand omhoog en omlaag over zijn piemel heen. [slachtoffer] vond dit heel stom en zei dat verdachte moest stoppen, maar dit deed verdachte niet. Verdachte deed ook de piemel van [slachtoffer] in zijn mond en bewoog vervolgens met zijn mond omhoog en omlaag. [slachtoffer] vond dit niet fijn, omdat het hem zeer deed. De handelingen vonden telkens plaats wanneer [slachtoffer] bij verdachte thuis in zijn slaapkamer was. De deur van de slaapkamer was op die momenten steeds “echt dicht”.
De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] authentiek. Zijn verklaring tijdens het kindvriendelijke studioverhoor komt op essentiële onderdelen overeen met dat wat hij eerder aan zijn vader heeft verteld. Daarbij is van belang dat [slachtoffer] hierover pas heeft verklaard nadat zijn vader een gesprek tussen hem en zijn zusje had opgevangen, terwijl zij in bad zaten. [slachtoffer] vertelde toen, uit zichzelf, aan zijn zusje dat verdachte soms aan zijn piemel zat en dat hij dat niet leuk vond. Aan zijn vader heeft [slachtoffer] vervolgens verteld dat verdachte met zijn mond bij zijn piemel zat, maar dat hij eerst van hem moest plassen. [slachtoffer] zei dat hij niet wilde dat verdachte aan zijn piemel zat, omdat het hem pijn deed. Hierop maakte [slachtoffer] bij zichzelf een beweging waarbij hij zijn voorhuid naar achteren probeerde te trekken. Daarbij zei hij “en met zijn mond erbij”. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] niet alleen consistent en gedetailleerd, maar ook zeer specifiek. [slachtoffer] heeft immers in zijn eigen woorden uitgebreid beschreven welke handelingen verdachte bij hem heeft verricht, in welke volgorde deze hebben plaatsgevonden en waar deze handelingen plaatsvonden. Zo heeft hij verklaard dat hij voorafgaand aan de handelingen telkens eerst moest plassen en dat de handelingen vervolgens plaatsvonden op het bed in de slaapkamer waarvan de deur op slot was. [slachtoffer] heeft de door hem beschreven handelingen bovendien voorgedaan aan zijn vader. Dat [slachtoffer] daarbij heeft verklaard pijn te hebben ervaren, draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Volgens vader moest hij namelijk vroeger bij het afdrogen van [slachtoffer] altijd erg voorzichtig zijn, omdat de voorhuid van [slachtoffer] beperkt kon bewegen en dit anders bij hem pijn veroorzaakte. Dit gegeven sluit aan bij de door [slachtoffer] beschreven pijnervaring en ondersteunt daarmee in belangrijke mate de geloofwaardigheid van zijn verklaring. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en daarmee bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
De verklaring van [slachtoffer] vormt het uitgangspunt van de bewijsvoering. Het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan kan echter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, in dit geval [slachtoffer]. De rechtbank moet daarom beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op het volgende.
Zowel de vader als de moeder van [slachtoffer] hebben bij de politie verklaard dat zij in de periode voorafgaand aan het moment waarop [slachtoffer] over het misbruik heeft verteld, veranderingen in zijn gedrag hebben waargenomen.
De vader van [slachtoffer] heeft eind juni 2025 verklaard dat [slachtoffer] sinds ongeveer een half jaar in bed plaste, terwijl hij dat daarvoor niet deed. Ook durfde [slachtoffer] niet meer alleen te slapen. Daarnaast heeft de vader verklaard dat sinds eind 2024/begin 2025 gesprekken met de school en een kinderarts worden gevoerd, omdat [slachtoffer] dromerig en afwezig gedrag vertoont. Uit het verslag van de jeugdconsulent van de gemeente Berkelland volgt dat [slachtoffer] op 31 januari 2025 is aangemeld voor een breed diagnostisch onderzoek, om inzicht te krijgen in de oorzaak van zijn afgeleide, sombere en in zichzelf gekeerde gedrag en in hetgeen nodig is om hem verder te helpen in zijn ontwikkeling.
