RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11953829 \ CV EXPL 25-3552
Vonnis van 8 september 2026
in de zaak van
1. [partij A1] ,
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [partij A1] ,2. [partij A2],
te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [partij A2] ,3. [partij A3],
te [woonplaats 3] ,
hierna te noemen: [partij A3] ,4. [partij A4],
te [woonplaats 4] ,
hierna te noemen: [partij A4] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg,
tegen
GEMEENTE BELANG KAMPEN,
te Kampen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: GBK,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte producties- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
GBK is een vereniging die actief is binnen de gemeentepolitiek in Kampen.
[partij A] zijn van 2018 tot 19 februari 2022 lid geweest van GBK.
Op of omstreeks 8 februari 2022 hebben [partij A] hun politieke activiteiten voortgezet onder de naam “ [politieke partij] ”.
Bij vonnis van 16 augustus 2022 heeft de kantonrechter (hierna: het vonnis van de kantonrechter) in een geschil tussen [partij A] en GBK als volgt geoordeeld, voor zover hier van belang:
“8.3. verklaart voor recht dat [partij A] tegenover onrechtmatig hebben gehandeld door de website van offline te halen en/of zich toegang te verschaffen tot de website van en/of teksten en foto’s van de website van te verwijderen;
verklaart voor recht dat [partij A] inbreuk hebben gemaakt op het auteursrecht van op teksten in het verkiezingsprogramma van ;
beveelt [partij A] , gezamenlijk dan wel ieder voor zich, met onmiddellijke ingang vanaf de datum van betekening van dit vonnis iedere handeling waardoor inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht van , of welke anderszins onrechtmatig is jegens , te staken en gestaakt te houden en daarbij met name (maar niet uitsluitend) ieder gebruik van teksten, kopjes en indeling van het verkiezingsprogramma van te staken en gestaakt te houden, op straffe van een aan te verbeuren dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, te verhogen met een bedrag van € 500,00 voor elke dag en/of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 50.000,00;
verklaart voor recht dat [partij A] tegenover onrechtmatig hebben gehandeld door het beheer te ontnemen van de Facebookpagina van , welke momenteel de naam [politieke partij] heeft, en de Instagrampagina van , welke momenteel de naam [politieke partij] heeft;
verbiedt [partij A] , gezamenlijk dan wel ieder voor zich, met onmiddellijke ingang vanaf de datum van betekening van dit vonnis te beheren de Facebookpagina van , welke momenteel de naam [politieke partij] heeft, en de Instagrampagina van , welke momenteel de naam [politieke partij] heeft, op straffe van een aan te verbeuren dwangsom van € 2.500,00 per overtreding, te verhogen met een bedrag van € 500,00 voor elke dag en/of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,00;
veroordeelt [partij A] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis in staat te stellen weer het beheer te kunnen voeren van de Facebookpagina van , welke momenteel de naam [politieke partij] heeft, en de Instagrampagina van , welke momenteel de naam [politieke partij] heeft, waaronder het verschaffen van inlogcodes en wachtwoorden, op straffe van een aan te verbeuren dwangsom van € 2.500,00, te verhogen met een bedrag van € 500,00 voor elke dag en/of dagdeel dat [partij A1] c.s geen uitvoering geven aan deze veroordeling, met een maximum van € 25.000,00;
veroordeelt [partij A] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, aan te betalen het bedrag van € 6.505,58;
Het vonnis van de kantonrechter is tenuitvoergelegd en daarbij is een bedrag van € 25.0000,00 aan dwangsommen geïncasseerd.
Verder hebben [partij A] een bedrag van € 7.883,18 aan de deurwaarder betaald.
Vervolgens heeft – voorzover hier van belang – het gerechtshof Arnhem Leeuwarden, locatie Leeuwarden (hierna: het hof) bij arrest van 9 april 2024:
- de beslissingen onder 8.3. t/m 8.9 van de kantonrechter ten aanzien van [partij A1] bekrachtigd,
- de beslissingen onder 8.3 en 8.6 t/m 8.9 ten aanzien van [partij A3] bekrachtigd en de beslissingen onder 8.4 en 8.5 ten aanzien van [partij A3] vernietigd, en
- de beslissingen onder 8.3 t/m 8.9 van de kantonrechter ten aanzien van [partij A2] en [partij A4] vernietigd.
