RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.133452.24 (P)
Datum vonnis: 15 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de P.I. [verblijfsplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 mei 2026 en 1 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.C. Jonge Vos, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 4 mei 2026, kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 15 april 2024 tot en met 27 mei 2025 in Spanje en/of Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die het plegen van drugsgerelateerde misdrijven tot oogmerk had;feit 2: in de periode van 15 april 2024 tot en met 25 juni 2025 in Spanje en/of Nederland met anderen of alleen, opzettelijk, ongeveer 582 kilo MDMA heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;feit 3: zich in de periode van 15 april 2025 tot en met 25 juni 2025 met anderen of alleen, meermalen heeft beziggehouden met voorbereidings- of bevorderingshandelingen van een feit als in artikel 10, lid 4 of 5 Opiumwet;feit 4: in de periode van 21 april 2025 tot en met 25 mei 2025 met anderen of alleen, opzettelijk, ongeveer 1000 XTC-pillen binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht, dan wel aanwezig heeft gehad;
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.Hij in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en met 21 mei 2025 te Tarragona en/of Reus en/of Amposta, althans in Spanje en/of te Amsterdam althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of andere (onbekende) personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;
2.Hij in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en met 25 juni 2025, te Tarragona en/of Amposta, althans in Spanje en/of in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijkheeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 582 kilo MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezenkrachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.Hij in of omstreeks de periode van 15 april 2024 t/m 25 juni 2025 te Tarragona en/of te Reus en/of Amposta althans in Spanje en/of te Amsterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenmeermalen, althans eenmaal (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van (meth)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,immers heeft hij, verdachte- een betaling verricht aan een leverancier van tabletpersen, hulpmiddelen en/of productiemiddelen en/of- een loods in gebruik genomen en ingericht als laboratorium en/of- onderdelen van een in werking zijnde productieopstelling, bedoeld voor de productie van amfetamine, te weten grote hoeveelheden (laboratorium) benodigdheden voorhanden gehad, waaronder een of meerdere jerrycans, (IBC-)vaten, destilleerapparaten, reactoren en/ofcontainers en/of- grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder methylamine, dichloormethaan, aceton, natriumhydroxide, zoutzuur en/of citroenzuur en/of- (chat)gesprekken gevoerd met [medeverdachte 1] over de productie, verkoop, vervoer en/of percentages van synthetische drugs en/of afbeeldingen en/of video’s gestuurd over MDMA en/of- (chat)gesprekken gevoerd met '[alias]’ waarbij verdachte spreekt over kilo’s, percentages en/of bedragen en/of een video stuurt met een wit blok en/of- ladekast(en) aangeschaft ten behoeve van deklading;
4.Hij in of omstreeks de periode 21 april 2025 tot en met 25 mei 2025 , via Limburg, althans via het Nederlandse luchtruim in Nederland, te Barcelona althans in Spanje, te Keulen althans in Duitsland, te Louisville althans in de Verenigde Staten en/of te Zumpango althans in Mexico,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebrachten/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid van ongeveer 1000 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA,
zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3. De voorvragen
Door de raadsman is ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie betoogd dat de dagvaarding partieel nietig verklaard moet worden, omdat niet duidelijk is geworden wie er bedoeld worden met de in de tenlastelegging genoemde onbekend gebleven personen.
Door de officier van justitie is ter terechtzitting op 1 september 2026 medegedeeld dat dit de (onbekend gebleven) personen zijn die zich – naast de in de tenlastelegging genoemde [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] - bezig hebben gehouden met het drugslaboratorium in [plaats 1], Spanje, en daarmee behoren tot de criminele organisatie.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze duiding en het verhandelde ter terechtzitting op 1 september 2026 voldoende duidelijk is geworden waar verdachte zich tegen diende te verdedigen. De rechtbank verwerpt dit verweer en stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Inleiding
Op 15 april 2024 is er via een afgeschermd proces-verbaal door het Team Criminele Inlichtingen informatie verstrekt aan het onderzoeksteam. De informatie die werd verstrekt betrof onder andere:“[verdachte] (verdachte) houdt zich op dit moment bezig met grootschalige internationale handel in verdovende middelen in zowel Nederland als Spanje. Hij onderhoudt daartoe criminele contacten met subjecten die bekend zijn in de verdovende middelenhandel in Nederland en Spanje. Hij bezoekt frequent websites die te maken hebben met zeevracht, transport, containers, havens in Barcelona en Antwerpen, trackingsites voor scheepvaart en soortgelijke websites.Verdachte verbleef in Nederland op een adres in Amsterdam en maakte gebruik van verschillende huur- dan wel leasevoertuigen. In Nederland en Spanje had verdachte criminele contacten. Verdachte reisde frequent naar Spanje en verbleef dan in de omgeving tussen Barcelona en Salou, waar hij ook veelvuldig ontmoetingen had. Verdachte hield zich mogelijk bezig met het ‘rippen’ van partijen verdovende middelen. Hij leek daartoe leiding te geven aan een groep van meerdere personen.”