De moeder van [slachtoffer] heeft op 14 juli 2025 verklaard dat [slachtoffer] altijd meerdere keren in de week naar verdachte ging om te gamen, maar dat hij daar de laatste weken ineens geen zin meer in had. Toen verdachte bij hen aan de deur kwam om te vragen of [slachtoffer] wilde gamen, gaf [slachtoffer] aan dat hij niet wilde. Toen zijn moeder zei dat hij wel even met verdachte mee kon gaan, trok [slachtoffer] opstandig zijn schoenen aan en riep: “Ik moet niets deze keer”. Verdachte reageerde daarop dat [slachtoffer] niets hoefde te doen, maar wel moest luisteren. Daarop trok [slachtoffer] zijn schoenen weer uit en liep hij weg. De moeder van [slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij op enig moment merkte dat [slachtoffer] niet meer met verdachte wilde praten. Ook heeft zij verklaard dat [slachtoffer] sinds ongeveer anderhalve maand minder uitbundig was dan voorheen en meer in zichzelf gekeerd. Daarnaast heeft zij verklaard dat [slachtoffer] sinds ongeveer een maand weer in bed plast.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde getuigenverklaringen over de bij [slachtoffer] waargenomen gedragsveranderingen aansluiten bij dat wat [slachtoffer] heeft verklaard over wat hem is overkomen. Zijn verklaring vindt daarmee voldoende steun in deze getuigenverklaringen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 november 2024 tot en met 18 juni 2025 te [plaats 1] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer]
seksuele handelingen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [slachtoffer];
2.
hij in de periode van 1 november 2024 tot en met 18 juni 2025 te [plaats 1] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer]
seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het vastpakken, betasten en/of omhoog en omlaag bewegen van de penis van die [slachtoffer].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 249 en 250 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, feit 2
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, meermalen gepleegd
en
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, meermalen gepleegd.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ook heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor [plaats 2], op te leggen voor de duur van drie jaren. Daarbij dient de vervangende hechtenis van tien dagen te worden bevolen voor iedere keer dat niet aan die maatregel wordt voldaan, waarbij de maximale hechtenis zes maanden bedraagt. De officier van justitie heeft gevorderd te bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Tot slot heeft de officier van justitie, op verzoek van de raadsvrouw van [slachtoffer], gevorderd om naast de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte de verplichting op te leggen een bedrag te storten in het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om, hoewel hij niets wil afdoen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvoor voor het slachtoffer, aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte geen doorsnee
23-jarige man is, maar een kwetsbare jongen. Verdachte functioneert op kindniveau en zijn IQ wordt geschat op 55. Daarnaast is bij hem (in het verleden) de diagnose autisme en ADHD gesteld. Volgens de raadsman zal een gevangenisstraf, gelet op de complexe problematiek van verdachte, een enorme impact op hem hebben. Verdachte wordt momenteel al begeleid en staat open voor verdere behandeling. Een voorwaardelijke straf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden doet volgens de raadsman recht aan de persoon van verdachte. Daarnaast kan aan verdachte een taakstraf worden opgelegd. Hij is in staat en bereid deze uit te voeren. Tot slot heeft de raadsman verzocht af te zien van de oplegging van de verplichting tot storting van een bedrag in het Schadefonds Geweldsmisdrijven, nu verdachte geen draagkracht heeft.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal maanden herhaaldelijk schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van de toen zeven- en achtjarige [slachtoffer]. Verdachte was op dat moment 21 en 22 jaar. De seksuele handelingen vonden plaats als verdachte [slachtoffer] ’s avonds ophaalde bij zijn moeder en meenam naar zijn stacaravan om te gaan gamen Verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van het overwicht dat hij op de zeer jonge [slachtoffer] had. Hij heeft dit overwicht gebruikt om [slachtoffer] er telkens toe te brengen vergaande seksuele handelingen bij hem toe te staan. Daarmee is verdachte ver over de grenzen van [slachtoffer] gegaan, die zich vanwege zijn jonge leeftijd en kwetsbaarheid op dat moment niet bewust was van het kwalijke karakter van de handelingen die telkens bij hem werden verricht.
Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] fors geschonden en op grove wijze inbreuk gemaakt op de normale seksuele ontwikkeling van dit jonge slachtoffer.
Het is een feit van algemene bekendheid dat jeugdige slachtoffers van deze feiten nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de namens de vader van [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat het misbruik een grote impact heeft gehad op het leven van [slachtoffer] en zijn gezin. Als gevolg van het misbruik heeft hij een laag zelfbeeld ontwikkeld. Daarnaast is hij nog dagelijks angstig dat verdachte hem zal opzoeken. Inmiddels is een hulpverleningstraject gestart, waarbij onder meer traumatherapie wordt ingezet. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte (het strafblad) van 22 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De reclassering heeft op 17 augustus 2026 een rapport over verdachte opgemaakt. Uit dit rapport komt naar voren dat verdachte een kwetsbare jongen is die kampt met de nodige persoonlijkheidsproblematiek. Bij hem is (in het verleden) de diagnose autisme en ADHD gesteld. Daarnaast is bij hem een IQ van 55 vastgesteld. Daarnaast lijkt sprake te zijn van een belastende jeugdgeschiedenis, waarbij verdachte op jonge leeftijd is geconfronteerd met huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Vanwege zijn psychosociaal functioneren is verdachte bovendien al op jonge leeftijd in verschillende woongroepen geplaatst.