[partij A1] heeft met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekening van GBK ter verzekering van verhaal van de in conventie ingediende vordering. Blijkens de verklaring derdenbeslag van de bank valt onder het beslag een bedrag van € 5.916,01.
3. Het geschil
in conventie
[partij A] vorderen, verkort weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [partij A] gelet op het arrest van 9 april 2024 geen enkel bedrag aan GBK verschuldigd zijn of zijn geweest;
II. te bepalen dat GBK alle betekenings- en executiekosten, voor zover ten laste van eisers of één van hen gebracht, zelf dient te dragen;
III. ten aanzien van de ICT kosten (vonnis onder 8.9) voor recht te verklaren dat slechts € 650,58 verschuldigd is en slechts door eisers [partij A1] en [partij A3] , met veroordeling aan GBK om het ten onrechte geïncasseerde meerdere ad € 5.855,00 aan [partij A] terug te betalen,
IV. voor recht te verklaren dat er geen titel bestaat voor incasso van het bedrag van € 9,60 aan ‘GBA” in de betekening, aldus dat dit onverschuldigd is voldaan, met veroordeling van GBK tot (terug)betaling van dit bedrag aan [partij A] ,
V. voor recht te verklaren dat het door [partij A2] betaalde bedrag van € 12.919,02 zonder rechtsgrond, althans onterecht bij [partij A2] is geïncasseerd, met veroordeling van GBK tot (terug)betaling van dit bedrag aan [partij A2] ,
VI. voor recht te verklaren dat het door [partij A1] betaalde bedrag van € 10.244,00, althans een bedrag van € 3.244,00, zonder rechtsgrond bij [partij A1] is geïncasseerd, met veroordeling van GBK tot (terug)betaling van dit bedrag aan [partij A1] ,
VII. voor recht te verklaren dat het door [partij A3] betaalde bedrag van € 4.870,36 zonder rechtsgrond, althans onterecht bij [partij A3] is geïncasseerd, met veroordeling van GBK tot (terug)betaling van dit bedrag aan [partij A3] ,
VIII. GBK te veroordelen in de proceskosten van [partij A]
[partij A] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter is voor groot deel zonder titel geweest. Een bedrag van € 5.855,00 is door het hof afgewezen en moet worden terugbetaald. Dat bedrag is ten onrechte niet in het dictum van het hof opgenomen. [partij A2] en [partij A4] zijn in het geheel geen dwangsommen verschuldigd. Ook [partij A1] en [partij A3] hebben geen dwangsommen verbeurd, althans niet eerder dan op 19 augustus 2022.
GBK voert verweer. GBK concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
GBK voert het volgende aan. Primair stelt GBK dat [partij A] feitelijk vragen om een herbeoordeling van punten waarover het hof al definitief heeft geoordeeld. Het arrest van het hof heeft gezag van gewijsde en daar kan niet op worden teruggekomen. De betalingen zijn verricht op basis van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis waarvan de kernveroordelingen door het hof in stand zijn gelaten. Subsidiair – als geoordeeld wordt dat wel bedragen moeten worden terugbetaald – voert GBK aan dat onvoldoende is onderbouwd wie welk bedrag moet ontvangen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
GBK vordert - samengevat - het door [partij A] gelegde conservatoire beslag op te heffen.
[partij A] voeren verweer. [partij A] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van GBK, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van GBK, met veroordeling van GBK in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
De executie van het vonnis van de kantonrechter
Partijen zijn het eens over het volgende. Na het vonnis van de kantonrechter is door de deurwaarder een bedrag van € 36.054,51 geïncasseerd. Dat betreft onder meer een bedrag van € 6.505,58 waartoe [partij A] onder punt 8.9. van het vonnis waren veroordeeld (hierna: de ICT-kosten) en een bedrag van € 25.000,00 aan verbeurde dwangsommen.
[partij A] stellen onweersproken dat:
de deurwaarder bij [partij A1] een bedrag van € 10.422,00 heeft geïncasseerd;
de deurwaarder bij [partij A2] een bedrag van € 12.919,02 heeft geïncasseerd;
de deurwaarder bij [partij A3] een bedrag van € 4.870,36 heeft geïncasseerd;
[politieke partij] een bedrag van € 7.883,18 aan de deurwaarder heeft betaald met geld afkomstig van [partij A1] , [partij A2] , [partij A3] en [partij A4] .
