RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
UTL-nummer: UTL-1-2024038742
Parketnummer: 08-269669-25
Datum uitspraak: 10 september 2026
Uitspraak van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
nu verblijvende in de PI [verblijfsplaats] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon, bijgestaan door
mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaat in Enschede.
1. De procedure
Bij brief van 30 oktober 2024 heeft de ambassade van de Republiek Turkije aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland een gewaarmerkt verzoek van de Turkse autoriteiten doen toekomen, gedateerd 9 september 2024 en voorzien van een vertaling in het Engels, waarin de uitlevering wordt gevraagd van de opgeëiste persoon met als doel hem te kunnen vervolgen voor een strafbaar feit (hierna aangeduid met: het uitleveringsverzoek).
Het uitleveringsverzoek is door het ministerie van Buitenlandse Zaken onder de aandacht gebracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid, dat het verzoek op 23 juni 2025 heeft verzonden aan het Internationaal Rechtshulp Centrum Oost-Nederland. Daarop heeft de officier van justitie op 2 juli 2026 een vordering ingediend bij de rechtbank strekkende tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek ex artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet (hierna: Uw). Ook is om een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.
2. Het uitleveringsverzoek
De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek naar het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het feit omschreven in het uitleveringsverzoek en het daarbij gevoegde originele nationale arrestatiebevel van 17 juli 2024.
Het betreft het volgende strafbare feit: poging tot doodslag op [slachtoffer] , dan wel zware mishandeling van [slachtoffer] dan wel mishandeling van [slachtoffer] , gepleegd op
12 maart 2017 te Kayseri (Turkije).
3. Het onderzoek ter zitting
De behandeling
De rechtbank heeft het uitleveringsverzoek op 27 augustus 2026 inhoudelijk behandeld op een openbare zitting. De officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw zijn gehoord en hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De opvatting van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard door de rechtbank. Aan alle vereisten daarvoor is voldaan.
De opvatting over de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek is opgenomen in een schriftelijke samenvatting, die ter terechtzitting door de officier van justitie is overgelegd.
Het standpunt van de opgeëiste persoon
De raadsvrouw heeft conform de op de terechtzitting overgelegde pleitnota primair bepleit de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht om de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) te adviseren om:
een onvoorwaardelijke terugkeergarantie voor de opgeëiste persoon bij de Turkse autoriteiten op te vragen;
van de Turkse autoriteiten de garantie te verlangen dat de opgeëiste persoon niet wordt blootgesteld aan behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, omdat hij vanwege zijn psychische kwetsbaarheid onder gespecialiseerde behandeling staat;
onderzoek te doen naar lichtere alternatieven.
4. De beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering
Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd en nader aangeduid. De rechtbank heeft daarmee de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld. Dat, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, de bekendheid van zijn Nederlandse nationaliteit in Turkije niet, dan wel onvoldoende, blijkt uit de stukken die door Turkije naar Nederland zijn toegezonden, doet hieraan niet af.
Uitgangspunten voor de beoordeling
De Uw kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden van de Uw en de verdragen beoordeeld kunnen worden door de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de Uw volgt - alleen bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is dus vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek.
Toepasselijke wetten en verdragen
Op het verzoek zijn naast de Uw het Europees Verdrag betreffende Uitlevering (hierna: EUV) en het Tweede Aanvullend Protocol bij voormeld verdrag van toepassing.
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is langs diplomatieke weg toegezonden aan de minister. De rechtbank stelt vast dat het verzoek conform artikel 18 Uw en artikel 12 EUV is vergezeld van de genoemde vereiste stukken. Uit die stukken volgt dat de opgeëiste persoon in Turkije wordt vervolgd vanwege het hierboven vermelde strafbare feit. De stukken zijn derhalve genoegzaam.
Dubbele strafbaarheid en de strafbedreiging
Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a Uw kan uitlevering alleen worden toegestaan ter zake van een (vermoeden van het plegen van een) strafbaar feit, waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd.
De opgeëiste persoon wordt door de verzoekende staat vervolgd voor:
poging doodslag, strafbaar gesteld in artikel 87/1 sub d van het Turks Wetboek van Strafrecht, dan wel
zware mishandeling, strafbaar gesteld in artikel 87/1 sub d van het Turks Wetboek van Strafrecht, dan wel
- mishandeling, strafbaar gesteld in artikel 86/1 en 86/3 sub e van het Turks Wetboek van Strafrecht.
Naar Nederlands recht zijn deze feiten strafbaar gesteld onder de artikelen 45, 287, 302 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Naar zowel Turks als Nederlands recht kan een vrijheidsstraf van één jaar of langer worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat daarmee is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid en strafbedreiging.