Tijdens het gesprek met de reclassering bleek dat het moeilijk was om met verdachte over het delict en het onderwerp seksualiteit te spreken. De communicatie moest daarbij worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau van verdachte.
Vanwege de ontkennende proces-houding van verdachte heeft de reclassering geen delictgerelateerde factoren kunnen vaststellen. Hetzelfde geldt voor beschermende factoren. Als positieve factor noemt de reclassering de vader van verdachte, die op eigen initiatief een zorgteam voor verdachte heeft ingeschakeld. Op basis daarvan ontvangt verdachte inmiddels dagelijks begeleiding. Gelet op zijn persoonlijkheidsproblematiek is verdachte gebaat bij dagelijkse ondersteuning en heeft hij behoefte aan structuur.
De reclassering ziet aanleiding voor toezicht en interventies. Zij acht nader onderzoek naar het delictgedrag en het psychosociaal functioneren van verdachte aangewezen, waarna indien nodig behandeling kan worden ingezet. Een forensisch kader kan daarbij als stevige stok achter de deur fungeren en maakt het mogelijk de risico’s op langere termijn te monitoren. Zowel verdachte als zijn vader hebben te kennen gegeven open te staan voor reclasseringsbemoeienis.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante begeleiding en het vermijden van contact met minderjarigen.
Op te leggen straf
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de verschillende doelen die daarmee worden nagestreefd. Enerzijds dient een straf ter vergelding en moet daarvan een signaal uitgaan naar de maatschappij. Anderzijds dient de rechtbank te kijken naar de persoon van verdachte en dient de strafoplegging te voorkomen dat hij opnieuw de fout in gaat.
De rechtbank houdt rekening met de aard en ernst van de onderhavige feiten. Daarbij neemt zij in het bijzonder in aanmerking dat het misbruik gedurende een aantal maanden verschillende keren per week plaatsvond, alsmede de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van [slachtoffer] en de schadelijke gevolgen van het handelen van verdachte voor [slachtoffer]. In dit verband overweegt de rechtbank dat uit de handelswijze van verdachte blijkt dat hij zich ervan bewust moet zijn geweest dat zijn handelen ontoelaatbaar was, wat hij tijdens de zitting min of meer heeft toegegeven. Hij nam [slachtoffer] immers steeds mee naar zijn slaapkamer en deed vervolgens de deur op slot terwijl het misbruik plaatsvond.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden is. De rechtbank ziet echter in de kwetsbare persoon van verdachte en noodzaak om verdere hulpverlening te zetten, zoals hiervoor omschreven, aanleiding om de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf aanzienlijk te matigen.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, alsmede een contactverbod met [slachtoffer]. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen noodzaak om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Hetzelfde geldt voor het opleggen van de verplichting aan verdachte om een bedrag te storten in het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
8. De beslissing
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 55 Sr.
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders onder feit 1 en feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, feit 2
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, meermalen gepleegd
en
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
- meewerkt aan diagnostiek en zich ambulant laat behandelen bij Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Verdachte zal zich houden aan de regels die door of namens de zorgverlener zullen worden gegeven;
- op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt verdachte dat hulpverlening hierbij aanwezig zijn;
- op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2017, zo lang de reclassering dit nodig acht;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Gehring, voorzitter, mr. M.S. de Waard en
mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland in het onderzoek “BREITHORN” met nummer ONRBC25240. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van verbalisanten [verbalisant 1] en
[verbalisant 2] van 30 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 20 tot en met 30:
Plaats delict: [plaats 1]
Pleegdatum/tijd: Tussen 1 november 2024 en 27 juni 2025
Hij deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2017 en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde feit, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict.
Hij heet [verdachte], dat is de buurjongen van 21 jaar oud. Hij woont op hetzelfde erf als de moeder van mijn zoon [slachtoffer]. Toen zat hij, [slachtoffer], in detail aan mijn dochter uit te leggen wat hij, [verdachte], bij hem deed. Hij, [slachtoffer], zei dat [verdachte] er met zijn mond bij ging, maar dan moest hij eerst plassen. Hij wilde plassen bij mama thuis, maar dat kon niet, want de deur zat op slot. Dus dat hij daar naar de wc moest gaan om eerst te plassen.