Naar aanleiding van deze informatie is onderzoek 26Siegburg opgestart. Er werden bakens geplaatst, communicatiemiddelen getapt, vertrouwelijke communicatie werd opgenomen en ook zijn er op basis van Europese onderzoeksbevelen in Spanje onderzoekshandelingen verricht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegd schriftelijk requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ter onderbouwing daarvan heeft hij onder meer verwezen naar chatgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), diverse chatgesprekken aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 1], het aantreffen van 582 kilo MDMA in een drugslaboratorium in [plaats 1] en de bekennende verklaring van verdachte voor wat betreft de in- en uitvoer van XTC-pillen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – overeenkomstig een overgelegde pleitnota - vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om verdachte als medepleger van het drugslaboratorium aan te merken en hij niet behoorde tot een criminele organisatie, maar slechts fungeerde als tussenpersoon, die bemiddelde tussen producent en afnemer.
Ten aanzien van het onder 3 en onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich met uitzondering van de onder 3 ten laste gelegde handelingen genoemd onder de gedachtestreepjes 2, 3, 5 en 6, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De identificatie van verdachte als de gebruiker van de Apple iPhone 14 en diverse telefoonnummers en de bijnamen ‘[bijnaam 1]’, ‘[bijnaam 2]’, ‘[bijnaam 3]’ en ‘[bijnaam 4]’.
Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen chatgesprekken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat onder meer in de chatapplicaties WhatsApp en Signal op de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon – een Apple iPhone 14 – en laptop diverse chatgesprekken, foto’s en gegevens zijn aangetroffen. Door de politie is verdachte als de gebruiker van deze telefoon en laptop aangemerkt.
De vraag die in deze strafzaak allereerst moet worden beantwoord, is of verdachte te identificeren is als de gebruiker van deze telefoon en van hetgeen door het onderzoeksteam van de politie als uitvloeisel daarvan aan hem wordt toegeschreven. Als verdachte te identificeren is als de gebruiker van voornoemde accounts, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of hij betrokken is bij de aan hem ten laste gelegde strafbare feiten en hoe deze betrokkenheid gekwalificeerd kan worden.
Het antwoord op de eerste vraag is van belang voor het bewijs voor het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde. De rechtbank zal die vraag daarom hier eerst en voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke feiten beantwoorden.
Gelet op de bevindingen die uit de onderzoeken aan de diverse in beslaggenomen telefoons naar voren zijn gekomen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gebruiker van voornoemde telefoon en accounts is geweest. De rechtbank heeft hierbij met name acht geslagen op diverse berichten, in combinatie met de overeenkomende huurcontracten bij Sixt, aangetroffen op de iPhone 14 met IMEI [IMEI-nummer] zoals opgenomen in het proces-verbaal 26Siegburg-793 waaruit volgt dat deze telefoon in de ten laste gelegde periode in gebruik was bij verdachte.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van het bereiden en verkopen van 582 kilo MDMA
Op een onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon Xiaomi Redmi 13c, werd een afbeelding van een container aangetroffen. Onderzoek naar deze container leidde tot een inval op 25 juni 2025 in een bedrijfsloods aan de [adres] in [plaats 1], Spanje. In deze loods werd een volledig ingericht laboratorium aangetroffen, waar MDMA geproduceerd werd. De waarde van de aangetroffen chemische apparatuur, die werd gebruikt voor de clandestiene synthese, bedroeg meer dan een miljoen euro. Op basis van de materialen en apparatuur werd geschat dat de productiecapaciteit van MDMA per batch ongeveer 250 kilo eindproduct per week was. In de loods werd ook een container aangetroffen, waarop het containernummer "[Containernummer]" stond afgebeeld. Dit containernummer kwam overeen met het containernummer dat op de container stond die op de telefoon van [medeverdachte 1] werd aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft deze afbeelding op 10 februari 2025 naar verdachte gestuurd nadat verdachte hier om vroeg.