De kantonrechter stelt vast dat het hof de beslissingen van de kantonrechter in eerste aanleg voor een deel onherroepelijk heeft vernietigd. Een dwangsom is een pressiemiddel, een geldelijke prikkel tot nakoming van een rechterlijke beslissing. Een dwangsom kan niet (voort)bestaan los van een hoofdveroordeling. Vernietiging van deze titel (de hoofdveroordeling) in hoger beroep – die onmiddellijke werking heeft – heeft tot gevolg dat met terugwerkende kracht de rechtsgrond komt te ontvallen aan hetgeen ter uitvoering van dat vonnis is verricht. De partij die aan de veroordeling heeft voldaan, heeft krachtens artikel 6:203 lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) jegens de ontvanger recht op ongedaanmaking daarvan. Dit geldt dus ook voor de dwangsom. Eventueel reeds verbeurde dwangsommen zijn achteraf bezien niet verbeurd, en eventueel reeds ingevorderde dwangsommen zijn onverschuldigd betaald.
Voor de vraag of de dwangsommen achteraf bezien zijn verbeurd, is het niet aan de kantonrechter om de in het arrest besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De kantonrechter moet zich in dit geval beperken tot het toetsen van de ter uitvoering van het veroordelend arrest verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling. Die inhoud moet door uitleg worden vastgesteld, waarbij het doel en de strekking van de veroordeling richtsnoer zijn in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.
De aanzegging van het verbeuren van de dwangsommen
Bij deurwaardersexploot van 9 september 2022 is aan [partij A] op verzoek van GBK bevel gedaan tot betaling van - onder meer - € 25.000,00 aan verbeurde dwangsommen. In dat exploot is onder meer het volgende vermeld:
“AANGEZEGD:
[…]
dat bij vonnis d.d. 16 augustus 2022 […] aan gerekwireerden ondermeer bevel is gedaan om:
zich te houden aan het in het dictum van het vonnis onder 8.5. opgenomen bevel […];
zich te houden aan het in het dictum van het vonnis onder 8.7. opgenomen verbod […];
om BINNEN DRIE DAGEN NA HEDEN GBK in staat te stellen weer het beheer te kunnen voeren van de Facebookpagina van GBK […] en de Instagrampagina van GBK […];
[…]
dat gebleken is dat gerekwireerden in gebreke zijn gebleven om aan voormeld bevel te voldoen;
dat gerekwireerden in gebreke zijn gebleven met het tijdig voldoen aan de hiervoor genoemde veroordelingen.
dat de door gerekwireerden overtreden veroordelingen zijn opgesomd in een brief gericht aan gerekwireerden van de hand van mr. [naam 1] namens rekwirante en gedateerd 26 augustus 2022.
dat de door gerekwireerden overtreden veroordelingen zijn opgesomd in een brief gericht aan gerekwireerden van de hand van mr. [naam 2] namens rekwirante en gedateerd 2 september 2022.
dat gerekwireerden thans voor € 25.000,00 aan dwangsommen aan rekwirante hebben verbeurd;
[…]”
De kantonrechter is van oordeel dat GBK met de verwijzing naar de brieven van 26 augustus 2022 en 2 september 2022 heeft voldaan aan de eis dat zij met rechtstreekse en precieze bewoordingen aan [partij A1] kenbaar moet maken waarop zij haar standpunt baseert dat aan de voorwaarden waaronder de dwangsom verschuldigd is geworden, is voldaan. De brieven zijn toegezonden aan [partij A1] , [partij A3] , [partij A2] en [partij A4] . De brief van 26 augustus 2022 bevindt zich in het procesdossier en daarin zijn de door GBK gestelde overtredingen van het vonnis van 16 augustus 2022 voldoende feitelijk omschreven. [partij A] zijn daarmee in staat gesteld om te beoordelen of het zinvol is tegen de executie op te komen en welke feiten zij in dat geval daaraan ten grondslag moet leggen.
De betekening van het vonnis van de kantonrechter
De kantonrechter stelt vast dat het vonnis van de kantonrechter op 18 augustus 2022 bij [partij A1] en op 19 augustus 2022 bij [partij A3] , [partij A2] en [partij A4] is betekend.