Hij zei “ja dat doet hij altijd”. “Maar als hij zo doet, doet het pijn en dat wil ik niet”. Ik weet dat hij hetzelfde als ik ooit een te strakke voorhuid heeft. Als kind/peuter mocht je daar niet aankomen met de handdoek, want dat deed hem zeer.
Ik ben naar binnen gegaan en zei “[slachtoffer] wie is [verdachte]”. [slachtoffer] zei toen “[verdachte] gaat er met zijn mond bij, ik zit daar te gamen en kan dan niet weg, want de deur zit op slot. Ik wil daar niet meer naartoe”. Ik vroeg toen aan [slachtoffer]: “wat doet [verdachte] dan”. [slachtoffer] liet toen zien dat hij zijn voorhuid naar achter probeerde te trekken.
Toen zei hij “ik wil daar niet meer naartoe, ik wil niet gamen”. Ik zei: “hoe lang gebeurt dit al”. Hij zei “sinds we daar wonen, niet de vierde maar de vijfde dag”. Ik hoorde van [getuige] dat ze daar vanaf november 2024 wonen.
[slachtoffer] plast ineens sinds een half jaar weer in bed. Hij was goed zindelijk een jaar lang. Hij durft niet meer alleen te slapen.
Dat heeft hij voorgedaan toen ik later erbij was. Ik heb een hoekbad met verhoging. Hij ging op de verhoging zitten en probeerde zijn voorhuid naar achter te doen. Dat gaat niet met zijn voorhuid. Hij zei toen “dat wil ik niet, dat doet pijn”. Tussen vier vingers, tussen wijsvinger en duim probeerde hij dat naar achteren te doen. Hij probeerde zijn voorhuid naar achteren te schuiven, maar dat gaat niet bij [slachtoffer]. Toen [slachtoffer] die bewegingen maakte zei hij “en met zijn mond erbij’. Toen [slachtoffer] dat zei probeerde hij zijn voorhuid naar achteren te trekken, maar dat lukt dus niet.
Nu sinds begin dit jaar hebben we gesprekken op school waarom [slachtoffer] zo dromerig is. We zijn naar een kinderarts in Ruurlo geweest of we erachter konden komen waarom hij zo dromerig en afwezig was. Gesprekken sinds eind vorig jaar 2024.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 12 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 42 tot en met 48:
A: Nou er is een jongen die in de buurt zit en daar mag ik soms heen. Maar dan wil ik niet dat hij iets geks aan het doen is.A: Hij trok mijn broek omlaag en dan doet hij mijn piemel omhoog en omlaag. En dat vind ik echt niet leuk. Hij doet dan heel stom en dan zeg ik ophouden en dan doet hij dat alsnog niet.
V: En dat hij aan jou piemel zit en het omhoog en omlaag doet is dat 1 keer of vaker gebeurd?A: Veel vaker.V: En waar is dat gebeurd?V: Het huis van die jongen zeg jij?A: Ja.V: En is het nog op andere plekken gebeurd?A: Nee.V: Is alleen in dat huis van die jongen.V: En hoe heet die jongen?A: [verdachte].V: En als [verdachte] dan zo aan je piemel zit, vertel eens hoe gaat dat?A: Euh, gewoon dan doet hij het in de mond en dan omhoog en omlaag.V: En wat doet hij in zijn mond?A: Mijn piemel.V: En dan doet hij hem omhoog en omlaag zeg jij?A: JaV: En wat doet hij omhoog en omlaag?A: Nou hij denkt dat ik dat fijn vind maar dat vind ik niet fijn.V: Als hij jouw piemel in zijn mond doet, hoe gaat dat dan?A: Nou broek naar beneden en vast houden en in de mond.V: En wie doet jouw broek naar beneden?A: [verdachte].V: [verdachte] doet dus jouw broek naar beneden en dan vasthouden zeg jij?A: Ja.V: En wat dan, wat wordt er vast gehouden?A: Mijn piemel.V: En wie houdt hem vast?A: [verdachte].V: Oké, en waarmee houdt [verdachte] hem vast?A: Met zijn hand.V: En wat voel jij als [verdachte] jouw piemel in zijn mond doet?A: Pijn.V: Vertel, leg eens uit. Je voelt pijn.A: Hij doet hem in zijn mond en hij gaat en dat kriebelt en het doet pijn.A: Op hem bed en dan zegt ie, ik. Ik wil eigenlijk in de woonkamer blijven. Maar dan zegt hij kom hij kom naar bed want daar is het een stukje koeler.V: Jij wil in de woonkamer blijven en [verdachte] zegt nee we gaan