Op de dag van de inval werd medeverdachte [medeverdachte 3] aangehouden op een camping in [plaats 2]. Bij deze camping stond een Fiat Ducato met kenteken [kenteken], die de avond ervoor geparkeerd was door [medeverdachte 1]. Bij de doorzoeking van dit voertuig werden in de laadruimte 16 witte ladekasten aangetroffen, waarin in totaal ongeveer 582 kilo MDMA in plastic zakken verpakt zat.
In het procesdossier bevinden zich diverse chat- en spraakgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1]. Uit deze gesprekken komt onder meer naar voren dat er foto’s gestuurd werden van een materiaal dat leek op een halffabricaat voor synthetische drugs en ook werd er gesproken over percentages en een samenwerking. Op één van de telefoons van [medeverdachte 1] is een groepschat aangetroffen, waarin gesproken werd over het drugslaboratorium in [plaats 1] en de inrichting daarvan. Verdachte nam geen deel aan deze groepschat. Verdachte is niet waargenomen bij dit drugslaboratorium een ook niet in of bij de Fiat Ducato, waarin de drugs zijn aangetroffen.
De rechtbank overweegt dat uit deze chatgesprekken – ondanks een mogelijk verstuurde foto van een halffabricaat en het bespreken van een samenwerking en percentages - niet afgeleid kan worden dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het opzetten dan wel inrichten van dit specifieke drugslaboratorium. Verdachte was geen deelnemer van de groepschat waarin hierover gesproken werd, en ook uit de chatgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] is niet vast te stellen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het inrichten van het drugslaboratorium dan wel bij de productie van MDMA in [plaats 1], Spanje. Het enkele feit dat [medeverdachte 1] een foto van een container uit de loods aan verdachte heeft gestuurd is onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te achten dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] (en anderen) betrokken was bij de productie en verkoop van de aangetroffen partij van 582 kilogram MDMA. Dat verdachte [medeverdachte 1] enige maanden daarvoor met zijn auto naar Schiphol heeft gebracht, maakt dat niet anders.De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.
Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie
Aan de verdachte is deelneming aan een (criminele) organisatie als bedoeld in artikel 10a OW ten laste gelegd. Onder een organisatie en deelneming daaraan wordt verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Aanwijzingen voor het bestaan van een samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen.
Voor het bewijs van deelneming aan die organisatie moet komen vast te staan dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten (die op zichzelf niet strafbaar behoeven te zijn), zolang maar van een aandeel in of ondersteuning van de verwezenlijking van het oogmerk kan worden gesproken. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt, of bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
Door de Officier van Justitie is betoogd dat er tussen verdachte enerzijds en [medeverdachte 1] anderzijds sprake is geweest van een samenwerkingsverband dat verband houdt met de productielocatie van MDMA in [plaats 1].
Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om verdachte als medepleger van het bereiden en verkopen van 582 kilo MDMA in [plaats 1], Spanje, aan te merken. In dit verband is de rechtbank eveneens van oordeel dat verdachte ook niet is aan te merken als deelnemer van een criminele organisatie die hiermee verband houdt. Er is onvoldoende gebleken dat verdachte behoorde tot het gestructureerde samenwerkingsverband dat zich bezighield met de productie van MDMA. Evenmin is gebleken dat hij daarin een aandeel had, dan wel het samenwerkingsverband ondersteunde door gedragingen die strekken tot de verwezenlijking van de productie van MDMA. Dat verdachte mogelijk een afnemer was van de door [medeverdachte 1] c.s. geproduceerde MDMA is onvoldoende om hem als deelnemer aan het criminele samenwerkingsverband aan te merken. Datzelfde geldt voor de chatgesprekken die verdachte voerde met [medeverdachte 1] in de periode van 25 oktober 2024 tot en met 27 mei 2025 over de kleur en kwaliteit van MDMA en het (door)verkopen en leveren daarvan. Ook deze gesprekken zijn onvoldoende om vast te stellen dat verdachte onderdeel uitmaakte van het criminele samenwerkingsverband, ondanks dat de verdachte als mogelijke afnemer wel zou bijdragen of heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van dat samenwerkingsverband. Gelet daarop zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feitelijkheden genoemd onder de gedachtestreepjes van het onder 3 ten laste gelegde feit luidende:
- een betaling verricht aan een leverancier van tabletpersen, hulpmiddelen en productiemiddelen;
- (chat)gesprekken gevoerd met [medeverdachte 1] over de productie, verkoop, vervoer en/of percentages van synthetische drugs en/of afbeeldingen
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit deel heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - in overeenstemming met artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 september 2026;
- het proces-verbaal opgenomen onder Zaaksdossier 01.