De hoofdveroordelingen zijn ten aanzien van [partij A2] en [partij A4] geheel komen te vervallen
In het arrest van het hof zijn de hoofdveroordelingen ten aanzien van [partij A2] en [partij A4] geheel komen te vervallen. Dat betekent dat de rechtsgrond is komen te ontvallen aan de dwangsommen die bij [partij A2] zijn geïncasseerd en aan de betaling die [partij A2] aan de deurwaarder heeft gedaan (voor de veroordeling onder 8.9.). Op GBK rust daarom een ongedaanmakingsverbintenis ten aanzien van deze dwangsommen. Dit betreft het volledige bedrag van € 12.919,02. De kantonrechter zal de gevorderde verklaring voor recht dat dit bedrag zonder rechtsgrond is betaald toewijzen en GBK veroordelen tot terugbetaling van dit bedrag aan [partij A2] (vordering V). Een specifiek op [partij A4] toegespitste vordering maakt geen deel uit van de dagvaarding, zodat een beoordeling in dat opzicht achterwege blijft.
De veroordeling onder 8.5. van het vonnis van de kantonrechter
In het arrest van het hof is de hoofdveroordeling onder 8.5. alleen ten aanzien van [partij A1] bekrachtigd.
In de brief van 26 augustus 2022 is onder meer het volgende vermeld:
“ Veroordeling 8.5. (auteursrecht et cetera)
U – en de overige partijen – hebben het verkiezingsprogramma (eigendom van GBK) na de veroordeling en de betekening, gehandhaafd op de site van [politieke partij] . Op enig moment is een link op de voorpagina van de site verwijderd. Dit geschiedde een paar dagen nadat betekening had plaatsgevonden. Daarvoor kwam toen in de plaats te staan iets in de trant van: het verkiezingsprogramma is bij ons opvraagbaar, stuur een mail (of iets dergelijks). Daarna stond het verkiezingsprogramma nog steeds zichtbaar op de site. Daags daarna is ook die mededeling verwijderd en is het gehele verkiezingsprogramma van de site verwijderd.
[…] op 19 augustus was het verkiezingsprogramma nog niet door u en/of de heer [partij A2] en/of de heer [partij A3] en/of de heer [partij A4] , van de site gehaald. Op 19 augustus was dan ook de dwangsom van € 5.000 door u verschuldigd.
[…]
Op dinsdag 23 augustus is niet alleen de link verwijderd, maar is ook het hele verkiezingsprogramma verwijderd van de site, […]. Op 23 augustus, ’s morgens, stond het verkiezingsprogramma nog op de site.”
[partij A1] stelt onweersproken dat een bedrag van € 12.000,00 aan dwangsommen is geïncasseerd wegens overtreding van de veroordeling onder 8.5. (schending van auteursrechten). [partij A1] stelt dat GBK een bedrag van € 5.000,00 moet terugbetalen, omdat GBK in de brief van 2 september 2022 ten onrechte uitgaat van het verbeuren van dwangsommen per 18 augustus 2022 (de dag van betekening van het vonnis).
Op grond van artikel 611a lid 3 Rv kan een dwangsom niet worden verbeurd vóór betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Met de bepaling in artikel 611a lid 3 Rv is beoogd dat de veroordeelde partij kennis draagt van het rechterlijk verbod of bevel en in de gelegenheid wordt gesteld alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Door betekening van het vonnis wordt hieraan voldaan. De verplichting om aan het vonnis te voldoen gaat overigens al in op het moment van de uitspraak. [partij A1] is daarin veroordeeld om met onmiddellijke ingang vanaf de datum van betekening van het vonnis iedere inbreuk op het auteursrecht te staken. De kantonrechter heeft daarbij niet (ingevolge artikel 611a lid 4 Rv) bepaald dat [partij A1] pas na verloop van een zekere termijn na betekening de dwangsom zal kunnen verbeuren. Alleen de rechter die een dwangsom heeft opgelegd kan op vordering van een veroordeelde de dwangsom verminderen of opschorten op de grond dat het onmogelijk is om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Hierover heeft het hof (in overweging 5.16.) al overwogen dat de kantonrechter op de mondelinge behandeling heeft aangekondigd dat het vonnis op 16 augustus 2022 zou worden gewezen, zodat [partij A1] had kunnen anticiperen op de toewijzing van de vorderingen van GBK en hij op tijd aan de veroordeling kon voldoen. De kantonrechter overweegt dat een executiegeschil geen verkapt hoger beroep mag zijn en zal daar niet (opnieuw) over oordelen. Alleen als dat misbruik van recht oplevert (art. 3:13 lid 1 BW) mag een bevoegdheid tot het executeren van een uitspraak niet worden ingeroepen. Daarvoor hebben [partij A1] en [partij A3] niets aangevoerd.