naar bed daar is het koeler.A: Ja, ik moet alles daar.V: Leg een uit, je moet alles daar, wat moet je daar dan?A: Nou, ik moet van [verdachte] plassen, ik moet van [verdachte] moet ik ook nog naar de kamer toe en verder niks.V: En je zegt dat je van [verdachte] moet plassen, vertel eens?A: nou ik moet niet plassen, maar [verdachte] zegt toch je gaat zo plassen.V: Die snap ik niet. Waarom zegt [verdachte] dat? Of moet jij dan ook plassen of zegt [verdachte] jij moet plassen.A: Jij moet plassen.V: En wat doe jij dan?A: En dan zeg ik, ik zeg dan nee dat wil ik niet. Maar dan zegt hij alsnog jawel, moet wel.V: Oké en dan.A: Dan doe ik het gewoon.V: En waar ga je dan plassen?A: Bij de wc.V: En waarom is het dan klaar? Zegt [verdachte] dat het klaar is of zeg jij dat het klaar is of anders?A: Mijn moeder, want ik mag soms tot half 8 bij hem blijven.V: Als ik het begrijp is het dan tijd om dan naar huis te gaan?A: Ja.V: Hoe laat ga je naar [verdachte] toe dan?A: Soms om half 7.V: En nog andere tijdstippen dat je daar bent. Ga je er wel eens s 'ochtends naar toe of in de middag.A: In de avond.V: En is het elke keer wanneer je naar [verdachte] gaat dat het gebeurt?A: Ja.V: Dus elke keer als je naar [verdachte] gaat gebeurt dat, dat hij jouw piemel in zijn mond doet en aan je piemel zit en omhoog en omlaag doet.A: JaV: Is die deur gewoon dicht of op slot?A: Echt dicht.V: En ben je ook wel eens in de woonkamer of gebeurt het altijd hier op de slaapkamer.A: Altijd op de slaapkamer.V: En jij vertelde als [verdachte] aan jouw piemel zit en het omhoog en omlaag doet het pijn dan pijn doet. Waar doet het dan pijn?A: Overal.V: Waar is overal?A: Overal bij mijn piemel.
3.
Het proces-verbaal van verhoor [getuige] van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] van 14 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 50 tot en met 56:
Elke avond gaat [verdachte] naar zijn eigen caravan. [slachtoffer] is een gamer en dat is [verdachte] ook. De laatste weken had [slachtoffer] er geen zin in om mee te gaan met [verdachte]. Ik vroeg aan [slachtoffer] waarom hij niet mee wilde gamen. [slachtoffer] zei dat hij allemaal dingen moest doen.
[slachtoffer] zei dat hij dan per se moest plassen van [verdachte]. [slachtoffer] zei dat hij ook mee moest naar de slaapkamer, want daar was het koeler. [slachtoffer] zei dat hij dingen moest maar dat niet wilde.
[verdachte] stond voor onze deur om te vragen of [slachtoffer] wilde gamen. Ik zei dat [slachtoffer] na het eten wel even mee mocht. [slachtoffer] wilde niet, maar omdat [verdachte] bleef aandringen en ik zei dat hij wel even mee kon, trok [slachtoffer] opstandig zijn schoenen aan en zei daarbij tegen [verdachte]: “Ik moet niets deze keer!” [verdachte] zei dat hij inderdaad niets moest, maar wel moest luisteren. [slachtoffer] deed gelijk zijn schoenen uit en liep weg. [slachtoffer] plaste sinds een maand weer in bed.
Ik denk drie keer in de week dat [slachtoffer] met [verdachte] mee ging naar de caravan van [verdachte]. [slachtoffer] vond het leuk en kwam ook vrolijk terug in het begin. De laatste 1,5 maand, bracht [verdachte] hem niet meer thuis en soms kwam [slachtoffer] binnen en dan zei ik: “Hai lieverd” en dat lachte hij wel, maar ook wel in zichzelf gekeerd en niet meer zo uitbundig. De laatste 1,5 maand dat [verdachte] graag met [slachtoffer] wilde praten op de oprit maar dan wilde [slachtoffer] dat niet en liep hij met mij mee. Meestal ging [slachtoffer] mee (de rechtbank begrijpt: naar de caravan van [verdachte]) van 18.30 tot 20.00 a 20.30 uur. Na het eten en gemiddeld 2 à 3 keer in de week.
4.
Een geschrift, te weten “verslag jeugdconsulent gemeente Berkelland”, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[Afbeelding]