Ten aanzien van het ten laste gelegde onderdeel:
- (chat)gesprekken gevoerd met ‘[alias]’ waarbij verdachte spreekt over kilo’s, percentages en bedragen en een video stuurt met een wit blok;
overweegt de rechtbank dat in de onder verdachte in beslag genomen iPhone 14 chatgesprekken tussen verdachte en ‘[alias]’ zijn aangetroffen. Verdachte stuurde op 19 oktober 2024 om 09:55 uur het volgende bericht naar ‘[alias]’:
“Good afternoon friend. i hope you are doing well. Your friend has the test results. 65% came out. top stuff as i said. i guarantee my product. he indicated that he wanted to take the whole 10,000, but that he wanted to do it in parts per 1000 kilos and that he wanted to check each box 1 by 1. don't get me wrong but we have seen how long this took with 1 box. i indicated in advance that we normally do not sell below 3000 kilos. i did indicate that i am prepared to meet you halfway about the payment because you did not want to pay everythinq in advance. if 3000 kilos were taken the amount would be 270,000 with a down payment of 135,000. your husband indicates that he wants to do it per 1000 kilos but then we need 2 weeks or more to complete everything or longer my partner is not going to be happy with that. My proposal is to go down to the minimum of 2000 kilos with a 50% deposit but I want to know in advance how long they will check the boxes for quality because 2000 kilos are 80 boxes and we have now seen how long it took with 1 box. The reason I am writing to you and not your friend on signal is because I got your contact from our mutual friend so I know that the trust is there but I do not know the other person. let me know what you are going to do. thanks friend!”
Om 10:12 uur stuurde verdachte wederom een (nagenoeg gelijkluidend) bericht naar ‘[alias]’.
Ook werd eenzelfde alfanumerieke reeks, te weten: [tekst] door verdachte aan ‘[alias]’ gestuurd om 14:09 uur. Op 18 december 2024 stuurde ‘[alias]’ deze reeks weer terug aan verdachte. Op 20 december 2026 stuurde verdachte een video van een hand met daarin een afgebrokkeld wit blok, deels omhuld door een doorzichtige plastic zak, aan ‘[alias]’.
Verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze berichten aan zichzelf gestuurd heeft. De rechtbank acht die verklaring niet aannemelijk geworden, zeker niet nu ‘[alias]’, de alfanumerieke reeks, waarschijnlijk behorende bij een cryptowallet, terug heeft gestuurd aan verdachte. De rechtbank acht het ten laste gelegde sturen van chatberichten en een video van een wit blok aan ‘[alias]’ daarom wettig en overtuigend bewezen.
Medeplegen van het voorbereiden van opzettelijk verkopen en vervoeren van MDMA
De rechtbank stelt voorop, dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger, kan worden bewezen verklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander, of anderen.
De rechtbank is van oordeel dat uit bovenstaande chatgesprekken gevoerd met [medeverdachte 1], volgt dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering en een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in ieder geval [medeverdachte 1] als het gaat om de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen.