De brief van 2 september 2022 zit niet bij de gedingstukken en de brief van 26 augustus 2022 maakt melding van een eerste overtreding op 19 augustus 2022. Maar ook indien wordt uitgegaan van een eerste overtreding van de veroordeling onder 8.5. op 18 augustus 2022, wat door GBK niet is weersproken, heeft [partij A1] gelet op het voorgaande een dwangsom verbeurd. Dát [partij A1] na betekening van de uitspraak in strijd heeft gehandeld met de veroordeling onder 8.5. is niet weersproken.
De veroordeling onder 8.7. van het vonnis van de kantonrechter
In het arrest van het hof is de hoofdveroordeling onder 8.7. ten aanzien van [partij A1] en [partij A3] bekrachtigd.
In de brief van 26 augustus 2022 is onder meer het volgende vermeld:
“ Veroordeling 8.7. (verbod beheer Facebook- en Instagrampagina)
[…]
Cliënte heeft geconstateerd dat een beheerhandeling is uitgevoerd. Een URL is gewijzigd. Daarmee is het beheerverbod (randnummer 8.7 van het vonnis) overtreden. […]Om precies te zijn was er sprake van de navolgende wijziging: aanvankelijk was het ‘ [internetsite 1] ’. Dit is gewijzigd naar: ‘ [internetsite 2] ’. […] Cliënte heeft geconstateerd dat deze overtreding heeft plaatsgevonden op maandag18 augustus 2022. […] Een en ander is nog steeds niet teruggeschroefd zodat sprake is van een voortdurende overtreding.”
[partij A1] en [partij A3] stellen onweersproken dat een bedrag van € 7.500,00 is geïncasseerd wegens overtreding van de veroordeling onder 8.7. Zij betwisten dat sprake is van overtreding van deze veroordeling en stellen daarnaast dat GBK ten onrechte uitgaat van het verbeuren van dwangsommen per 18 augustus 2022 (de dag van betekening van het vonnis).
[partij A1] heeft niet weersproken dat hij op 18 augustus 2022 een URL heeft gewijzigd op de facebookpagina van GBK. Gelet op de bewoordingen van de veroordeling onder 8.7. is daarmee sprake van een beheersdaad op de pagina van GBK, ongeacht of de facebookpagina op dat moment de naam [politieke partij] had. Het doel en de strekking van het veroordelend vonnis is dat alleen aan GBK het beheer over haar facebook- en instagrampagina toekomt. Dat betekent dat alleen GBK mag bepalen wat er op die pagina’s gebeurt. In dat licht is het zonder toestemming van GBK wijzigen van een URL – ongeacht de inhoud van die wijziging – daarmee in strijd en verbeurt [partij A1] met deze overtreding de dwangsom.
Ook ten aanzien de veroordeling onder 8.7. gaat het verbod in met onmiddellijke ingang vanaf de datum van betekening van het vonnis. Dat betekent – onder verwijzing naar overweging 4.13. – dat [partij A1] ook bij een overtreding op 18 augustus 2022 een dwangsom heeft verbeurd.
[partij A3] kon echter nog geen dwangsom verbeuren op 18 augustus 2022, omdat het vonnis aan hem pas is betekend op 19 augustus 2022. Evenmin kan [partij A3] dan dwangsommen verbeuren wegens het voortduren van die overtreding. Ter zake van overtreding van 8.7. is [partij A3] dus geen dwangsommen verschuldigd.
De veroordeling onder 8.8. van het vonnis van de kantonrechter
In het arrest van het hof is de hoofdveroordeling onder 8.8. ten aanzien van [partij A1] en [partij A3] bekrachtigd.