Ne bis in idem
Op grond van artikel 9, leden 2 en 3, EUV en artikel 9, lid 1, aanhef en onder a, b, c en d Uw wordt uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd, dan wel al is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten. Deze situatie doet zich niet voor. Het is niet aangevoerd door de opgeëiste persoon en/of zijn raadsvrouw en ook overigens is dit niet gebleken.
Verjaring
Op grond van artikel 9, lid 1, aanhef en onder e Uw wordt uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit dat naar Nederlands recht niet meer vervolgd kan worden, omdat het verjaard is. Artikel 10 EUV bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan voor een feit dat is verjaard volgens het recht van de aangezochte of de verzoekende staat.
De rechtbank stelt vast dat deze bepalingen niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staan, nu noch naar Nederlands recht noch naar Turks recht sprake is van verjaring.
Vervolging wegens een politiek delict
Op grond van artikel 3 EUV en artikel 11 Uw wordt uitlevering niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten.
Deze situatie doet zich niet voor. Het is door de opgeëiste persoon en/of zijn raadsvrouw niet aangevoerd en ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat van een dergelijke situatie sprake zou zijn. De ter zitting aangevoerde omstandigheid dat de opgeëiste persoon zijn dienstplicht in Turkije niet zou hebben afgekocht, kan - mede gelet op het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing - niet worden aangemerkt als een politiek motief tot uitlevering althans vervolging voor een politiek delict. De Turkse autoriteiten hebben daarbij bovendien de garantie gegeven dat het geen politiek delict betreft.
Conclusie
Uit voorgaande vaststellingen en overwegingen volgt dat aan de vereisten voor het toelaatbaar verklaren van het uitleveringsverzoek is voldaan. Er is dus geen belemmering voor de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering en ook voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of ambtshalve door de rechtbank geconstateerd, die maken dat daar anders over moet worden gedacht. De rechtbank zal de uitlevering aan de verzoekende staat (Turkije) van de opgeëiste persoon ter strafvervolging toelaatbaar achten voor het feit zoals omschreven in het uitleveringsverzoek.
5. Advies
Naar aanleiding van het door de raadsvrouw ingenomen standpunt dat de terugkeergarantie niet onvoorwaardelijk is, ziet de rechtbank aanleiding om, als bijlage bij deze uitspraak, op grond van artikel 30 Uw advies uit te brengen aan de minister over het aan het uitleveringsverzoek te geven vervolg.
6. De uitleveringsdetentie
De opgeëiste persoon is op 1 juli 2026 aangehouden op basis van een bevel ex artikel 21 Uw en vervolgens in verzekering gesteld.
Ter zitting heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. Het bevel daartoe is afzonderlijk geminuteerd. Het verzoek om schorsing van de te bevelen gevangenhouding wijst de rechtbank andermaal af, gelet op de aard van de procedure en de omstandigheid dat naar het oordeel van de rechtbank niet althans onvoldoende met voorwaarden kan worden voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan de uitlevering zal onttrekken, mede gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.8 als informatie van de raadsvrouw heeft opgenomen.
7. De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen
De beslissing is, naast de reeds genoemde artikelen, gegrond op de artikelen 1 en 2 EUV en de artikelen 2, 5, 26 en 28 Uw.
8. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Turkije van [de opgeëiste persoon] , geboren op
[geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] , ter strafvervolging van het feit zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek en het daarbij gevoegde arrestatiebevel;
- wijs af het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding.
Deze beslissing is genomen door mr. R.G.J. Gehring, voorzitter, mr. M.S. de Waard en
mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
Bijlage
Advies aan de minister van Justitie en Veiligheid ex artikel 30 van de Uitleveringswet (UW)
De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft bij uitspraak van 10 september 2026 de uitlevering aan Turkije toelaatbaar verklaard van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon,
bijgestaan door mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaat in Enschede.
De rechtbank adviseert in uw overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken.
Terugkeergarantie
In het uitleveringsverzoek heeft de rechtbank niet teruggezien of door de verzoekende staat gewaarborgd wordt dat de opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft, bij een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf deze straf in Nederland zal mogen ondergaan, zoals bepaald in artikel 4, tweede lid, Uw. De rechtbank adviseert de minister zich ervan te vergewissen dat deze waarborg, in geval van toestemming voor uitlevering, wordt gegeven.
Dit advies is gegeven door mr. R.G.J. Gehring, voorzitter, mr. M.S. de Waard en
mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier.
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit advies mede te ondertekenen.