Partiële vrijspraak
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de onder de andere gedachtestreepjes genoemde handelingen, omdat die zien op het handelen met betrekking tot het drugslaboratorium in [plaats 1], Spanje.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde medeplegen van de in- en uitvoer van 1000 XTC-pillen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van dit ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 september 2026;
- het proces-verbaal opgenomen onder Zaaksdossier 02.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
3.hij in of omstreeks de periode van 15 april 2024 t/m 25 juni 2025 te Tarragona en/of te Reus en/of Amposta althans in Spanje en/of te Amsterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenmeermalen, althans eenmaal (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,en/of - het opzettelijk vervaardigen van (meth)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,immers heeft hij, verdachte- een betaling verricht aan een leverancier van tabletpersen, hulpmiddelen en/of productiemiddelen en- een loods in gebruik genomen en ingericht als laboratorium en/of- onderdelen van een in werking zijnde productieopstelling, bedoeld voor de productie van amfetamine, te weten grote hoeveelheden (laboratorium) benodigdheden voorhanden gehad, waaronder een of meerdere jerrycans, (IBC-)vaten, destilleerapparaten, reactoren en/ofcontainers en/of- grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waarondermethylamine, dichloormethaan, aceton, natriumhydroxide, zoutzuur en/of citroenzuur en/of- (chat)gesprekken gevoerd met [medeverdachte 1] over de productie, verkoop, vervoer en/of percentages van synthetische drugs en/of afbeeldingen en/of video’s gestuurd over MDMA en- (chat)gesprekken gevoerd met '[alias]’ waarbij verdachte spreekt over kilo’s, percentages en bedragen en een video stuurt met een wit blok en/of- ladekast(en) aangeschaft ten behoeve van deklading;
4.hij in of omstreeks de periode 21 april 2025 tot en met 25 mei 2025, via Limburg, althans via het Nederlandse luchtruim in Nederland, te Barcelona althans in Spanje, te Keulen althans in Duitsland, te Louisville althans in de Verenigde Staten en/of te Zumpango althans in Mexico,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebrachten/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid van ongeveer 1000 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA
zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 10, en 10a OW en het artikel 47 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 3
het misdrijf: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en/of een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
en
het misdrijf: het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en/of een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet, gegeven verbod.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – uitgaande van een bewezenverklaring voor alle ten laste gelegde feiten – en rekening houdende met de professionaliteit, de internationale component en het in stand houden van de criminele structuur, gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en een geldboete van € 100.000,- op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft -uitgaande van een (beperkte) bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 en vrijspraak van de overige feiten- verzocht rekening te houden met de relatief jonge leeftijd van verdachte, diens beperkte strafblad en de omstandigheid dat hij inzicht heeft gegeven in zijn handelen en beweegredenen daartoe. De raadsman verzocht oplegging van een straf gelijk aan de duur van het al ondergane voorarrest.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft samen met anderen onder meer de verkoop en het vervoer van MDMA binnen Nederland en Spanje voorbereid. Samen met een of meer medeverdachte(n) heeft verdachte gesprekken gevoerd over de kwaliteit van MDMA, de te verkopen hoeveelheden en wat de verdiensten zouden zijn. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van XTC-pillen vanuit Spanje via (het luchtruim van) Nederland naar Mexico. Dit alles enkel en alleen voor financieel gewin.
Verdachte heeft door zo te handelen, bijgedragen aan een georganiseerde vorm van drugscriminaliteit die grote vormen heeft aangenomen en die gepaard gaat met zware, grensoverschrijdende, vaak gewelddadige criminaliteit en illegale geldstromen. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. Internationale drugscriminaliteit heeft ook een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving. Daarnaast ondermijnt het de rechtsstaat. Veel van de meest ernstige strafbare feiten die gepleegd worden, hangen samen met drugshandel, waaronder (pogingen tot) liquidaties en de handel in vuurwapens. Daarbij vallen ook onschuldige slachtoffers die niets met de handel in drugs te maken hebben.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 21 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank overweegt dat bij het bepalen van de strafmaat is gelet op straffen die in de rechtspraak worden opgelegd voor voorbereiding van de verkoop van MDMA en invoer en uitvoer van MDMA. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met de intensiteit van de voorbereidingshandelingen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht-afspraken voor de in- en uitvoer van harddrugs. Alles afwegende maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend en geboden acht. Gelet op de kennis die verdachte had van de strafbare feiten en de vele contacten die hij in die “wereld” had, waarbij hij in ieder geval optrad als tussenpersoon, en de aanzienlijke financiële winsten die met drugshandel gemaakt worden acht de rechtbank het denkbaar dat verdachte in de toekomst voor de verleidingen van “het snelle geld” zwicht en opnieuw drugsdelicten zal plegen. Om verdachte daarvan te weerhouden zal de rechtbank bepalen dat van de gevangenisstraf van 3 jaren, één jaar voorwaardelijk opgelegd wordt met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de door verdachte al ondergane tijd in overlevering en voorarrest hierop in mindering moet worden gebracht. De voorlopige hechtenis zal dan ook niet opgeheven worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om naast de vrijheidsstraf nog een geldboete op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, indien en voor zover van toepassing tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De in beslag genomen voorwerpen
Nu verdachte ter terechtzitting van 1 september 2026 afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen goederen vermeldt op de beslaglijst van 27 augustus 2026 ligt er op dit punt geen te nemen beslissing meer voor.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissingen berusten op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berusten deze beslissingen op het artikel 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
Strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 3
het misdrijf: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en/of een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
en
het misdrijf: het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en/of een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet, gegeven verbod.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 3 en 4 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. S. Köiter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Buiten staat
Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.