In de brief van 26 augustus 2022 is onder meer het volgende vermeld:
“ Veroordeling 8.8. (in staat stellen GBK)
[…] Cliënte is momenteel nog steeds niet in staat het beheer van de Facebook- en Instagrampagina te voeren. In dat kader heeft u c.s. niets gedaan. […] Verder heeft u aangegeven dat inlogcodes en wachtwoorden bij GBK al in bezit waren en dat daardoor aan het vonnis is voldaan. Dat laatste is niet zo. […] Betekening aan alle vier de partijen heeft plaatsgevonden voor/op 19 augustus 2022. Uiterlijk op maandag 22 augustus had dan ook het beheer overgedragen moeten zijn.”
[partij A1] en [partij A3] stellen onweersproken dat een bedrag van € 5.500,00 is geïncasseerd wegens overtreding van de veroordeling onder 8.8 Zij voeren aan dat er geen dwangsom kan verbeuren, als de veroordeelde voor het kunnen voldoen aan de veroordeling afhankelijk is van informatie van de schuldeiser. Zij stellen dat dat zo is en dat [partij A1] en [partij A3] de pagina’s hebben overgedragen, zodra de voor de overdracht benodigde informatie bekend was.
De kantonrechter stelt voorop dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd op vordering van een veroordeelde de dwangsom kan verminderen op de grond dat het onmogelijk is om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Hierover heeft het hof (in 5.23.) al overwogen dat het voor [partij A1] en [partij A3] mogelijk was om GBK binnen drie dagen na betekening van het vonnis weer in staat te stellen het beheer te kunnen voeren van de Facebook- en Instagrampagina. De kantonrechter overweegt dat een executiegeschil geen verkapt hoger beroep mag zijn en zal daar niet (opnieuw) over oordelen. Alleen als dat misbruik van recht oplevert (art. 3:13 lid 1 BW) mag een bevoegdheid tot het executeren van een uitspraak niet worden ingeroepen. Daarvoor hebben [partij A1] en [partij A3] niets aangevoerd.
De veroordeling van de kantonrechter onder 8.9.
[partij A] zijn in het vonnis van de kantonrechter onder 8.9. veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.505,58. Deze veroordeling is in hoger beroep ten aanzien van [partij A1] en [partij A3] bekrachtigd.
In het arrest van het hof is echter het volgende overwogen onder 5.27.:
“Grief XV slaagt. GBK heeft het causaal verband tussen de factuur van Brainpink van € 5.855,- en de onrechtmatige gedragingen van [partij A1] en [partij A3] onvoldoende onderbouwd. […] Vanwege het ontbreken van causaal verband, komt dit bedrag niet voor toewijzing in aanmerking. […]”
[partij A] stellen dat zij dit bedrag gezamenlijk hebben voldaan aan de deurwaarder en voeren aan dat GBK het bedrag van € 5.855,00 aan [partij A] moet terugbetalen, omdat het bedrag zonder titel is geïncasseerd. Uit de overwegingen in het arrest (onder 5.26 en 5.27) volgt namelijk dat de veroordeling tot betaling van dat bedrag ook ten aanzien van [partij A1] en [partij A3] had moeten worden vernietigd. Omdat er geen hoger beroep meer openstaat, vorderen [partij A] dat de kantonrechter dit herstelt, omdat het arrest overduidelijk berust op een misslag en GBK daarom misbruik maakt van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging.
GBK stelt dat het hof geen aanleiding heeft gezien om GBK te veroordelen tot terugbetaling van dit bedrag. Het arrest heeft gezag van gewijsde en daarom moet de vordering worden afgewezen.
De kantonrechter stelt voorop dat een executiegeschil geen verkapt hoger beroep mag zijn. Alleen als dat misbruik van recht oplevert (art. 3:13 lid 1 BW) mag een bevoegdheid tot het executeren van een uitspraak niet worden ingeroepen. Misbruik van executiebevoegdheid wordt volgens vaste rechtspraak – waaronder het arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983 (Ritzen/Hoekstra) – onder andere aangenomen als de uitspraak die ten uitvoer wordt gelegd overduidelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of als, na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Ook de bevoegdheid om een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak ten uitvoer te leggen kan worden misbruikt. Als de uitspraak berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag volgt daaruit niet dat een executant altijd misbruik van bevoegdheid maakt door die uitspraak te executeren.
[partij A] hebben aan hun stelling dat GBK gelet op het arrest van het hof misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het vonnis van de kantonrechter ten uitvoer te leggen geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd dan dat sprake is van een kennelijke misslag in het arrest en dat uit de overwegingen van het hof blijkt dat de veroordeling onder 8.9. geen stand kan houden. Dit is onvoldoende om misbruik van bevoegdheid aan te nemen. Het bedrag waar het hier om gaat was al betaald, korte tijd na het vonnis van de kantonrechter, in augustus 2022. Niet is gebleken dat [partij A] na het arrest van het hof op 9 april 2024 hebben verzocht om herstel van het arrest op grond van artikel 31 Rv, terwijl dat te allen tijde mogelijk is. Onder die omstandigheid kan niet worden aangenomen dat [partij A] door de executie onevenredig zwaar zijn getroffen in hun belangen. Dit betekent ook dat de vordering onder III voor afwijzing in aanmerking komt.
De gevorderde verklaring voor recht onder I zal worden afgewezen, omdat uit dit vonnis volgt dat [partij A1] en [partij A3] bedragen aan GBK verschuldigd zijn. Verder geldt dat in het arrest van 9 april 2024 de rechtsverhouding tussen GBK en [partij A2] en [partij A4] is uiteengezet, zodat geen belang bestaat voor een verklaring voor recht in dat opzicht.
De vordering onder II die gaat over alle betekenings- en executiekosten kan niet worden toegewezen, omdat deze onvoldoende is bepaald.
De vordering onder IV die gaat over € 9,60 aan “GBA” wordt ook afgewezen. Op [partij A] rust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij een betaling hebben gedaan, zonder dat daarvoor een rechtsgrond is en dat GBK de ontvanger is van de betaling. Aan die stelplicht hebben zij niet voldaan.
De vordering onder VI ( [partij A1] ) komt voor afwijzing in aanmerking, omdat zijn stellingen over het niet verschuldigd zijn van de dwangsommen niet slagen.
Voor de vordering onder VII ( [partij A3] ) geldt als volgt. Uit rechtsoverweging 4.19 blijkt dat [partij A3] geen dwangsommen heeft verbeurd op grond van de veroordeling onder 8.7. Zijn stellingen over de verschuldigdheid van dwangsommen op grond van de veroordelingen onder 8.8 en 8.9 slagen echter niet. Vast staat dat de deurwaarder bij [partij A3] een bedrag van € 4.870,36 heeft geïncasseerd. Op basis van het dossier en de zitting is niet duidelijk geworden hoe dit bedrag is samengesteld en voor welke afzonderlijke veroordelingen en voor welke bedragen onder [partij A3] is geïnd. Daarbij komt dat in elk geval niet voor het volledige bedrag van € 4.870,36 ten onrechte is geïncasseerd, zodat deze vordering niet kan worden toegewezen.
Wettelijke rente
Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder een arrest van 13 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:302), is hetgeen ter voldoening van een in appel (deels) vernietigd vonnis te veel is betaald, onverschuldigd betaald. Uit dat arrest blijkt ook dat degene, aan wie onverschuldigd is betaald, zonder ingebrekestelling in verzuim is en dus wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip dat aan hem/haar is betaald. Voorzover op die grond onverschuldigd is betaald, bestaat dus aanspraak op wettelijke rente, zoals hierna in het dictum opgenomen.
De proceskosten
GBK is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.884,47
in reconventie
Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Nu in conventie is overwogen dat de vordering van [partij A] voor een bedrag van € 12.919,02 toewijsbaar is, kan niet worden gesproken van een ondeugdelijk vorderingsrecht. GBK heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij dusdanig zwaar wordt getroffen door het beslag dat het beslag, mede in het licht van de belangen van [partij A] , niet in stand kan blijven.
De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.
GBK is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × factor 0,5 × € 288,00)
Totaal
€
288,00
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
verklaart voor recht dat het door [partij A2] betaalde bedrag van € 12.919,02 zonder rechtsgrond bij [partij A2] is geïncasseerd, en veroordeelt GBK tot terugbetaling van dit bedrag aan [partij A2] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van het bedrag;
veroordeelt GBK in de proceskosten van [partij A] van € 1.884,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als GBK niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van GBK af,
veroordeelt GBK in de proceskosten van [partij A] van € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als GBK niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.